Grofweg is het al dan niet beschermen van techniek aan het octrooirecht. Hierdoor kennen de overige gebieden van het intellectueel eigendomsrecht een zogeheten ‘techniekrestrictie’. Zij dienen zich te onthouden van het verlenen van bescherming, ongeacht of er wel of geen octrooirechtelijke bescherming (meer) wordt geboden.

  • techniekrestrictie in het auteursrecht
  • techniekrestrictie in het merkenrecht
  • techniekrestrictie in het modellenrecht
  • techniekrestrictie in de slaafse nabootsingsleer (onrechtmatige daad)

In het modelrecht leest de uitsluiting als volgt:
“Uiterlijke kenmerken van een model die uitsluitend door een technische functie worden bepaald zijn uitgesloten van bescherming.”

Wat moet echter onder ‘uitsluitend’ worden verstaan? Geregeld wordt gesteld dat een uiterlijk kenmerk (lees: vorm) niet uitsluitend door een technisch functie wordt bepaald, indien er ook alternatieve vormen zijn die de technische functie kunnen bereiken.

Het Hof Den Haag legde dit 29 maart 2016 goed uit:

Het hof is van oordeel dat een element van een model dat door een technische functie is bepaald in beginsel uitsluitend door een technische functie is bepaald,

  1. als er slechts één of een aantal alternatieve technische oplossingen is waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt of
  2. als er slechts één of een beperkt aantal reële alternatieven is in de vormgeving van dezelfde technische oplossing; zo’n alternatief is niet reëel als het slechts zou inhouden:
    1. een toevoeging van een (technisch gezien) zinloos element (zoals een versiering of een verdikking) aan het technisch bepaalde element;
    2. een afwijking in de vormgeving van het technisch bepaalde element die zo futiel is dat zij ten opzichte van het model geen eigen karakter geeft (waardoor dit alternatief dus onder de beschermingsomvang van het model valt).

Een ander oordeel zou er toe leiden dat er (vrijwel) nooit sprake zou zijn van een uitsluitend door een technische functie bepaald element daar zinloze en futiele toevoegingen (vrijwel) altijd mogelijk zijn.

In dit verband merkt het hof op dat het modelrecht niet gebruikt mag worden om een bepaald technisch effect te laten monopoliseren door één of een beperkt aantal marktdeelnemers en daarmee anderen te beletten van technische verworvenheden gebruik te maken.

M.i. kunnen regel-I en regel-II samengesmolten worden. Het is m.i. namelijk irrelevant of de alternatieve vorm zich binnen of buiten dezelfde technische oplossing bevindt. De regel wordt dan: Bescherming wordt onthouden indien er slechts een (beperkt) aantal reële alternatieve vormgevingen mogelijk zijn van het uiterlijke kenmerk die door een technische functie wordt bepaald.

M.i. is het vrij logisch dat wanneer er slechts enkele (economisch reële) vormen beschikbaar zijn om een bepaald technisch effect/resultaat te behalen, deze ‘per stuk’ zijn uitgesloten van modelbescherming. Een andere opvatting zou het namelijk mogelijk maken dat een fabrikant voor elk van de vorm-varianten een modelrecht verkrijgt, en zodoende via het modelrecht alsnog het bereiken van een technisch resultaat/effect monopoliseert. Dat is zonneklaar niet de bedoeling.

Hieronder meerdere uitspraken om te zien hoe de uitzondering in de praktijk wordt uitgelegd.

19 mei 2016
Rechtbank Den Haag – Stormparaplu
uitspraak