Categorie: Bestuursrecht

Sluiting coffeeshops wegens overtreding ingezetenencriterium terecht

9-12-2015
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – uitspraak

Wet Openbaarheid van Bestuur

De uiterlijke beslistermijn op een Wob-verzoek is in beginsel 4 weken (art. 6, lid 1 Wob). Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker (art. 6, lid 2 Wob).

Gebruik duidelijke bewoordingen

In het verzoek dient duidelijk te worden aangegeven op welke grond dit wordt gedaan. Het is daarbij handig expliciet naar de Wet en haar artikelen te verwijzen.

De verzoeken hebben niet de strekking om de documenten voor een ieder openbaar te maken. Bovendien is slechts, gelet op de bewoordingen van de verzoeken, ‘zo nodig’ een beroep op de Wob gedaan.

uitspraak

Soms Wob niet van toepassing

Soms derogeren andere regelingen aan de Wob.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de korpsbeheerder zich in dit geval op het standpunt mocht stellen dat de door [appellant] verzochte documenten onderdeel uitmaken van een strafdossier dat aan de strafrechter is voorgelegd. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de korpsbeheerder te kennen heeft gegeven dat ten tijde van het verzoek reeds een verdachte voor de mishandeling was voorgeleid aan de rechter-commissaris, dat het dossier aan het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) was doorgezonden, dat één of meer verdachten van de mishandeling zouden worden gedagvaard en dat alleen de zittingsdatum nog onbekend was. Ter zitting bij de Afdeling heeft de korpschef toegelicht dat een strafdossier wordt aangelegd op het moment dat het OM bij een zaak betrokken raakt. Vervolgens wordt het proces-verbaal, of worden de processen-verbaal, naar het parket gebracht en, afhankelijk van de beoordeling door de officier van justitie, aan de strafrechter voorgelegd, hetgeen hier ten tijde van het verzoek reeds was gebeurd. Dat de dagvaarding nog niet aan verdachten was verzonden, alleen omdat de zittingsdatum nog onbekend was, leidt niet tot het oordeel dat tot die tijd de Wob op de verzochte documenten van toepassing was, nu dat afbreuk zou doen aan de goede werking van artikel 365 Sv. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de korpsbeheerder in dit geval terecht artikel 365 Sv heeft toegepast en derhalve openbaarmaking van de verzochte documenten heeft geweigerd. Dit oordeel is, anders dan [appellant] betoogt, niet in strijd met de door hem in zijn hogerberoepschrift aangehaalde overweging van de rechtbank Arnhem. Die overweging had niet betrekking op een vergelijkbare situatie, nu in die zaak niet duidelijk was of bepaalde documenten aan de strafrechter zouden worden voorgelegd. Die situatie doet zich hier niet voor.

uitspraak

WOB-verzoek afgewezen door korpschef wegen auteursrecht

De Afdeling oordeelt dat de Wob een beperking op het auteursrecht is.

Uber en taxi’s

8 december 2014
College van Beroep voor het bedrijfsleven – uitspraak


20-12-2017
Hof van Justitie EU – persbericht

De door Uber geleverde dienst om met particuliere bestuurders in contact te treden valt onder “diensten op het gebied van het vervoer”

BTW bij proceskostenvergoeding (civiel, dan wel bestuursrechtelijk ex Besluit Proceskostenvergoeding Bestuursrecht)

Een proceskostenvergoeding is een vorm van schadevergoeding. Over schadevergoeding wordt in beginsel geen BTW gerekend.

Dit is anders indien de schadevergoeding kan worden gezien als een korting op een factuur. Dan daalt simpelweg het factuurbedrag waardoor ook minder BTW dient te worden afgedragen. De schadevergoeding (b)lijkt dan BTW te behelzen.

Bij de proceskostenvergoeding in een civiele procedure die de ene (rechts)persoon aan de andere moet betalen zit geen BTW:

9. BTW

Het gaat in dit tarief niet om een dienst met BTW belast, maar om een bijdrage van de ene partij in de kosten van de andere. Daarom dient aan het salarisbestanddeel in deze bedragen géén BTW te worden toegevoegd. Evenmin bevatten deze salarisbedragen een BTW-bestanddeel.

Hetzelfde geldt voor de proceskostenvergoeding in het bestuursrecht. De (rechts)persoon die wint van een bestuursorgaan, krijgt een bedrag waar geen BTW in zit. Echter, hij krijgt dit bedrag enkel indien hij er sprake is van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’.

Hierdoor zal er over de vergoeding toch vrijwel altijd BTW terugvloeien naar de overheid. Zelfs een advocatenkantoor dat van de overheid wint ten aanzien van bijv. een vergunning waarbij het advocatenkantoor zélf normadressaat is, komt hier niet onderuit, want krijgt in het geheel geen proceskostenvergoeding omdat de rechtsbijstand moet zijn verricht door een DERDE.

Rookverbod rokersruimten

4 september 2016
Rechtbank ‘s-Gravenhage – uitspraak

Artikel 8 lid 2 WHO-kaderverdrag sluit rechtstreekse werking niet uit dus komt het aan op de inhoud daarvan om te bepalen of CAN zich daarop kan beroepen.

Subsidie kan niet gekort worden wegens topsalaris

4 mei 2016
Afdeling Bestuursrecht Raad van State – uitspraak

Krachtens de Algemene wet bestuursrecht kunnen aan subsidieontvangers verplichtingen worden opgelegd die “strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie”. De Haagse subsidieregels verplicht(t)en Brijder om de maximumnorm uit de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens in acht te nemen. Als die verplichting niet nagekomen wordt, zou krachtens de subsidieregeling de subsidie gekort kunnen worden. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak ziet deze verplichting echter niet op het doel van de subsidie, het bieden van verslavingszorg, maar op het verwezenlijken van een ander doel, namelijk het voorkomen van topsalarissen bij gesubsidieerde organisaties.

Hiernaast mogen ook niet-doelgebonden verplichtingen aan subsidies worden verbonden mits deze ‘enig’ verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het verband tussen de verplichting geen topsalarissen uit te betalen en het bieden van verslavingszorg is echter volgens de Afdeling “te ver verwijderd” om toelaatbaar te zijn.

Op het eerste gezicht lijkt dit toch een vreemd oordeel. Geld dat verdwijnt in een topsalaris, kan immers niet besteed worden aan het doel van de subsidie. Daarmee lijkt mij de verplichting toch behoorlijk doel-gebonden; “Niet in je zak steken, maar uitgeven aan verslaafden(zorg)”.

Voort beoordeelt de Afdeling of de verplichting als niet-doelgebonden door de beugel kan:

5.4. Vervolgens is aan de orde of de verplichting een zogenoemde niet-doelgebonden of oneigenlijke verplichting is als bedoeld in artikel 4:39 van de Awb. Ingevolge het tweede lid kan een dergelijke verplichting slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 66) blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht. Daarin is vermeld dat ook verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie wel enig verband dienen te houden met de gesubsidieerde activiteit en dat dit tot uitdrukking is gebracht door te bepalen dat de verplichtingen slechts betrekking kunnen hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

De gesubsidieerde activiteit wordt weliswaar verricht met behulp van medewerkers, maar de in artikel 10, zevende lid, van de HKS vervatte verplichting heeft geen betrekking op deze medewerkers, maar op hun inkomens. Daarmee is het verband tussen de verplichting en de gesubsidieerde activiteit te ver verwijderd om als een geoorloofde niet-doelgebonden verplichting in de zin van artikel 4:39, tweede lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt.

5.5. Gelet op het vorenstaande is artikel 10, zevende en achtste lid, van de HKS in strijd met de artikelen 4:38, eerste lid, en 4:39 van de Awb en daarom onverbindend. De subsidie kon derhalve niet op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, lager worden vastgesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Tsja, ook hier zou ik mij ook prima een oordeel kunnen voorstellen waarin de verplichting wordt aangemerkt als een toelaatbare in de zin van “wijze waarop de activiteit wordt verricht” dan wel “middelen waarmee de activiteit wordt verricht”. Daarbij denk ik aan een formulering als “de verplichting verhindert gebruik te maken van te dure werknemers” of iets dergelijks.

Hieronder enkele quotes uit de Memorie van Toelichting bij Parlementaire Geschiedenis van de 3e tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht, inzake afdeling 4.2.4. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger:

Daarnaast dient zij te beschikken over mogelijkheden om een doelmatige en rechtmatige aanwending van subsidiegelden te verzekeren.

Beslissing op bezwaar afwijzing Wob-verzoek moet alle afwijzingsgronden bevatten

Bij het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) werd een Wob-verzoek ingediend ter verkrijging van een beoordelingsverslag van een gerechtsdeurwaarderskantoor.

Het bestuur van het KBvG wees het verzoek af o.g.v.

  • art. 10 lid 2 onder e (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en
  • art. 10 lid 2 onder g (voorkomen onevenredige bevoordeling of benadeling betrokken (rechts)personen) en
  • art. 11 lid 1 (intern beraad).

Er wordt bezwaar gemaakt, maar niet tegen de toepassing van art. 10 lid 2 onder e.

In de beslissing op bezwaar gaat het bestuur enkel in op de aangevoerde bezwaren, verklaart die ongegrond en merkt op dat het besluit niet wordt herroepen.

Er wordt beroep ingesteld bij de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank is het ingestelde beroep ongegrond omdat appellant geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van het bestuur dat de uitzonderingsgrond van art. 10 lid 2 onder e zich voordoet en deze uitzonderingsgrond de beslissing op bezwaar zelfstandig kan dragen.

De Afdeling haalt het proces-verbaal aan van de zitting bij de rechtbank waaruit valt op te maken dat de toepassing van art. 10 lid 2 onder e ter zitting is bestreden. De rechtbank heeft daarop zonder motivering gesteld dat dat te laat was. De rechtbank doet geen beroep op de goede procesorde of dat van de juistheid van de toepassing van de uitzonderingsgrond moet worden uitgegaan omdat deze in bezwaar niet is bestreden (zie o.a. ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6499, r.o. 3.1).

Uit het proces-verbaal blijkt dat het bestuur met de beslissing op bezwaar de toepassing van art. 10 lid 2 onder e niet heeft beoogd te laten vallen.

Echter, nu het bestuur in dat besluit niet expliciet tot uitdrukking heeft gebracht dat het de toepassing van deze uitzonderingsgrond handhaaft, heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte niet ter zitting in de gelegenheid gesteld om alsnog gronden van beroep tegen de toepassing daarvan aan te voeren.

Bevoegdheidsverdeling tussen College B&W (160 Gemw) en Burgemeester (172 Gemw) (verbod afsteken vuurwerk Hilversum)

21-12-2015
Afdelings Bestuursrechtspraak Raad van State – uitspraak

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het gemeentebestuur bevoegd het vuurwerkverbod in te stellen. In het kader van deze spoedprocedure wegen de belangen van het gemeentebestuur om gevaar, schade en overlast te voorkomen in het aangewezen deel van het centrum zwaarder dan het relatief geringe financiële belang van de vuurwerkhandelaren, aldus de voorzieningenrechter. Daarom heeft de voorzieningenrechter hun schorsingsverzoek afgewezen.

Het vuurwerkverbod geldt voor het uitgaansgebied in het centrum van Hilversum en voor een deel van het Langgewenst. In de periode van 31 december 18.00 uur tot 1 januari 2.00 uur mag geen consumentenvuurwerk worden afgestoken in dit aangewezen gebied.


19-11-2015
Rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) – uitspraak

Het college van B&W in Hilversum is bevoegd om het winkel- en uitgaanscentrum van Hilversum aan te wijzen als gebied waar het met de jaarwisseling verboden is vuurwerk af te steken.

  1. Het college van burgemeester en wethouders is op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet bevoegd het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee is belast. De burgemeester is op grond van artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde. De vraag is of hiermee een zodanige waterscheiding is gegeven, dat het slechts de burgemeester is die bij de onderhavige openbare orde-kwestie (het aanwijzen van een plaats waar het verboden is vuurwerk te bezigen) bevoegd is besluiten te nemen.
  2. Niet kan worden gezegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het voeren van het dagelijks bestuur van de gemeente, zoals bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, geen enkele bestuurstaak is toebedeeld inzake de handhaving van de openbare orde. De wetgever heeft immers in de Memorie van Toelichting bij deze wetsbepaling (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, p. 141) benadrukt dat deze bepaling moet worden opgevat “als een plicht van het college om te zorgen dat adequaat wordt gereageerd op alle aangelegenheden die typisch tot de dagelijkse bestuurs- en beheerstaak behoren”, zodat het daarom “van belang [is] dat het college daarbij niet gebonden is aan een limitatieve opsomming van deze taken”. De wetgever stelt hierbij nadrukkelijk dat “wat tot de dagelijkse bestuurstaak behoort enigszins afhankelijk [zal] zijn van de plaatselijke situatie”.
  3. De bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is daarentegen specifieker van aard. Blijkens de Memorie van Toelichting bij deze wetsbepaling (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, p. 49 en p. 147) wordt met handhaving in dit artikel gedoeld op “de zorg voor het feitelijk bewaren en herstellen van de openbare orde”. Het betreft hierbij niet alleen een bevoegdheid, maar ook een verplichting om de openbare orde te handhaven, nu hij, zoals in eerder genoemde Memorie van Toelichting staat vermeld, “als eenhoofdig orgaan tot de op dit gebied vereiste snelle en doeltreffende besluitvorming in staat is”. De rechtbank leest hierin dat de burgemeester exclusief bevoegdheid is indien feitelijke en concrete ordeverstoringen zich voordoen, waartegen onmiddellijk en daadkrachtig moet worden opgetreden.
  4. Met verweerder ziet de rechtbank in de onderhavige bevoegdheid om een plaats aan te wijzen waar het verboden is vuurwerk te bezigen, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, een bevoegdheid die past binnen de sfeer van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Het gaat in dit geval om een op de openbare orde gerichte bestuurs- en beheerstaak, nu hiermee, zoals door verweerder ter zitting is toegelicht, beoogd wordt met de toekomstige jaarwisselingen telkens de mogelijke algemene gevaren en overlast van vuurwerk in een bepaald gebied van de gemeente tegen te gaan. Blijkens het advies van de commissie bezwaarschriften van 15 december 2014 is het Aanwijzingsbesluit onderdeel van een sinds twee jaar gevoerd beleid van verweerder voor de viering van de jaarwisseling, waarbij is ingezet op een cultuurverandering en uitgangspunt is dat de jaarwisseling weer een feest moet worden voor elke Hilversummer en schade en overlast waar mogelijk moet worden voorkomen. Niet aan de orde is daarom dat zich een feitelijke, concrete en acute ordeverstoring voordoet waartegen onmiddellijk en daadkrachtig moet worden opgetreden, zoals bedoeld in artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet.
    Voor zover eisers voor hun betoog hebben verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2005, is de rechtbank van oordeel dat deze verwijzing niet slaagt, omdat het in die zaak – anders dan in het onderhavige geval – ging om een verblijfsontzegging aan een bepaalde persoon. Bovendien ging het in die zaak om de feitelijke handhaving van de openbare orde, hetgeen in de onderhavige zaak niet aan de orde is. De rechtbank is aldus – en anders dan de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 19 december 2014 – van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders wel bevoegd is de in artikel 2.7.3, eerste lid, van de Apv genoemde plaats aan te wijzen. Verweerder was dus bevoegd het Aanwijzingsbesluit te nemen.

De Wob en het begrip document, brondocument en elektronisch vastgelegde gegevens

13 mei 2015
Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State – uitspraak

2.1. In het Wob-verzoek heeft [appellant] onder meer om openbaarmaking verzocht van het brondocument dat ten grondslag ligt aan de boete die het openbaar ministerie op 2 april 2013 aan hem heeft opgelegd wegens een bij registercontrole gebleken overtreding van artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: de Wam). In het besluit van 12 augustus 2013 heeft de RDW zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk document moet worden samengesteld en dus niet bestaat.

2.2. In het verweerschrift in hoger beroep heeft de RDW te kennen gegeven dat het brondocument een bestaand digitaal bestand is waarin gegevens, afkomstig uit verschillende registers, zijn samengebracht van alle motorrijtuigen waarvoor, ten tijde van de desbetreffende registercontrole, niet is voldaan aan de ingevolge artikel 30 van de Wam of artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994 geldende verplichtingen (hierna: het bestand). Voorts heeft de RDW daarin te kennen gegeven dat een document waarin alleen de in het bestand vervatte gegevens over het motorrijtuig waarop voormelde boete betrekking heeft (hierna: het motorrijtuig), zijn samengebracht, niet bestaat. Ter zitting bij de Afdeling heeft de RDW te kennen gegeven dat het bestand kan worden uitgeprint en dat bij lezing ervan duidelijk is welke gegevens bij welk motorrijtuig horen.

2.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201101743/1/H3) zijn elektronisch vastgelegde gegevens documenten in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob, waarop artikel 3 van de Wob van toepassing is.

2.4. Gezien hetgeen de RDW in hoger beroep over het bestand te kennen heeft gegeven, is het bestand een document waarop artikel 3 van de Wob van toepassing is. De omstandigheid dat in het bestand gegevens over een grote hoeveelheid motorrijtuigen zijn vervat noch de omstandigheid dat geen document bestaat waarin alleen de in het bestand vervatte gegevens over het motorrijtuig zijn samengebracht, doet hieraan af. Nu voorts niet in geschil is dat het bestand ten tijde van de indiening van het Wob-verzoek bij de RDW berustte, heeft de rechtbank de mededeling van de RDW dat het brondocument niet bestaat ten onrechte aannemelijk geacht.

Het bestand kan worden uitgeprint en elektronisch vastgelegde gegevens zijn ‘documenten’ ex art. 1 Wob.

Annotatie prof. Overkleeft-Verburg

Ontbreken garingsplicht vs. verzoek inzage meeromvattend digitaal bestand

Rechtsmiddelverwijzing (Rechtsmittelbelehrung)

12-6-2013
Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

2.6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 november 2011 in zaak nr. 201103127/1/T1/R2, kan een belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd, indien in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 3] en [appellant sub 6] worden bijgestaan door professionele rechtsbijstandverleners maakt niet dat zij ondanks de beperkte rechtsmiddelenverwijzing toch hadden moeten uitgaan van toepasselijkheid van de Chw.

uitspraak


30-11-2011
Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

In de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het besluit is opgenomen is geen toepassing gegeven aan artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw.

2.5.1.1. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor. Het enkele feit dat in dit geval in de publicatie staat vermeld dat na afloop van de beroepstermijn geen gronden meer kunnen worden aangevoerd doet hieraan niet af nu de eis het beroepschrift van gronden te voorzien op zichzelf al voortvloeit uit het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb. Belanghebbenden hoefden op grond van de publicatie niet te begrijpen dat met de Chw een uitzondering wordt gemaakt op het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb, uit welk artikel volgt dat het beroep alleen dan niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift indien de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen de hem daartoe gestelde termijn.

2.5.2. Stichting WMO is bij brief van de Afdeling van 18 maart 2011 eerst medegedeeld dat het beroep is gericht tegen een besluit dat onder de Chw valt. Stichting WMO is bij die brief in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 april 2011 alsnog de gronden van het beroep aan te voeren, van welke gelegenheid Stichting WMO gebruik heeft gemaakt.

Onder deze omstandigheden is het verzuim tijdig hersteld, zodat het beroep in de bodemprocedure ontvankelijk zal worden verklaard.

uitspraak

Administratiekosten wet Mulder

28-3-2013
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (sector kanton)

De wetgever was (destijds) van opvatting dat de Wet Mulder/WAHV voldoet aan de eisen die artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens stelt aan rechtsbescherming. Deze kantonrechter vraagt zich echter steeds vaker af of in het kader van de huidige handhaving van deze wet nog wel sprake is van “een waarborging van de deugdelijke rechtsbescherming van de betrokkene.” Zo ook in deze zaak waarin naar het oordeel van de kantonrechter “buiten alle proporties” incassomaatregelen worden toegepast en dat om € 6,00 (zes euro) te innen ten behoeve van de Staat der Nederlanden. Het CJIB en de bevoegde officier van justitie te Leeuwarden geven geen blijk van enige toetsing aan proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van het onderhavige (gestandaardiseerde) incassotraject.” De kantonrechter beslist als volgt: – verklaart het verzet gegrond; – vernietigt het tegen betrokkene uitgevaardigde dwangbevel; – bepaalt dat het griffierecht, voor zover betaald, aan betrokkene dient te worden terugbetaald.

uitspraaknrc

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén