Categorie: Civiel recht

Minderjarige gaat sport-abonnement aan zonder toestemming ouder (kind sluit overeenkomst, handelingsonbekwaam?)

4-11-2015
Rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) – uitspraak

Een 16-jarige jongen vult op 2-2-2013 bij een sportschool een inschrijfformulier in en ondertekent dat. Binnen een week geeft hij mondeling aan dat hij ervan afziet. Op 27-2-2013 maant de sportschool de jongen aan tot betaling. Bij brief van 5-3-2013 geeft de vader aan de jongen geen toestemming gegeven te hebben tot de overeenkomst. De jongen heeft nooit gebruik gemaakt van het abonnement en de ledenpas nooit ontvangen.

In artikel 1:234 BW zijn de gevolgen van het minderjarig zijn neergelegd. Tot 2 november 1995 werd een minderjarige handelingsonbekwaam geacht. De hoofdregel is thans dat een minderjarige bekwaam is rechtshandelingen te verrichten, mits hij handelt met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Deze toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of een bepaald doel.

Artikel 1:234 BW leest als volgt:

1 Een minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.
2 De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel.
3 De toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.

Artikel 1:234 lid 3 BW biedt echter geen vrijbrief voor derden om de opvatting van de wettelijke vertegenwoordiger in concrete gevallen te negeren. Dit artikellid bewerkstelligt enkel dat derden niet hoeven te verifiëren of de gezaghebbende instemt met het aangaan van een rechtshandeling. Eisende partij mocht er in het onderhavige geval niet van uitgaan dat de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger aan de minderjarig mag worden verondersteld te zijn verleend, nu gebleken was van bezwaar van de wettelijk vertegenwoordiger. De door gedaagde partij verrichte rechtshandeling was derhalve vernietigbaar en uit de brief van de vader van gedaagde d.d. 3 maart 2013 had eisende partij dan ook dienen af te leiden dat de vader van gedaagde partij vernietigbaarheid van de door zijn zoon, gedaagde partij, verrichte rechtshandeling inriep. Eisende partij had vervolgens de overeenkomst dienen te vernietigen.

Onaangekondigde steekproefsgewijze inspectie woning i.v.m. hennepteelt (spontaan betreden woonruimte ter controle wietteelt)

Hieronder

ABRvS 7-4-2010 Eigenaar moet zich informeren inzake gebruik gehuurde
ABRvS 5-9-2012 Recht op privacy hoeft niet in de weg te staan aan inspectie
Rechtbank A’dam 23-10-2017 Verhuurder heeft geen recht op onaangekondigde inspectie


7-4-2010
ABRvS – uitspraak

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200706734/1) mag van de eigenaar van een pand dat in strijd met de bestemming als hennepkwekerij wordt gebruikt, worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. Hij dient aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet heeft kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. Hieruit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de omstandigheid dat [wederpartij] eigenaar is van het pand, niet reeds tot de conclusie leidt dat zij kan worden aangemerkt als overtreder van het verbod om dit in strijd met de bestemming te laten gebruiken. Zoals hiervoor in 2.2. is overwogen, was het pand ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij door NAS, een professioneel woningverhuurbedrijf, onderverhuurd aan [onderhuurder]. Dit bedrijf legt zich onder meer toe op het beheer van de door haar verhuurde woonruimten. Mede gelet op de door [wederpartij] overgelegde huurovereenkomst en de bewijzen van maandelijkse betaling van de huurpenningen door NAS staat vast, hetgeen het dagelijks bestuur ook niet heeft betwist, dat NAS de huurovereenkomst met [wederpartij] is nagekomen. Anders dan het dagelijks bestuur betoogt, brengt het enkele feit dat niet duidelijk is of en op welke wijze [onderhuurder] zijn huurpenningen aan NAS heeft voldaan niet met zich dat in dit geval [wederpartij] aanleiding had behoren te zien om te controleren of het door haar verhuurde pand door de onderhuurder in overeenstemming met de bestemming werd gebruikt. Onder deze omstandigheden, betoogt het dagelijks bestuur tevergeefs dat zij wist, dan wel had behoren te weten, dat het pand in strijd met de bestemming als hennepkwekerij werd gebruikt. [wederpartij] kan dan ook niet als overtreder van het gebruiksverbod worden aangemerkt, zodat de kosten voor ontmanteling van de hennepkwekerij niet ten laste van haar kunnen worden gebracht.


5-9-2012
ABRvS – uitspraak

“het recht op privacy van een huurder hoeft niet in de weg te staan aan het kunnen controleren van het eigendom van de verhuurder”.


23-10-2017
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

Verhuurder dient huurgenot te verschaffen. Huurder heeft recht op ongestoord huurgenot. In de algemene bepalingen staat dat verhuurder inzake gebreken of taxaties in overleg de woning mag betreden en in noodgevallen zonder overleg. In de huurovereenkomst wordt huurder verboden hennep aanwezig te hebben in het gehuurde.

Verhuurder wenst steekproefsgewijs onaangekondigd het gehuurde te betreden. De rechtbank ziet hiervoor geen rechtsgrond en het is ook niet contractueel overeengekomen. Ook het argument dat verhuurder bestuursrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld indien zij kon weten dat het pand onrechtmatig werd gebruikt. Omdat verhuurder alleen in noodgevallen mag betreden ziet de rechter niet in waarom verhuurder in dat geval iets had kunnen weten. Geen grond dat verhuurder ook buiten noodgevallen zou mogen betreden. Dit zou te grote inbreuk zijn op 10 Gw en 12 Gw.

Tijdschrift voor Huurrecht (2018-7) biedt een noot onder dit vonnis. Op grond van de Woningwet mag van de eigenaar worden gevergd dat hij zich “tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt”. Eigenaar dient aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten van de hennep, anders wordt hij aangemerkt als ‘functioneel. overtreder’. Het informeren betreft zowel de identiteit als de bedoelingen van de huurder, als regelmatige inspectie van het gehuurde. Het zijn communicerende vaten.

De rechter komt hier tot een ander oordeel dan de ABRvS op 5-9-2012.

Oppervlakte woning incorrect in brochure leidt tot schadevergoeding (netto-woonoppervlakte gebruiksoppervlakte NEN2580)

13-7-2018
Hoge Raad – uitspraak

Onrechtmatige daad. Is NVM-(verkoop)makelaar aansprakelijk jegens koper voor vermelding van woonoppervlakte in verkoopbrochure die niet gemeten is volgens de voor NVM-makelaars verplichte ‘Meetinstructie bepalen gebruiksoppervlakte woningen volgens NEN 2580’? Betekenis meetinstructie. Voorbehoud in verkoopbrochure. Exoneratie in koopovereenkomst; verhouding tot art. 7:17 lid 6 BW. Klachtplicht art. 6:89 BW van toepassing?

Artikel 7:17 lid 6 leest als volgt:

Bij koop van een onroerende zaak wordt vermelding van de oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te zijn, zonder dat de zaak daaraan behoeft te beantwoorden.

Hoge Raad:

Die bepaling heeft niet betrekking op de wijze waarop een makelaar informatie dient te geven omtrent de woonoppervlakte van een woning, maar ziet op de vraag welke betekenis koper en verkoper jegens elkaar mogen hechten aan de vermelding van de grondoppervlakte van de (gehele) onroerende zaak in verband met de conformiteitseis van art. 7:17 lid 1 BW.

Rectificatie op facebook vastgepind houden

19-6-2018
Rechtbank Limburg (zit Maastricht) (kort-geding) – uitspraak

Een vrouw heeft een Facebook-pagina waarop minderbedeelden geholpen worden door gratis kleding en huisraad te verstrekken. Eind 2016 leert zij gedaagde kennen, welk contact half 2017 onwenselijk wordt. De vrouw vordert inzake een contact- en straatverbod o.a.:

te bepalen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gehouden is om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de onder randnummer 18 van de dagvaarding geformuleerde rectificatie op zijn Facebookpagina te plaatsen en aldaar voor de duur van ten minste 30 dagen vastgepind te houden, alsmede te bepalen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gehouden is om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis zorg te dragen voor publicatie van de onder randnummer 18 van de dagvaarding geformuleerde rectificatie in een regionaal dagblad,

4.13. Door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zijn ter staving van haar vorderingen een groot aantal screenshots van whatsappjes, Facebook berichten, Marktplaats berichten, e-mails en andere berichten overgelegd, die deels onvolledig dan wel ongedateerd zijn. Aldus valt niet altijd uit de berichten op te maken uit welke periode zij stammen. Bij het lezen van die appjes en e-mails, die niet door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gemotiveerd zijn weersproken, ontstaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het beeld van iemand die het ene moment toenadering zoekt en het andere moment hard uithaalt en heftige uitlatingen doet. Uitlatingen zoals ‘vies laag labiel dik psycho wijf met je senioren grot!’, ‘labiele narcistische pathalogische leugenachtige neppe snol..’, ‘Herken mezelf in jou… we zijn toch ook echt 1’, ‘als je wilt dat ik jou hele fb volgooi met bv foto van jou en [naam ex] ..jou en je turkje.. kan je het krijgen labiel klein kind dat je bent.. zwakzinnig ben je!’. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] probeert ook anderen in de discussie over wat er zich tussen hem en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (volgens hem) afspeelt te betrekken, zo blijkt uit het overgelegde berichtenverkeer. Ook laat hij zich jegens die anderen negatief uit over [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de trant van ‘de helft van de donaties stopt ze ook in haar eigen zakken’ ‘ze heeft me gebrainwashed en gepaait met zogenaamde liefde en sex – walg van haar en net zoals leden als jou die daarin trappen!’

4.17.
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert onder 7 dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de navolgende rectificatie plaatst en deze ten minste 30 dagen op zijn Facebookpagina vastgepind houdt en zorg draagt voor publicatie in een regionaal dagblad:

‘Rectificatie op last van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht: Sedert mei 2017 heb ik, [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , onder meer op diverse Facebookpagina’s verschillende beledigende, lasterlijke en smadelijke uitlatingen over mevrouw [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gedaan, waarvan de strekking is dat mevrouw [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] mensen oplicht en te pas en te onpas met vreemde mannen geslachtsverkeer zou hebben. Zulks terwijl ik wist dat deze uitlatingen aan het adres van mevrouw [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet op de waarheid zijn gebaseerd. Ik neem deze uitlatingen bij dezen terug en verzoek u deze als zijnde niet gedaan te beschouwen’.

5.5.
verbiedt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voor de duur van één jaar vanaf de betekening van dit vonnis om nog langer enig bericht omtrent eiseres online te zetten, en beveelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] reeds geplaatste berichten te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dit verbod overtreedt, met een maximum van € 1.500,-,

5.6.
bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gehouden is om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de onder 4.17 geformuleerde rectificatie op zijn Facebookpagina te plaatsen en aldaar voor de duur van ten minste 30 dagen vastgepind te houden, en bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gehouden is om binnen 24 uur na berekening van dit vonnis zorg te dragen voor publicatie van de onder 4.17 geformuleerde rectificatie in een regionaal dagblad,

Oplichting of ‘slechts’ moedwillige wanprestatie

In de samenleving en in televisieprogramma’s zoals Radar en Opgelicht!? wordt geregeld gesproken over ‘oplichting’. Ook wanneer men iets heeft besteld op internet maar vervolgens niks heeft ontvangen, roept men al snel dat men is opgelicht.

Of er in juridische zin sprake is van oplichting, ligt echter iets gecompliceerder. Oplichting staat in artikel 326, lid 1 Wetboek van Strafrecht:

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid,
hetzij door listige kunstgrepen,
hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

iemand beweegt

tot de afgifte van enig goed,
tot het verlenen van een dienst,
tot het ter beschikking stellen van gegevens,
tot het aangaan van een schuld of
tot het teniet doen van een inschuld,

wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Nu is het zo dat iemand die geld accepteert maar vervolgens opzettelijk niets levert, zich volgens vaste rechtspraak nog niet schuldig maakt aan oplichting. Iets dergelijks levert enkel ‘moedwillige wanprestatie’ op (hetgeen valt onder het civielrecht, en niet het strafrecht).

Niet elke vorm van bewust oneerlijk zakendoen levert het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf ‘oplichting’ op. Dat geldt eveneens wanneer kan worden bewezen dat men is benadeeld door een persoon die niet van plan of in staat was zijn verplichting na te komen en die zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide (ver)koper. Die enkele omstandigheid is volgens vaste rechtspraak onvoldoende om ‘het aannemen van een valse hoedanigheid van bonafide (ver)koper’ op te leveren (zie o.m. HR 15 december 1998, LJN: ZD1177 en HR 13 november 2001, LJN: AD4320).

M.i. overheerst in de samenleving de opvatting dat opzettelijk niet leveren wel degelijk thuishoort in het strafrecht.

Schadevergoeding voor huurder wegens onterecht doorgeven inkomensgegevens door belastingdienst (huurverhoging fiscus)

26-4-2018
Rechtbank Den Haag – uitspraak

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar voorzover dit betrekking heeft op het door eiser ingediende verzoek om schadevergoeding.

9. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet via de bestuurlijke weg bij een bestuursorgaan of bij de bestuursrechter verzocht kon worden.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Nu eiser een schadevergoeding ter hoogte van € 2.700,- verzoekt is ingevolge artikel 8:89 tweede lid van de Awb de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd hiervan kennis te nemen. Het besluit behoort immers in hoger beroep tot de competentie van de Afdeling of het College van beroep voor het bedrijfsleven, en de schadevordering bedraagt minder dan € 25.000,-.

9.1.
Zoals hiervoor overwogen strekt in deze zaak het verzet van artikel 40 Wbp zich niet uit over de verstrekking van inkomensgegevens die voor het indienen van het verzet heeft plaatsgevonden. Met de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 staat echter vast dat die verstrekking ook in de onderhavige zaak is geschied in strijd met het in artikel 67, eerste lid van de Awr neergelegde verbod voor de Belastingdienst om gegevens die de Belastingdienst bij zijn taakuitoefening heeft verkregen aan derden te verstrekken. Nu het bestuursrecht via de weg van het verzet hiervoor geen adequaat rechtsmiddel biedt, stelt de rechtbank zelf de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking vast onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016. Anders dan verweerder heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat die onrechtmatigheid niet eerst is ontstaan door de uitspraak, dus per 3 februari 2016, maar heeft bestaan in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016, omdat de Afdeling heeft vastgesteld dat in die periode geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst bestond om de inkomensverklaringen aan de verhuurder te verstrekken en na 1 april 2016 door de wetswijziging wel. Gelet op deze onrechtmatigheid is het beroep, gericht tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, gegrond.

9.2.
Ten aanzien van de omvang van de schade oordeelt de rechtbank als volgt.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1367) blijkt dat in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor de berekening van de omvang van de schadevergoeding is van belang dat er een causaal verband bestaat tussen de verstrekking van de gegevens en de huurverhoging. Zonder de verstrekking van de inkomensgegevens had de verhuurder niet tot de opgelegde huurverhoging kunnen overgaan. Eiser is door toedoen van verweerders onrechtmatige verstrekking geconfronteerd met hogere huurkosten, die daardoor als schade kunnen worden aangemerkt en op grond daarvan voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De rechtbank begroot de schade als gevolg van de verstrekte inkomensgegevens op 2,5 % huurverhoging per 1 juli:

2013: 2,5 % van de huurverhoging per 1 juli 2013 =15,42 x 6 = € 92,52

2014: 2,5 % van de huurverhoging tot 1 juli 2014 = 15,42 x 6 = € 92,52

2,5 % van de huurverhoging per 1 juli 2014 = 17,21 x 6 = € 103,26

2015: 2,5 % van de huurverhoging tot 1 juli 2015 = 17,21 x 6 = € 103,26

2,5 % van de huurverhoging per 1 juli 2015 = 18,06 x 6 = € 108,36

2016: 2,5 % van de huurverhoging tot 1 april 2016= 18,06 x 3 = € 54,18 +

———

Totaal: € 554,10

Verweerder dient eiser een bedrag van € 554,10 aan schade te vergoeden. Anders dan door eiser verzocht betreft het de schade van de huurverhoging tot 1 april 2016. Zoals uit het voorgaande blijkt is de rechtbank immers van oordeel dat de gegevensverstrekking in de periode na de wetswijziging tot de verhuizing op 27 maart 2017 rechtmatig is geweest. De schadevergoeding strekt zich dan ook niet uit over die periode. De rechtbank wijst de schadevergoeding die ziet op de verhuiskosten eveneens af. Een causaal verband tussen de huurverhoging en de verhuizing is de rechtbank niet gebleken, nu niet afdoende is onderbouwd dat de verhuizing uitsluitend is ingegeven door de opgelegde huurverhogingen.

Mondelinge overeenkomst tot huurverlaging aangenomen door jarenlang stilzitten verhuurder

GHSHE:2017:5234

Geen kleine herstellingen bij aangaan huur

Rossel & Heisterkamp, Asser 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel II. Huur 2017 randnr. 28 (p. 25):

Voorts geldt bij het aangaan van de huur nog niet de verplichting van de huurder tot het verrichten van kleine herstellingen (art. 7:217 BW): hij heeft in beginsel aanspraak op terbeschikkingstelling van het huurobject in zodanige staat dat dergelijke herstellingen nog niet hoeven te worden verricht. Zie ook hierna nr. 42 e.v.

Ontkenning ontvangst e-mail door spambox

20-9-2017
Rechtbank Midden-Nederland (kort geding) – uitspraak

4.8. De e-mail van 23 april 2017 die aan [gedaagde] is gestuurd, voldoet aan de eisen van artikel 7:271 BW. Dat deze is gezonden vanaf het e-mailadres van de zoon van [eiser] doet er naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet toe, nu deze is gezonden uit naam van [eiser] , zodat voor [gedaagde] duidelijk moest zijn dat de huurovereenkomst zou eindigen per 31 mei 2017. [gedaagde] heeft echter de ontvangst van deze e-mail betwist. Zij heeft aangevoerd dat deze wellicht in de map ongewenste e-mail terecht is gekomen, die automatisch wordt geleegd, zodat zij geen kennis heeft genomen van dit bericht. Om zijn werking te kunnen hebben dient de e-mail [gedaagde] daadwerkelijk te hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). Dat heeft [gedaagde] betwist en [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die de conclusie kunnen dragen dat [gedaagde] de e-mail wel heeft ontvangen en de inhoud daarvan kende. Mogelijk is hiervoor nadere bewijslevering nodig, maar daarvoor is in dit kort geding geen ruimte. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] tijdig is geïnformeerd over het eindigen van de huurovereenkomst, zodat ontruiming op grond van het eindigen van de huurovereenkomst voorshands niet mogelijk is.

Verbod op opschorting in algemene voorwaarden bij huurovereenkomst jegens consument-huurder onredelijk bezwarend ex 6:236 onder c BW

ECLI:NL:RBLIM:2017:6978

Ongedaanmaking onmogelijk? Waardevergoeding ex 6:210 BW. (Wel vordering tot verrekening indienen)

ECLI:NL:RBAMS:2017:6025

Rechtsbijstandverlener veroordeeld tot schadevergoeding wegens slecht advies (DAS)

29-11-2017
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

Schadevergoeding bij strafvorderlijk optreden door de politie (aansprakelijkheid Staat, gelijkheidsbeginsel, égalitébeginsel)

Strafvorderlijk optreden dat voldoet aan de strafprocesrechtelijke regels is ook jegens derden rechtmatig. Echter, buiten het normale risico vallende schade dient o.g.v. het gelijkheidsbeginsel over de gemeenschap verdeeld te worden. HR 30-3-2001 (Staat/Lavrijsen).

De Staat is echter niet (volledig) schadeplichtig als er sprake is van ‘eigen schuld’ van de benadeelde (art. 6:101 lid 1 BW). Indien een ander dan de benadeelde de beschadigde zaak onder zich had, wordt het handelen van die ander toegerekend aan de benadeelde (lid 2).

De Hoge Raad oordeelde in 2009 dat deze toerekeningsregel ook geldt bij strafvorderlijk optreden door de Staat. HR 2-10-2009 (Wherestad).

Hier komt het arrest van de Hoge Raad van vandaag echter op terug.

Het voorgaande brengt daarom mee dat – anders dan nog tot uitgangspunt is genomen in [Wherestad] – in gevallen waarin de Staat wegens rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is voor schade aan zaken van een ander dan de verdachte, bij beoordeling van de vraag of de vergoedingsplicht van de Staat op de voet van art. 6:101 lid 1 BW moet worden verminderd of zelfs geheel vervalt (op grond van de causaliteitsafweging dan wel de billijkheidscorrectie), het tweede lid van die bepaling buiten toepassing moet blijven.

Volledige proceskostenvergoeding bij evident ongegronde vordering of verweer (misbruik van recht, onrechtmatige daad)

Over vorderingen:
6 april 2012
Hoge Raad (Duka/Achmea) – uitspraak

15 september 2017
Hoge Raad – uitspraak
Volgens de Hoge Raad kan sprake zijn van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door verweerders als het verweer gebaseerd is op feiten en omstandigheden waarvan ze wisten of konden weten dat die onjuist zijn. Ook stellingen waarvan verweerders op voorhand moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden kunnen misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen vormen.

Wel past terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, herhaalt de Hoge Raad. Iedereen heeft immers recht op toegang tot de rechter.

Vader (zonder gezag) mag geen foto’s van minderjarige op facebook plaatsen

18-9-2017
Rechtbank Overijssel – uitspraak

5.11 Wat betreft het gebruik van social media overweegt de rechtbank dat het in het huidige digitale tijdperk gebruikelijk is om allerlei zaken via internet, bijvoorbeeld op Facebook, Instagram of WhatsApp te delen. Dat vader af en toe foto’s van [minderjarige] op Facebook wil plaatsen kan de rechtbank dan ook begrijpen. Echter, op het moment dat een foto op Facebook staat, is deze eigendom van Facebook. Facebook kan de foto bijvoorbeeld doorverkopen aan derden. Zo kan het zijn dat een foto opeens opduikt in een reclamecampagne of voor andere doeleinden wordt gebruikt. Degene die de foto heeft geplaatst heeft er dan geen controle meer over. Dat is ook moeders bezwaar. Zij is principieel tegen het plaatsen van foto’s van [minderjarige] op het internet via social media. De rechtbank deelt het standpunt van de Raad dat ouders van ver zijn gekomen. Na een lange en moeizame weg zijn zij er uiteindelijk in geslaagd om overeenstemming te bereiken over hun geschilpunten. Zij hebben de erkenning van [minderjarige] door vader in onderling overleg geregeld, waardoor een DNA-onderzoek niet meer nodig is, en zij hebben beiden ingestemd met het raadsadvies betreffende een omgangsregeling tussen vader en [minderjarige] . Het mag dan niet zo zijn dat het plaatsen van foto’s van [minderjarige] op Facebook een -nieuw- struikelblok vormt. De rechtbank is van oordeel dat, nu moeder als de gezaghebbende ouder tegen het plaatsen van foto’s van [minderjarige] op social media is, vader daarvan moet afzien.

Aansprakelijkheid opdrachtgever en verhaal op ZZP’er bij Wet DBA

Bij de VAR was alleen de zzp’er aansprakelijk als bij controle toch sprake bleek te zijn van een loondienstverband. Met de Wet DBA komt de verantwoordelijkheid ook bij de opdrachtgever te liggen.

Mocht er volgens De Belastingdienst toch sprake zijn van een (fictief) dienstverband, dan heeft dit gevolgen voor de opdrachtgever en voor de opdrachtnemer/zzp’er. De opdrachtgever kan een naheffingsaanslag loonheffingen en een boete krijgen. De loonbelasting en de premie volksverzekeringen kunnen door de opdrachtgever op de opdrachtnemer worden verhaald. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de boete.

De modelovereenkomsten op de site van de belastingdienst bevatten geen bepalingen over verhaal.

Bestuurder moet instaan voor verplichtingen projectvennootschap

Bestuurder moet instaan voor verplichtingen projectvennootschap

Collectieve afwikkeling massaschade (claim-stichtingen, massaclaim)

Zie de Memorie van Toelichting

7:404 BW

7A:1680 BW:

De vennooten kunnen door den schuldeischer, met wien zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen bedroeg; ten zij, bij het aangaan der schuld, derzelver verpligting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elk vennoot te dragen, uitdrukkelijk zij bepaald.

(“al ware het dat” moet gelezen worden als “ook al was het zo dat”)

7:404 BW:

Indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer.

7:407 lid 2 BW:

Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.

Alhoewel de maten van ‘een maatschap’ niet zomaar gebonden kunnen worden, gaat de Hoge Raad ervan uit dat

Schadevergoeding bij faillissement huurder (bankgarantie, contra-garantie)

Op grond van artikel 39 Faillissementswet kan de huurovereenkomst (bij faillissement) tussentijds worden opgezegd.

Kunnen huurder en verhuurder echter overeenkomen dat de huurder aan de verhuurder schadevergoeding wegens de door het faillissement ontstane leegstand?

De Hoge Raad oordeelde 14-1-2011 van niet:

3.5.2 In het onderhavige geval heeft de curator de huurovereenkomst op de voet van art. 39 F. beëindigd door opzegging. In een dergelijke wijze van beëindiging, waaraan voor de verhuurder in het kader van zojuist bedoelde afweging van belangen het voordeel is verbonden dat de huurschuld vanaf de faillissementsdatum boedelschuld is, heeft de wetgever “niet de minste reden” gezien aan de verhuurder “ook nog een recht op schadevergoeding te geven.” De door het onderdeel aan de orde gestelde vraag of desondanks op grond van het bepaalde in art. 7.3 van de huurovereenkomst jegens de boedel recht op schadevergoeding bestaat wegens gemis van de (na de opzeggingsperiode) verschuldigde huur, moet in dat licht ontkennend worden beantwoord. De opzegging op de voet van art. 39 is een regelmatige wijze van beëindiging van de huurovereenkomst, die niet tot schadevergoeding verplicht. Het resultaat van de bedoelde belangenafweging kan niet worden doorbroken door het bedingen van een recht op schadevergoeding ter zake van de huur die verschuldigd zou zijn geworden indien de huurovereenkomst niet tussentijds op de voet van art. 39 zou zijn beëindigd.

Kennelijk was hierdoor in de praktijk de vraag ontstaan hoe het zat met overeengekomen bankgaranties ten behoeve van de verhuurder.

Het hof Amsterdam overwoog 2-6-2015 kort gezegd als volgt:

Leegstandschade door verhuurder geclaimd onder bankgarantie.

Bank heeft vordering uit contragarantie verrekend met creditsaldo van failliet.

Per saldo komt leegstandschade ten laste van de boedel en dit is strijdig met doel en strekking van art. 39 Fw.

Het resultaat was dat de door de verhuurder ontvangen bankgarantie neerkwam op een onverschuldigde betaling door de bank. De verhuurder ging in cassatie.

De Hoge Raad oordeelde 17-2-2017

Volgens art. 39 lid 1 Fw kan, indien de gefailleerde huurder is, zowel de curator als de verhuurder de huur tussentijds door opzegging doen eindigen, op een termijn van in beginsel ten hoogste drie maanden. Volgens de laatste volzin van art. 39 lid 1 Fw is de huurprijs vanaf de dag der faillietverklaring boedelschuld.

Een opzegging op de voet van art. 39 Fw is een regelmatige wijze van beëindiging van de huurovereenkomst die jegens de faillissementsboedel geen recht doet ontstaan op schadevergoeding wegens gemis van de huur die verschuldigd zou zijn na de datum waartegen volgens dat artikel kan worden opgezegd, ook niet ingeval deze schadevergoeding contractueel is bedongen.

Art. 39 Fw berust blijkens zijn totstandkomings-geschiedenis op een afweging van enerzijds het belang van de boedel bij voorkoming van het oplopen van schulden ter zake van niet langer gewenste huurverhoudingen, en anderzijds het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs. Het resultaat van deze afweging kan niet worden ontgaan door een andersluidend beding.

De bedoelde afweging heeft slechts betrekking op de verhouding tussen verhuurder en boedel. De op die afweging berustende regeling van art. 39 Fw strekt niet mede ter bescherming van het belang van de gefailleerde. Een beding waarbij de huurder zich heeft verplicht tot vergoeding van de schade die de verhuurder lijdt door een voortijdig einde van de huurovereenkomst als gevolg van het faillissement van de huurder, is dan ook niet nietig jegens de gefailleerde huurder zelf. Ingeval de huurovereenkomst wordt opgezegd op de voet van het artikel, heeft dit beding alleen geen effect jegens de boedel. De daaruit resulterende vordering komt niet in aanmerking voor verificatie in het faillissement van de huurder en kan evenmin op andere wijze ten laste van de boedel worden gebracht.

Indien een derde de nakoming van de bedoelde vordering heeft gegarandeerd, brengen het faillissement van de huurder en een opzegging van de huurovereenkomst op de voet van art. 39 Fw geen verandering in de verplichtingen uit die garantie, tenzij anders is bedongen.

Voor de eventueel uit de nakoming van de garantie voor de derde voortvloeiende regresvordering op de gefailleerde huurder geldt dat deze niet kan worden uitgeoefend jegens de failliete boedel van de huurder. Daarbij maakt niet uit op welke wijze verhaal op de boedel wordt gezocht; de aard van de vordering staat – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de afweging die aan art. 39 Fw ten grondslag ligt – eraan in de weg dat deze ten laste van de boedel wordt gebracht. Indien de voorwaarden van de garantie dat toestaan, kan de garant hieraan een verweermiddel ontlenen jegens de verhuurder.

Nee, u hoeft niet mee te werken aan een tassencontrole, maar riskeert wel een winkelverbod (mag ik even in uw tas kijken?)

In het kort (voor het geval u nú bij de kassa staat):

Burgers, winkelpersoneel én beveiligers mogen niet zonder toestemming uw tas openen,
ongeacht wat er bij de ingang wordt aangekondigd en
ongeacht het feit dat u door voornoemde personen bent aangehouden (burgerarrest).


Inzake de uitleg van het bovenstaande onderscheid ik twee gevallen:
1. Personeelslid/beveiliger vraagt u uw tas te openen, of deze ter controle af te geven.
2. Personeelslid/beveiliger heeft u aangehouden.

Geval 1:
Wanneer een personeelslid of beveiliger denkt dat u wat gestolen heeft, mag deze u vragen uw tas te openen of uw jas te controleren. Vragen staat namelijk vrij. U kunt dit verzoek echter eenvoudig weigeren. Zonder uw toestemming mogen zij niet uw tas openen, laat staan uw kleding of lichaam onderzoeken.

Wel kondigen veel winkels bij de ingang op een mogelijke tassencontrole aan. Door de winkel te betreden gaat u daarmee stilzwijgend akkoord en bent u een overeenkomst aangegaan. Indien men u vervolgens verzoekt uw tas te openen mag u dit weigeren. Men mag dan niet zonder uw toestemming uw tas openen. Wel pleegt u wanprestatie jegens de winkel(ier) waardoor u een winkelverbod kan worden opgelegd. Met u zijn immers kennelijk geen afspraken te maken.

Geval 2
Een personeelslid of beveiliger heeft u aangehouden. Dit mag alleen bij ontdekking op heterdaad. Men mag u dus niet aanhouden voor een diefstal die u gisteren heeft gepleegd. Men mag u tevens enkel aanhouden indien jegens u een redelijk vermoeden van schuld bestaat dat u iets gestolen heeft (art. 27 Sv). Het enkele weigeren mee te werken aan een tassencontrole is onvoldoende voor een aanhouding wegens diefstal. Bij een aanhouding mag het personeelslid of de beveiliger uw tas in beslag nemen om deze af te geven aan de politie. (art. 95 Sv). Het personeel mag ook in deze situatie niet zelf uw tas openen! Onderzoek aan uw kleding of lichaam door voornoemde personen is volstrekt uit den boze (art. 56 Sv).

Uitgebreider

In een tas die openstaat mag men kijken.

Omdat er zo veel gestolen wordt, vinden veel politieambtenaren dat u ‘gewoon’ uw tas moeten laten controleren. De moderators op het forum geven aan vrij nijdig te worden als ze moeten komen opdraven voor een onterechte aanhouding. Begrijpelijk. Echter, moderator en agent ‘Zijlvaart67’ geeft aan zelfs aan zulke mensen minstens 4 uur vast te zetten omdat hij dan zogenaamd even geen tijd heeft. Vraag me af of de overheid het fijn vindt als de politie zich zo profileert.

Voorbeelden
Bij de kringloopwinkel in de Haagse Weimarstraat hangt doodleuk een A4-tje met daarop “Bij verdenking van diefstal hebben wij het recht een tassencontrole uit te voeren. Bij diefstal schakelen wij de politie in.” Die eerste zin is volstrekte onzin.

Gefrustreerde agenten

Veel mensen, zijn de mening toegedaan dat men moet meewerken wanneer winkelpersoneel verzoekt om in de tas te kijken. De hiervoor aangevoerde argumenten zijn [1] winkeldiefstal komt veel voor en kost de winkelier een hoop geld en [2] het in de tas kijken is zo gepiept en als u niks te verbergen heeft . Zelfs opsporingsambtenaren (in de volksmond: politieagenten) zijn deze mening toegedaan. Zie hiervoor infopolitie.nl

BTW bij proceskostenvergoeding (civiel, dan wel bestuursrechtelijk ex Besluit Proceskostenvergoeding Bestuursrecht)

Een proceskostenvergoeding is een vorm van schadevergoeding. Over schadevergoeding wordt in beginsel geen BTW gerekend.

Dit is anders indien de schadevergoeding kan worden gezien als een korting op een factuur. Dan daalt simpelweg het factuurbedrag waardoor ook minder BTW dient te worden afgedragen. De schadevergoeding (b)lijkt dan BTW te behelzen.

Bij de proceskostenvergoeding in een civiele procedure die de ene (rechts)persoon aan de andere moet betalen zit geen BTW:

9. BTW

Het gaat in dit tarief niet om een dienst met BTW belast, maar om een bijdrage van de ene partij in de kosten van de andere. Daarom dient aan het salarisbestanddeel in deze bedragen géén BTW te worden toegevoegd. Evenmin bevatten deze salarisbedragen een BTW-bestanddeel.

Hetzelfde geldt voor de proceskostenvergoeding in het bestuursrecht. De (rechts)persoon die wint van een bestuursorgaan, krijgt een bedrag waar geen BTW in zit. Echter, hij krijgt dit bedrag enkel indien hij er sprake is van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’.

Hierdoor zal er over de vergoeding toch vrijwel altijd BTW terugvloeien naar de overheid. Zelfs een advocatenkantoor dat van de overheid wint ten aanzien van bijv. een vergunning waarbij het advocatenkantoor zélf normadressaat is, komt hier niet onderuit, want krijgt in het geheel geen proceskostenvergoeding omdat de rechtsbijstand moet zijn verricht door een DERDE.

Een deurwaarder mag bij ontruiming uw spullen aan de straat zetten en hoeft deze niet op te slaan

25 oktober 2016
Kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam – uitspraak

4.3 […] Klager (als eigenaar van de inboedel) was de eerst aangewezen persoon om deze tijdig te verwijderen dan wel om de aan de openbare weg geplaatste inboedel vervolgens af te voeren en op te slaan. De gerechtsdeurwaarder kon niet worden gedwongen de inboedel af te voeren of op te slaan.Uit hetgeen hiervoor staat vermeld omtrent de wet en de rechtspraak volgt immers dat de ambtelijke taak van de gerechtsdeurwaarder eindigt met het aan de openbare weg plaatsen van de inboedel. Nadat de ontruiming is voltooid, heeft de gerechtsdeurwaarder behoudens zeer bijzondere omstandigheden geen zorgplicht meer ten aanzien van de ontruimde boedel. Ook kan -alhoewel dit vaak wel wordt gedaan- de gemeente niet tot afvoer en opslag worden verplicht. Doet de gemeente dit wel dan heeft de gemeente op grond van de Algemene wet bestuursrecht de bevoegdheid om de inboedel na de in deze wet genoemde termijn te verkopen of te vernietigen. Voor de opslag mag de gemeente kosten in rekening brengen.

Buitengerechtelijke incassokosten (b2c, b2b én c2b)

Inleiding

Om te bepalen welke regels er gelden, moet de hoedanigheid de schuldeiser en de schuldenaar worden bepaald. Is de schuldenaar een consument, dan wordt deze namelijk beschermd met extra regels.

Geen incassokosten verschuldigd indien:

  • De schuldenaar van meet af aan stellig aangeeft het pertinent niet eens te zijn met de vordering. De schuldeiser moet dan naar de rechter.
  • De schuldeiser de vordering kan verrekenen met een bedrag dat hij nog aan de schuldenaar moet betalen.
  • De schuldeiser de vordering mee had kunnen nemen in een eerdere procedure omdat de vordering toen al opeisbaar was.

Incassokosten bij een consument

Indien de schuldenaar een consument (of kleine ondernemer) betreft, moet deze na het intreden van het verzuim nog een aanmaning worden gestuurd. Hierin moet een termijn van 14 dagen na de dag van ontvangst worden gegund waarbinnen de consument alsnog kan betalen zonder incassokosten verschuldigd te zijn.

De aanmaning kan pas worden verstuurd als de consument in verzuim is. Om het verzuim te laten intreden moet de consument hiervoor in gebreke worden gesteld. De ingebrekestelling en de aanmaning mogen niet in 1 brief worden gecombineerd (Rapport BGK 2013, p. 13).

Schuldeisers dienen erop bedacht te zijn dat een aanmaning per post enige tijd onderweg kan zijn, zéker bij aangetekende verzending. Die wordt bij mislukte bezorgpogingen soms pas 2 na weken afgehaald door de consument. Bij een te korte termijnstelling is de consument geen incassokosten verschuldigd (Hoge Raad 25-11-2016). Het is dus aan te bevelen de termijn te formuleren als “14 dagen na de dag van ontvangst van deze aanmaning” of korter “15 dagen na ontvangst van deze aanmaning”.

In deze aanmaning dienen de maximale incassokosten te worden vermeld. Wanneer te veel incassokosten worden gevorderd zijn in het geheel geen incassokosten verschuldigd, zelfs indien men bij de rechter wél het juiste bedrag aan incassokosten vordert (Rapport BGK 2013, p. 13).

Incassokosten of proceskosten? (Van kleur verschieten)

Artikel 241 Rv:

Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Incassokosten zijn verschuldigd, maar men betaalt enkel de hoofdsom

Wanneer vaststaat dat de schuldenaar incassokosten verschuldigd is, maar toch enkel de hoofdsom voldoet, geldt ex art. 6:44 BW dat de betaling éérst van de kosten en de rente afgaat, en daarna pas van de hoofdsom. Buitengerechtelijke Incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ (Hoge Raad 1-7-2015). Het resultaat is dat er een deel van de hoofdsom open blijft staan, ‘toevallig’ even groot als de incassokosten.

Hoeveel incassokosten indien schuldenaar slechts gedeeltelijk betaalt?

Indien de consument vóórdat hij incassokosten verschuldigd is slechts een gedeelte van de hoofdsom voldoet, dan is hij slechts incassokosten verschuldigd over het deel dat hij nog niet betaald heeft (Hoge Raad 25-11-2016).

Incassokosten verschuldigd, maar schuldenaar betaalt enkel de hoofdsom

Indien enkel een bedrag openstaat ter hoogte van de incassokosten dient na de veertiendagenbrief nog een vervolgstap te worden gezet voordat men kan dagvaarden (rechtbank Overijssel 2-6-2015).

Vergoeding van schade is niet met btw belast.


Voorheen vonden rechters dat er beduidend meer handelingen dienden te worden verricht:

Rechtbank Gelderland 11 juni 2014 – uitspraak:

Agterberg stelt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken. Fytodak heeft deze vordering gemotiveerd betwist. Agterberg vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De onderhavige vorderingen hebben echter geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van incassohandelingen die meer omvatten dan het verzenden van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De gevorderde kosten moeten daarom worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding van de procedure. Deze zijn onderdeel van de proceskosten, waarover een aparte beslissing wordt genomen.

Rechtbank Amsterdam in juni 2013 – uitspraak:

3.9 […] De vordering terzake de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, aangezien niet is komen vast te staan dat deze kosten zijn gemaakt, althans nu er door de gemachtigde van [eiser] over twee aanmaningen wordt gerept, wordt ervan uitgegaan dat deze kosten deel uitmaken van de in het kader van deze procedure toe te wijzen proceskosten.

Rechtbank Leewarden (kanton) in 2012 (vóór 1 juli) – uitspraak:

Voor die beoordeling hanteert de kantonrechter het uitgangspunt dat er door de incassogemachtigde méér werkzaamheden moeten zijn verricht dan het verzenden van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Links

Memorie van Toelichting bij ‘Wet betalingstermijnen 2012’.
Artikel 6:96 BW

Erfenis aanvaarden vanaf 1 september 2016

Vanaf 1 september 2016 leidt onder andere het alvast leeghalen van de woning niet meer tot het automatisch zuiver aanvaarden van de erfenis. Dat is pas het geval wanneer de erfgenaam goederen verkoopt of op een andere manier onttrekt aan schuldeisers.

Is de erfenis aanvaard en wordt men geconfronteerd met een onverwachte schuld? Dan kan men de kantonrechter verzoeken de erfenis alsnóg beneficiair te aanvaarden. Dit moet binnen drie maanden na ontdekking van de schuld.

Als de nalatenschap al vereffend of verdeeld is en er alsnog een onbekende schuld opduikt, dan is men daar niet met het eigen vermogen voor aansprakelijk. Alleen hetgeen geërfd is, moet worden terugbetaald. Ook hiervoor moet men binnen drie maanden na ontdekking naar de kantonrechter.

Let op: Niet elke schuld waarmee men niet bekend was, wordt aangemerkt als onverwachte schuld. Men heeft zelf een onderzoekplicht. Een erfenis welke bijvoorbeeld enkel een huis bevat waarvan blijkt dat de hypotheek hoger is dan de verkoopopbrengst geldt niet als ‘onverwachte’ schuld. Belastingschulden of overbedelingschulden aan kinderen uit de nalatenschap van de eerder overleden partner gelden ook niet als onbekende schulden.

Artikel 4:194a BW

  1. Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden.
  2. Wanneer een erfgenaam na vereffening of verdeling van de nalatenschap bekend wordt met een schuld, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, kan hij de kantonrechter, binnen de in het eerste lid genoemde termijn, verzoeken om te worden ontheven van zijn verplichting de schuld uit zijn vermogen te voldoen voor zover deze niet uit hetgeen hij krachtens erfrecht uit de nalatenschap heeft verkregen, kan worden voldaan. De kantonrechter verleent deze ontheffing, tenzij de erfgenaam zich zodanig heeft gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de erfgenaam deze schuld uit zijn overige vermogen voldoet.

Vereenzelviging rechtspersonen, misbruik van identiteitsverschil

Het onderdeel stelt daarmee de vraag aan de orde of voor een zodanige vereenzelviging plaats is indien zich feiten en omstandigheden voordoen als die waarop het Hof zijn oordeel heeft gegrond.

Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.

De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen — het volledig wegdenken van het identiteitsverschil — de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551, NJ 1996, 213).

Groepsaansprakelijkheid (aansprakelijkheid groepsleden)

6:99 BW:

Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

Bemiddelingskosten terugvorderen van makelaar (onterechte courtage/sleutelgeld bemiddelaar)

Verhuur van woonruimte loopt vaak niet direct tussen de verhuurder en huurder, maar via een tussenpersoon, te weten een makelaar of bemiddelaar. Deze brengt voor zijn bemoeienis veelal een flink bedrag in rekening bij de huurder (lopend vanaf enkele honderden euro’s tot een bedrag gelijk aan een maand huur, vermeerderd met BTW).

Dit bedrag kan allerlei namen hebben zoals ‘bemiddelingskosten’, ‘sleutelgeld’, ‘courtage’, ‘contractkosten’, ‘administratiekosten’, ‘servicekosten’, etc.

Deze gang van zaken is echter vrijwel altijd in strijd met twee dwingendrechtelijke wettelijke leerstukken.

Geen ‘loon’ bij consument-huurder indien werkzaam voor verhuurder én huurder

De werkzaamheden van de tussenpersoon vallen onder ‘lastgeving’ of ‘bemiddeling’. (Het verschil tussen de twee is niet interessant omdat onderstaand artikel uit de afdeling ‘lastgeving’ ook van toepassing is op de afdeling ‘bemiddeling’ (via art. 7:427 BW)).

Artikel 7:417 lid 4 BW :

Indien een der lastgevers een persoon is als bedoeld in artikel 408 lid 3 [een consument (een natuurlijk persoon die niet handelt in beroep of bedrijf), mr. R. Hak], en de rechtshandeling strekt tot koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, heeft de lasthebber geen recht op loon jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken, ongeacht of de verkoper of verhuurder ter zake van de door hem gegeven last loon is verschuldigd.

(Tot 1 juli 2016 bevatte deze bepaling een uitzondering voor kamers. Zie onderaan deze pagina)

Volgens dit artikel is het niet verboden dat de tussenpersoon in opdracht werkt voor zowel de verhuurder als de huurder. Wat echter wél verboden is, is om bij de consument-huurder van zelfstandige woonruimte kosten in rekening te brengen. Aangezien tussenpersonen doorgaans meer geld weten te halen bij huurders als verhuurders, proberen zij er alles aan om te voorkomen dat de verhuurder als (mede) opdrachtgever wordt aangemerkt. Dat gaat echter een beetje lastig als de tussenpersoon de woonruimte adverteert.

De Hoge Raad heeft in oktober 2015 geoordeeld dat in de situatie dat een tussenpersoon woonruimte van de verhuurder aanbiedt waarbij (aspirant)huurders zich moeten melden bij de tussenpersoon.
De enige mogelijkheid voor de tussenpersoon om niet als opdrachtnemer van de verhuurder aangemerkt te worden, is door enkel als prikbord te fungeren en in de advertentie de gegevens van de verhuurder op te nemen, waardoor de aspiranthuurder direct contact op kan nemen met de verhuurder bij interesse. In dit geval speelt echter het hele probleem van onterecht bij de huurder in rekening gebrachte courtage niet, omdat de huurder de tussenpersoon in zijn geheel overslaat. Als de verhuurder een geïnteresseerde huurder voor het huurcontract en bezichtiging terugverwijzen naar de tussenpersoon, wordt de verhuurder weer aangemeerkt als opdrachtgever en mag de tussenpersoon geen courtage in rekening brengen bij de huurder.

uitspraak

Verbod op onredelijk voordeel

Artikel 7:264 lid 2 BW:

Elk in verband met de totstandkoming van een zodanige huurovereenkomst gemaakt beding, voorzover daarbij door of tegenover een derde enig niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is nietig.

De kantonrechter overweegt dat in de wetsgeschiedenis van artikel 7:264 BW valt te lezen dat het er bij dit artikel vooral om gaat grenzen te stellen aan de vrijheid van partijen om een voordeel te bedingen zonder dat daar een prestatie tegenover staat en om de partijen tegen misstanden bij het aangaan van de huurovereenkomst te beschermen.

In aanvulling daarop wordt een overweging uit een arrest van de Hoge Raad uit 2012 aangehaald:

Daarbij moet met name gedacht worden aan de situatie waarin bij het aangaan van de huurovereenkomst de ene partij – veelal de aspirant-huurder – ten opzichte van de andere partij niet in een voldoende gelijkwaardige positie verkeert om te voorkomen dat een dergelijk door de wederpartij voorgesteld beding in de huurovereenkomst wordt opgenomen.

Van een “niet redelijk voordeel” in de zin van art. 7:264 lid 2 BW kan in ieder geval gesproken worden indien zich de in art. 7:417 lid 4 BW bedoelde situatie voordoet.

Verjaringstermijn

De verjaringstermijn voor het terugvorderen van een onverschuldigde betaling is 5 jaar. Als u zich beroept op het verbod op onredelijk voordeel door een derde is de verjaringstermijn 5 jaar. Voor het beroep op het verbod op het dienen van twee heren geldt – als ik het goed heb – dat het beding eerst vernietigd moet worden. Dáárvoor geldt een verjaringstermijn van 3 jaar (art. 3:52, lid 1 BW), sinds dat de vernietigingsgrond aan de (in casu) huurder ‘ten dienste is komen te staan’. Over het intreden van dát moment wordt veel gedebatteerd.

Het recht vóór 1 juli 2016

Tot 1 juli 2016 las artikel 7:417 lid 4 BW als volgt

Indien een der lastgevers een persoon is als bedoeld in artikel 408 lid 3, en de rechtshandeling strekt tot koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, heeft de lasthebber geen recht op loon jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken, tenzij de rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot woonruimte bestemd gedeelte van een zelfstandige woning.

Door het laatste zinsdeel gold de bepaling niet voor kamers. Het begrip ‘zelfstandige woning’ wordt namelijk als volgt gedefinieerd (art. 7:234 BW):

Onder zelfstandige woning wordt verstaan de woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.

Wanneer u dus voor 1 juli 2016 hebt afgesproken een bedrag te betalen aan een tussenpersoon inzake een kamer, kunt u dit niet terugvorderen via het verbod op het dienen van twee heren. Wellicht kunt u wel een beroep doen op het verbod een onredelijk voordeel geniet.


Jurisprudentie

16 oktober 2015
Hoge Raad der Nederlanden – uitspraak

Wanneer een verhuurder gratis zijn woonruimte aanbiedt op de website van een huur-bemiddelaar/makelaar, geldt tussen hen reeds een bemiddelingsovereenkomst.

(a) De overeenkomst, al dan niet op schrift, waarbij een verhuurder met een huurbemiddelaar is overeengekomen dat deze verhuurder om niet, op een website van de huurbemiddelaar, de woonruimte die deze verhuurder wenst te verhuren, vrijblijvend mag plaatsen en dat na plaatsing op deze website voor een ieder kenbaar is dat deze woonruimte te huur is, heeft in beginsel te gelden als een bemiddelingsovereenkomst tussen de verhuurder en de huurbemiddelaar als bedoeld in artikel 7:425 BW. Op grond van art. 7:427 BW is art 7:417 lid 4 BW daarop dus van toepassing.

(b) Het maakt voor de beantwoording onder (a) geen verschil of de huurbemiddelaar zelf actief de verhuurder benadert met het verzoek of hij woonruimte te huur heeft die de huurbemiddelaar op zijn website wil plaatsen, of dat de verhuurder aan de huurbemiddelaar meldt dat de woonruimte op de website van de huurbemiddelaar kan worden geplaatst.

Dit is slechts anders indien in de advertentie de huurder direct contact dient op te nemen met de verhuurder, en de makelaar verder geenszins betrokken is bij de totstandkoming van het huurcontract. In dit geval speelt echter heel de problematiek van hoge bemiddelingskosten die in rekening worden gebracht bij de huurder niet.

(c) Hetgeen hiervoor onder (a)-(b) is beslist, is anders indien de beheerder van de website stelt, en bij gemotiveerde betwisting bewijst, dat de website alleen als ‘elektronisch prikbord’ functioneert, dat wil zeggen dat de beheerder daarvan niet de aspirant-verhuurder en -huurder van elkaar afschermt en het hun dus niet onmogelijk maakt dat zij rechtstreeks en zonder zijn tussenkomst met elkaar in contact treden om over de totstandkoming van een huurovereenkomst te onderhandelen.

(d) Uit hetgeen hiervoor in (c) is vermeld volgt dat het voor de beantwoording onder (a) verschil maakt of de huurbemiddelaar in de advertentie van de woonruimte (website) vermeldt dat de potentiële huurder contact dient op te nemen met de verhuurder, mits diens contactgegevens in de advertentie zijn vermeld;


12 februari 2015
Rechtbank ‘s-Gravenhage – uitspraak

Prejudiciële vraag aan de Hoge Raad (ex art. 392 Rv) of de overeenkomst, waarbij een verhuurder met een huurbemiddelaar is overeengekomen dat deze verhuurder gratis, op een website van de huurbemiddelaar, woonruimten(n), die deze verhuurder wenst te verhuren, vrijblijvend mag plaatsen en dat na plaatsing op deze website voor een ieder kenbaar is dat deze woonruimte(n), althans vooralsnog, te huur zijn kwalificeert als een lastgevingsovereenkomst en/of als een bemiddelingsovereenkomst, zodat de huurder, gelet op het bepaalde in artikel 7:417 lid 4 BW, geen courtage verschuldigd is.


22 oktober 2014
Rechtbank Zeeland-West-Brabant – uitspraak

Bemiddelingskosten terug.


21 april 2014

Radar


16 januari 2014
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

De Rechtbank Amsterdam maakt korte metten met een makelaar die aangaf wel de woning op haar website te hebben aangeboden, maar stelde de verhuurder niet te kennen en geen vergoeding van deze had verkregen.

Dat de eigenaar/verhuurder geen bemiddelingskosten aan [bedrijf] heeft betaald, doet niet af aan de totstandkoming van een bemiddelingsopdracht tussen de eigenaar/verhuurder en [bedrijf]. Voor de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst is niet vereist dat deze schriftelijk wordt vastgelegd, noch dat partijen een vergoeding hebben afgesproken, dan wel dat een bemiddelingscourtage is betaald.

Dit líjkt voor makelaars/bemiddelaars wellicht wat kort door de bocht, maar sluit m.i. wel goed aan bij de praktijk. De verhuurder adverteert via een makelaar z’n woonruimte, en dan is het wachten op een klant. Het is dan reeds volkomen duidelijk, dat wordt gewacht op een huurder. De gegevens van de verhuurder zijn waarschijnlijk al opgenomen in de standaard-huurovereenkomst, en de printer staat klaar voor het huurcontract.


7 januari 2014
Rechtbank Den Haag (Van Beest/Direct Wonen)


2 januari 2014
Rechtbank Noord-Nederland – uitspraak

Bemiddelingskosten terug in een zaak waarbij de huurster per e-mail had aangegeven 2 woningen te willen bezichtigen. Deze uitspraak is interessant omdat een makelaar bij een huurder die meerdere woningen wil bezichtigen zal roepen dat hij in opdracht van de huurder bezig is.


13 maart 2013
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

Huurder reageert op advertentie op website voor specifieke woning. Feitelijk gezien heeft de verhuurder de woning aangeboden op de website en daarmee de makelaar opdracht tot bemiddeling gegeven. Het door de makelaar bij de huurder in rekening brengen van bemiddelingskosten levert strijd met art. 7:417 lid 4 BW op en daardoor tevens een nietig beding op grond van art. 7:264 lid 2 BW.


29 juli 2010
Rechtbank Noord-Nederland – uitspraak

De door een makelaar in rekening gebrachte bemiddelingskosten vallen in beginsel niet onder de in artikel 7:264 BW bedoelde nietigheid.

Legitieme portie

Wanneer het testament is opgesteld voor 1 januari 2003, bestaat de kans dat uw erfrecht legitieme portie groter is.

Kinderen die onterfd zijn, zijn officieel geen erfgenaam en hoeven dan ook niet over de inhoud van een testament te worden ingelicht door de notaris. Wel worden deze ingelicht door de gemeente.

Vereenzelvigen BV’s (vennootschappen)

Rainbow-arrest

Vertegenwoordiging (volmacht, lastgeving)

Er zijn diverse vormen van vertegenwoordiging. Er wordt onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte vertegenwoordiging.

Bij directe (‘echte’) vertegewoordiging handelt de vertegenwoordiger zowel op naam, als voor rekening van de vertegenwoordigde.

Bij indirecte vertegenwoordiging handelt de vertegenwoordiger op eigen naam, maar op rekening van de vertegenwoordigde.

Zo is er de volmacht en de lastgeving. Bij lastgeving is de lasthebber verplicht actie te ondernemen, bij volmacht niet.

Volmacht

Volmacht wordt beschreven in artikel 3:60 lid 1 BW:

Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten.

Vormen van volmacht zijn curatele, bewind en mentorschap.

Als de gevolgmachtigde handelt binnen de grenzen van de volmacht ontstaat een verbintenis tussen de volmachtgever en de wederpartij. De gevolmachtigde valt er tussen uit en is geen partij bij de ontstane verbintenis.

Overschrijding volmacht

Indien de gevolmachtigde zijn bevoegdheid heeft overschreden, komt artikel 3:62 lid 2 BW in beeld:

Een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend, strekt zich slechts uit tot daden van beschikking indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel.

Uit dit artikellid zijn twee vereisten af te leiden. Het eerste is dat de wederpartij niet mocht weten dat de gevolgmachtigde geen (toereikende) volmacht bezat. Het tweede is dat door een gedraging of soms een nalaten de wederpartij mocht vertrouwen op een toereikende volmacht. Wanneer een handeling door een gevolmachtigde onbevoegd is begaan, is de volmachtgever in beginsel dus niet gebonden. De volmachtgever is wel gebonden als aan de twee hierboven vermeldde criteria van art. 3:61 lid 2 BW is voldaan.

De volmachtgever kan echter de onbevoegd aangegane rechtshandeling bekrachtigen door art. 3:58 BW. Bekrachtiging is een rechtshandeling tussen de volmachtgever en de wederpartij, waarbij de gevolgmachtigde geen rol speelt.

Lastgeving

Anders dan de volmacht is bij lastgeving de lasthebber verplicht een handeling voor de lastgever te verrichten (art. 7:414 BW).


In geval van onmiddelijke vertegenwoordiging o.g.v. volmacht (al dan niet ex overeenkomst tot lastgeving) is cruciaal dat de gevolmachtigde zijn hoedanigheid aanstonds vermeldt. HR 2-4-1993

Bij middellijke vertegenwoordiging waarin wordt geprocedeerd op grond van lastgeving maar in eigen naam, behoeft de lasthebber niet in de dagvaarding te vermelden dat hij optreedt voor de belangen van de derde. HR 3-5-1991

‘het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van de overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen: als wederpartij van die ander – is opgetreden dan wel (mede) als vertegenwoordiger van een derde, is afhankelijk van  hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden’

Verhuiskostenvergoeding is van dwingend recht

22-4-2016
Hoge Raad – uitspraak

3.5 Voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval ingevolge art. 11g Bbsh (oud), respectievelijk art. 7:220 leden 5-7 BW, een verhuiskostenvergoeding verschuldigd is, is niet van belang of de renovatie wordt uitgevoerd op basis van overleg waartoe de huurder het initiatief heeft genomen, dan wel anderszins op verzoek of initiatief van de huurder geschiedt. Voor de toepassing van deze bepalingen is uitsluitend van belang dat sprake is van renovatie in de hiervoor in 3.4.2 bedoelde zin, en dat die renovatie verhuizing noodzakelijk maakt. Daarmee is vraag 1 beantwoord.
Voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval ingevolge art. 11g Bbsh (oud), respectievelijk art. 7:220 leden 5-7 BW, een verhuiskostenvergoeding verschuldigd is, is niet van belang of de renovatie wordt uitgevoerd op basis van overleg waartoe de huurder het initiatief heeft genomen, dan wel anderszins op verzoek of initiatief van de huurder geschiedt. Voor de toepassing van deze bepalingen is uitsluitend van belang dat sprake is van renovatie in de hiervoor in 3.4.2 bedoelde zin, en dat die renovatie verhuizing noodzakelijk maakt. Daarmee is vraag 1 beantwoord.

3.6.1
Art. 11g Bbsh (oud), dat onderdeel was van een regeling die uitsluitend gold voor de sociale-huursector, bepaalde niet of dit voorschrift van dwingend dan wel van regelend recht was. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling bevat evenmin aanwijzingen hieromtrent.

Art. 49 lid 1 Bbsh (oud) kende de minister de bevoegdheid toe om af te wijken van het Bbsh (oud), mits dit geschiedde “ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het belang van de volkshuisvesting zijn”. Mede gelet op het hiervoor genoemde toepassingsgebied van de Bbsh dient art. 49 lid 1 Bbsh (oud) aldus te worden verstaan dat de daarin geregelde bevoegdheid om af te wijken van het Bbsh, een uitzondering vormde op de hoofdregel dat het Bbsh dwingend recht bevatte. Op deze grond moet worden aangenomen dat ook art. 11g Bbsh (oud) een regeling van dwingendrechtelijke aard was.

Gegeven het dwingendrechtelijke karakter van art. 11g Bbsh (oud) kon hiervan niet door partijen worden afgeweken. Evenmin kon een huurder afstand doen van zijn uit art. 11g Bbsh (oud) voortvloeiende rechten door aanvaarding van een redelijk voorstel van de verhuurder tot uitvoering van renovatiewerkzaamheden zoals bedoeld in art. 7:220 lid 2 BW, dan wel door middel van een uitdrukkelijk in het renovatievoorstel opgenomen bepaling.

3.6.2
Zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen, is de regeling van art. 11g Bbsh (oud) bij Wet van 4 februari 2010 overgebracht naar art. 7:220 leden 5-7 BW. Aan die verplaatsing ligt met name ten grondslag dat de wetgever het wenselijk achtte de regeling van de verhuiskostenvergoeding, en de daarin besloten bescherming van de huurder, “die thans alleen voor sociale verhuurders geldt, uit te breiden tot particuliere verhuurders” (Kamerstukken II 2007-2008, 31 528, nr. 3, p. 1; zie tevens Kamerstukken II 2007-2008, 31 528, nr. 4, p. 2).

Voorts kan uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 4 februari 2010 worden afgeleid dat de regeling van de verhuiskostenvergoeding van dwingend recht is, en dat de huurder altijd recht heeft op de minimumbijdrage als bedoeld in art. 7:220 lid 6 BW (Kamerstukken II 2007-2008, 31 528, nr. 3, p. 6; Kamerstukken I 2009-2010, 31 528, nr. C, p. 3).

Ten slotte is van belang dat bij de totstandkoming van de Wet van 4 februari 2010 uitdrukkelijk ervan is uitgegaan dat art. 11g Bbsh (oud) van dwingend recht is (vgl. Kamerstukken II 2008-2009, 31 528, nr. 7, p. 6), en dat in de parlementaire geschiedenis van die wet niet tot uitdrukking is gebracht dat voor de regeling van art. 7:220 leden 5-7 BW iets anders geldt, hetgeen voor de hand had gelegen indien dit was beoogd.

Een en ander duidt erop dat de regeling van art. 7:220 leden 5-7 BW van dwingendrechtelijke aard is.

Aanbieden internet (gratis wifi) leidt niet tot auteursrechtelijke aansprakelijkheid

16 maart 2016
Advocaat-Generaal Hof van Justitie EU – uitspraak

1.
De A-G acht op het aanbieden van gratis wifi de Richtlijn electronische handel van toepassing aangezien dit gezien kan worden als nevenactiviteit bij een economische hoofdactiviteit.

2.
Volgens de A-G verzet de Richtlijn zich tegen aansprakelijkheid van tussenpersonen.

3.
Wel kan volgens de A-G een verbod worden opgelegd indien dat:

  • doeltreffend, evenredig en afschrikkend is
  • erop gericht is een specifieke inbreuk te beëindigen of te voorkomen
  • geen algemene toezichtverplichting inhoudt
  • er een juist evenwicht wordt bewaard tussen de betrokken grondrechten (intellectuele-eigendomsrechten en vrijheid van ondernemerschap).

Schade tijdens proefrit (ongeluk bij testrit)

2 februari 2016
Hof Den Haag

5.
Met betrekking tot de aansprakelijkheid van appellant voor de aan de motor ten gevolge van het ongeval ontstane schade, overweegt het hof — waar nodig met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden — als volgt. De afspraak tussen Bos Culemborg en appellant dat appellant de betreffende motor enige tijd mocht meenemen voor het maken van een proefrit, waarbij het hof in aanmerking neemt dat niet gesteld of gebleken is dat tussen partijen reeds een (voorwaardelijke) koopovereenkomst was gesloten als bedoeld in artikel 7:45 BW (koop op proef), moet naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een overeenkomst van bruikleen als bedoeld in artikel 7A:1777 BW. Dat appellant het proefritformulier niet heeft ingevuld en ondertekend, doet aan het bestaan van deze (mondelinge) overeenkomst niet af. Appellant had als bruiklener de verplichting om de nodige voorzichtigheid ten aanzien van de geleende motor te betrachten en om voor het behoud daarvan te zorgen, en voorts om de motor na de proefrit in goede staat aan Bos Culemborg terug te geven. Aangezien appellant als gevolg van het ongeval niet aan deze laatste verplichting heeft voldaan, is hij daarmee tekort geschoten in zijn verplichtingen jegens Bos Culemborg. Appellant is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door Bos Culemborg geleden schade, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend en er dus sprake is van overmacht.

Het Hof nam verder aan dat de motorrijder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van overmacht. Ook is niet komen vast te staan dat de dealer op enig moment heeft gesproken over een verzekering, dus ook het beroep van de motorrijder dat hij erop mocht vertrouwen dat er een casco-verzekering zou zijn wordt verworpen.

Huurovereenkomst onder opschortende voorwaarde of niet?

2-6-2015
Hof Den Bosch – uitspraak

3.5.1.
In de toelichting op grief II voert [appellant] aan dat aan de huurovereenkomst twee opschortende voorwaarden verbonden waren, te weten het houden van een inspectie van de woning bij aanvang van de huurperiode en het betalen van een borgsom. Aan het feit dat er geen inspectie is gehouden en het feit dat de borgsom niet is betaald, verbindt [appellant] de gevolgtrekking dat de voorwaarden niet in vervulling zijn gegaan en de huurovereenkomst niet tot stand is gekomen

3.5.2.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben betwist dat de huurovereenkomst onder de gestelde voorwaarden is aangegaan. Het hof overweegt dat in de schriftelijke huurovereenkomst niet te lezen is dat een inspectie van het gehuurde of de betaling van de borgsom voorwaarden zijn voor het tot stand komen van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst is volgens de tekst daarvan onvoorwaardelijk, en de verplichting van [appellant] om mee te werken aan een inspectie bij de aanvang van de huurperiode en de verbintenis om de borgsom te betalen moeten gelet op de tekst van de huurovereenkomst worden gezien als verplichtingen van [appellant] die voortvloeien uit de huurovereenkomst en niet als voorwaarden voor het ontstaan van de huurovereenkomst. [appellant] heeft niet op concrete wijze gesteld dat in de mondelinge contacten voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst is afgesproken dat de huurovereenkomst voorwaardelijk zou zijn. [appellant] heeft bovendien daarentegen zelf aan het slot op de toelichting van grief I en in de toelichting op grief V gesteld dat hij de huurovereenkomst heeft gesloten zonder daarin voorwaarden op te nemen die zouden maken dat hij nog voor de ingangsdatum onder de huurovereenkomst uit kon. Het hof verwerpt om deze redenen het verweer van [appellant] dat de huurovereenkomst slechts voorwaardelijk is aangegaan en dat die voorwaarde of voorwaarden niet in vervulling zijn gegaan.

Betaling van een schuld door een derde (voldoening factuur door ander)

25-11-2014
Gerechthof Amsterdam – uitspraak

3.8.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Randstad uit de omstandigheid dat bedragen van de rekening van [appellante] op haar rekening zijn overgeschreven ter hoogte van haar vordering op [bedrijf] en onder vermelding van het bedrijfsnummer en het factuurnummer die werden genoemd op de op die vordering betrekking hebbende factuur, heeft mogen afleiden dat [appellante] de vordering van [bedrijf] heeft willen voldoen. Betaling van een schuld door een derde is niet uitzonderlijk. Concrete door Randstad op te merken aanwijzingen voor onregelmatigheden waren er niet. Als zodanig kan niet gelden de enkele omstandigheid dat betaling door een derde werd gedaan en evenmin dat de betaling in tranches is gedaan. Het hof onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat op Randstad in dit geval geen verdere onderzoeksplicht rustte. Randstad kon volstaan met te constateren dat hier sprake was van betaling door een derde die kennelijk beschikte over de te betalen factuur en die om haar moverende redenen betaling van die factuur op zich had genomen. Zij heeft zich niet hoeven te verdiepen in de achterliggende motieven voor deze betaling. Een andere opvatting zou te zeer indruisen tegen de eisen van het rechtsverkeer. Dit betekent dat ook het hof van oordeel is dat Randstad erop heeft mogen vertrouwen dat [appellante] beoogde de schuld van [bedrijf] te voldoen.

Opzegging huurovereenkomst per e-mail

Rechtbank Rotterdam – uitspraak
25 april 2014

Begin december 2012 sturen huurders van een woning een e-mail naar de verhuurder om de huur te beëindigen per februari 2013. Verhuurder start een procedure en eist huurpenningen t/m juni 2013.

Door [eiseres] is aangevoerd dat een e-mail niet als opzegging kan gelden nu de huurovereenkomst bepaalt dat een opzegging per aangetekende brief of deurwaarders-exploot dient te geschieden. Artikel 7:271 lid 3 BW en artikel 19 van de toepasselijke algemene huurvoorwaarden schrijven voor dat opzegging bij exploot of aangetekende brief dient te geschieden. In de praktijk wordt echter met grote regelmaat dit vormvoorschrift niet (meer) in acht genomen. Daarnaast geeft de wet niet expliciet aan dat niet inachtneming van dit voorschrift nietigheid met zich meebrengt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de overeenkomst middels de e-mail van 11 december 2012 rechtsgeldig is opgezegd. Het beroep van [eiseres] op de bepaling in haar algemene voorwaarden dat opzegging ‘uitsluitend schriftelijk (dus niet per e-mail)’ kan geschieden is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Opzegging per e-mail voldoet in het huidige communicatieverkeer, zeker nu [eiseres] in het huurcontract onder haar contactgegevens het e-mailadres heeft vermeld waarnaar de bewuste e-mail is verzonden. Daarnaast is door [eiseres]onweersproken gelaten dat zij de e-mail heeft ontvangen en bekend was met de wil van gedaagden de huurovereenkomst tussen partijen te beëindigen nu gedaagden voorafgaand aan de e-mail haar mondeling te kennen hebben gegeven de huurovereenkomst op te zeggen en nadien, eind januari 2013, bij haar de sleutels hebben ingeleverd alsmede opgave hebben gedaan van de eindmeterstanden van gas/elektra en water.

Bestuurdersaansprakelijkheid (externe)

23-11-2012
Hoge Raad – uitspraak

3.4.1 Mede blijkens de schriftelijke toelichting beroept het middel zich ter ondersteuning van voormelde klachten op de in de rechtspraak van de Hoge Raad – in het bijzonder wordt vermeld HR 8 december 2006, LJN AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/[…]) – ontwikkelde criteria voor de aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen jegens derden.

De bedoelde rechtspraak en genoemd arrest zien op een eventuele aansprakelijkheid van de bestuurder in een situatie waarin een schuldeiser van de vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering op de vennootschap, ingeval de bestuurder (i) namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In deze gevallen is voor aansprakelijkheid van de bestuurder vereist dat hem (persoonlijk) een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Eenzelfde maatstaf is op zijn plaats bij beantwoording van de vraag of een bestuurder aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen van de vennootschap. Ook daarvoor kan de bestuurder slechts (naast de vennootschap) persoonlijk aansprakelijk gehouden worden, indien hem ter zake van het onrechtmatig handelen van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt op de grond dat hij dat handelen in verband met de kenbare belangen van de benadeelde had behoren te voorkomen.

3.4.2 In het onderhavige geval is [eiser] evenwel niet aansprakelijk gehouden voor een tekortkoming of onrechtmatig handelen van de Vennootschap.

Blijkens rov. 4.7.2 – 4.7.4 heeft het hof immers [eiser] aansprakelijk geoordeeld op de grond dat hij in strijd heeft gehandeld met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [verweerder] c.s., en niet op de grond dat hem als bestuurder het verwijt wordt gemaakt dat door zijn onbehoorlijke taakuitoefening de Vennootschap in strijd heeft gehandeld met een op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [verweerder] c.s.

Voor een dergelijke aansprakelijkheid van een bestuurder – die niet een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder betreft, maar berust op een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm – gelden de gewone regels van onrechtmatige daad. In het bijzonder is dan niet vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin de onrechtmatige gedragingen van de bestuurder in het maatschappelijk verkeer (tevens) als gedragingen van de vennootschap kunnen worden aangemerkt, zodat ook de vennootschap uit eigen hoofde op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gehouden kan worden.


27-7-2013
Rechtbank ‘s-Gravenhage – uitspraak

In deze zaak wordt de (enig) bestuurder naast de BV aansprakelijk geacht voor de IE-inbreuk. De bestuurder wordt o.g.v. onrechtmatige daad aansprakelijk gehouden voor de schade:

4.12. De hiervoor genoemde omstandigheden voeren de rechtbank tot de conclusie dat [X] wist althans moet hebben geweten dat Allergoedkoopst bij het aanbieden en verhandelen van de 3G rollators inbreuk maakte op de merken van Topro en haar auteursrecht op het Topro logo. Hij was zelf degene die de 3G rollator bij Leborn bestelde, inging op het aanbod het teken TOPRO op de rollators aan te brengen en deze vervolgens als zijnde afkomstig van Topro aanbood onder verwijzing naar een consumententest en een demonstratiefilm van Topro. [X] heeft niet ontkend dat hij al vóór de sommatie van Topro op de hoogte was van het feit dat de 3G rollators inbreukmakend zijn. [X] was in staat om die inbreuk te voorkomen maar heeft dit niet gedaan, hoewel dat met het oog op de belangen van Topro wel van hem gevergd kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] aldus in strijd gehandeld met de zorgvuldigheidsnorm waartoe hij in dit geval persoonlijk en niet slechts als bestuurder van Allergoedkoopst jegens Topro was gehouden en is hij aansprakelijk voor de schade die Topro dientengevolge lijdt.

Vervolgens wordt ook aansprakelijkheid aangenomen ‘als bestuurder’:

Overigens is de rechtbank van oordeel dat [X] gelet op voornoemde omstandigheden ook persoonlijk een ernstig verwijt te maken is dat hij de merk- en auteursrechtinbreuk en misleiding door Allergoedkoopst niet heeft voorkomen. Zodoende is [X] ook in hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk jegens Topro voor de onrechtmatige gedragingen van Allergoedkoopst en de schade die daaruit voor Topro voortvloeit.

Verkapte winstuitdeling door te dure aandelenverkoop van DGA aan (eigen) BV

17 februari 2012
Rechtbank ‘s-Gravenhage – uitspraak (bv) – uitspraak (dga)

30 […] Het nieuwe feit is erin gelegen dat verweerder door het strafrechtelijk onderzoek ermee bekend raakte dat de dga de aandelen in juli 2000 voor £ 0,40 per aandeel heeft gekocht en in december 2000 voor £ 6 per aandeel aan eiseres heeft verkocht. Nu eiseres die aandelen in 2001 heeft afgewaardeerd tot £ 0,50 per aandeel rechtvaardigen deze feiten het vermoeden dat eiseres in december 2000 aan de dga een winstuitdeling heeft gedaan, dat eiseres de aandelen [M] per ultimo 2000 op £ 0,50 per aandeel of althans op minder dan £ 6 had moeten waarderen, dat de afwaardering in het jaar 2001 ten onrechte heeft plaatsgevonden en dat de primitieve aanslag VPB over het jaar 2001 te laag is vastgesteld.

Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken is maximumharmonisatie

14 januari 2010
Hof van Justitie EU – uitspraak

De richtlijn oneerlijke handelspraktijken (2005/29) is maximumharmonisatie (ook wel: “volledige harmonisatie”) hetgeen inhoudt dat lidstaten niet minder, maar ook niet meer bescherming mogen bieden dan in door de richtlijn wordt geboden.

[Richtlijn 2005/29] moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die handelspraktijken waarbij de deelneming van de consument aan een prijsvraag of spel afhankelijk wordt gesteld van de aankoop van een goed of een dienst, in beginsel verbiedt, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het concrete geval.

Uitgetreden vennoot (waardoor vof werd ontbonden) aansprakelijk voor toekomstige huurschulden

29-1-2008
Hof Arnhem – uitspraak

Door uittreding werd de vof ontbonden:

5. De kantonrechter heeft onder 2.5 van het beroepen vonnis het volgende overwogen:

“Door de uittreding van [geïntimeerde] uit de vennootschap onder firma werd de vennootschap onder firma – gevormd door [de vennoot] en [geïntimeerde] – ontbonden. Door die ontbinding kwam echter geen einde aan de huurovereenkomst. In beginsel bleef [geïntimeerde] dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de uit die overeenkomst voortvloeiende schulden.”

6. Het hof onderschrijft deze overweging, waartegen overigens ook niet is gegriefd.

Uitgetreden vennoot aansprakelijk voor huurschulden na (bekend worden met) uittreding:

9. De enkele omstandigheid dat Kaystaete – na het verondersteld bekend worden met het uittreden uit de vof van [geïntimeerde] en het niet meer deelnemen aan de voorheen door die vof geëxploiteerde onderneming – niet te kennen heeft gegeven dat zij [geïntimeerde] nog steeds aansprakelijk hield voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken voor na augustus 2004 ontstane huurschulden. Daarbij moet worden bedacht dat voor afstand van recht of rechtsverwerking enkel stilzitten onvoldoende is.

Vrijwel zeker is van belang dat de vordering is ontstaan uit een reeds bestaande rechtsverhouding (lees: de huurovereenkomst). Bij het aangaan van de huurovereenkomst was de vennoot nog niet uitgetreden. Geheel ‘nieuw’ of zijn de nadien ontstane (verschuldigde) huurpenningen dus niet.

Gebruik voorafgaande aan het aanvangen van de huurovereenkomst in de zin van artikel 7:301 BW (7:290-bedrijfsruimte)

Bij de verhuur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW bestaat de mogelijkheid in de eerste huurovereenkomst te ontsnappen aan de stevige huurbescherming van de huurder door een overeenkomst aan te gaan van 2 jaar of korter. Stel nu dat een overeenkomst is aangegaan voor de duur van 2 jaar, maar – niet ongebruikelijk – huurder iets eerder het gehuurde heeft betrokken (bijvoorbeeld vanwege voorbereidende werkzaamheden). Bij het aflopen van de 2-jaarstermijn heeft de huurder het gehuurde dan iets langer dan 2 jaar gebruikt.

Is het dan zo dat de 2-jaarstermijn van artikel 7:301 BW is gepasseerd met alle gevolgen van dien? Neen zegt de rechtbank Utrecht:

18 april 2007
Rechtbank Utrecht – uitspraak

Gelet op de tekst van het tweede lid en in het bijzonder de bijzin aangevangen krachtens een overeenkomst als bedoeld in lid 1 ziet deze verlenging niet op de situatie waarin voorafgaand aan een overeenkomst als bedoeld in lid 1 het gehuurde in gebruik is geweest. Ook in de jurisprudentie is voor een dergelijk standpunt geen steun te vinden.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén