Categorie: Verbintenissenrecht

Winstafdracht na onrechtmatige daad of wanprestatie (6:104 BW)

Hoge Raad 24 december 1993 (NJ 1995/421)

Art. 6:104 geeft niet aan degene jegens wie onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd, een “vordering tot winstafdracht”, doch verleent aan de rechter een discretionaire bevoegdheid om, ingeval schadevergoeding is gevorderd, de schade te begroten op het bedrag van de door dit handelen of die wanprestatie genoten winst of op een gedeelte daarvan. Het artikel vormt blijkens zijn plaatsing, zijn bewoordingen en zijn parlementaire geschiedenis een uitwerking voor een bijzonder geval van de algemene regel van art. 6:97. De in het artikel bedoelde wijze van begroting komt neer op een vorm van abstracte schadeberekening, waarbij wordt geabstraheerd van de vraag of concreet nadeel is komen vast te staan, zodat zodanig nadeel bij onzekerheid niet door de eiser behoeft te worden aangetoond. Dit neemt echter niet weg dat, zo de rechter vaststelt dat in het gegeven geval in het geheel geen schade is geleden, daarmee de weg naar toepassing van art. 6:104 is afgesneden. In een en ander ligt tevens besloten dat de rechter niet tot toepassing van art. 6:104 kan overgaan, indien de aangesprokene bewijst dat door de gedragingen waarvoor hij aansprakelijk gesteld wordt, geen schade ontstaan kan zijn.

Ontkenning ontvangst e-mail door spambox

20-9-2017
Rechtbank Midden-Nederland (kort geding) – uitspraak

4.8. De e-mail van 23 april 2017 die aan [gedaagde] is gestuurd, voldoet aan de eisen van artikel 7:271 BW. Dat deze is gezonden vanaf het e-mailadres van de zoon van [eiser] doet er naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet toe, nu deze is gezonden uit naam van [eiser] , zodat voor [gedaagde] duidelijk moest zijn dat de huurovereenkomst zou eindigen per 31 mei 2017. [gedaagde] heeft echter de ontvangst van deze e-mail betwist. Zij heeft aangevoerd dat deze wellicht in de map ongewenste e-mail terecht is gekomen, die automatisch wordt geleegd, zodat zij geen kennis heeft genomen van dit bericht. Om zijn werking te kunnen hebben dient de e-mail [gedaagde] daadwerkelijk te hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). Dat heeft [gedaagde] betwist en [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die de conclusie kunnen dragen dat [gedaagde] de e-mail wel heeft ontvangen en de inhoud daarvan kende. Mogelijk is hiervoor nadere bewijslevering nodig, maar daarvoor is in dit kort geding geen ruimte. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] tijdig is geïnformeerd over het eindigen van de huurovereenkomst, zodat ontruiming op grond van het eindigen van de huurovereenkomst voorshands niet mogelijk is.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén