Categorie: Auteursrecht

Auteursrecht op smaak?

Inhoud:
– Inleiding
– Rechtbank Den Haag 3-5-2017
– Conclusie AG Wathelet 25-7-2018
– Hof EU 13-11-2018


Is een smaak vatbaar voor auteursrecht? Hiervoor dient men terug te gaan tot de vraag “Wat beschermt het auteursrecht precies?”. Artikel 1 Auteurswet beschermt “werken van letterkunde, wetenschap of kunst”. Artikel 10 geeft voorts een reeks voorbeelden en sluit af met “en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht”. De tekst van de auteurswet lijkt zich er dus niet tegen te verzetten dat een smaak wordt aangemerkt als ‘werk’.

Volgens de jurisprudentie gelden voor auteursrechtelijke bescherming extra vereisten. In 1991 stelde de Hoge Raad als vereisten dat het “een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt”, wat wel wordt afgekort tot EOK & PS. Deze vereisten werden in 2008 verduidelijkt door de Hoge Raad: EOK betekent dat het werk niet ontleend mag zijn aan een ander werk (art. 13 Aw) en PS “betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest.”

De voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank overwoog in 2015:

2.2 Gelet op het arrest Lancôme/Kecofa […] is voorshands voldoende aannemelijk dat er auteursrecht op een smaak kan rusten en dat (de smaak van) het product van verzoekster voldoet aan de vereisten van auteursrechtelijke bescherming.

Sterk gerelateerd aan dit onderwerp: Auteursrecht op recept?


3 mei 2017
Rechtbank Den Haag – uitspraak (Heksenkaas)

Geen auteursrecht op smaak wegens niet voldoen aan werktoets.


25 juli 2018
AG Wathelet C-310/17 (Heksenkaas)


13 november 2018
Hof van Justitie EU – uitspraak (Heksenkaas)

Mededeling aan het publiek

Opbouw van dit stuk:

Relevante passages uit de regelgeving: Auteursrechtrichtlijn 2001/29 (Arl), Berner Conventie (BC), Wipo Copyright Treaty (WTC).
Literatuur: WIPO Glossary terms (1983).

Relevante passages uit jurisprudentie (wordt aan gewerkt): Egeda, SGAE, Organismos, Premier League, Del Corso, PPI, TVCatchup, Svensson, OSA, Bestwater, C-More, SBS Belgium, Reha Training, GS Media, Edelweiss, AKM, Filmspeler, Brein/Ziggo, Vcast…

Conclusies inzake het voorgaande. (komt nog)

Regelgeving

Artikel 3 lid 1 Richtlijn 2001/29:

De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

Artikel 11bis lid 1 Berner Conventie:

1° de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel, dienende tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden;

2° elke openbare mededeling, hetzij met of zonder draad, van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke geschiedt;

3° de openbare mededeling van het door de radio uitgezonden werk door een luidspreker of door ieder ander dergelijk instrument, dat tekens, geluiden of beelden overbrengt.


Jurisprudentie

Hieronder vele conclusies en arresten. Van relevante rechtsoverwegingen wordt het randnummer vermeld met daarachter de strekking daarvan. Soms wordt de gehele rechtsoverweging gequoot. Die staat dan tussen aanhalingstekens of in een quote-vak. Dat geeft mij weer de mogelijkheid passages te benadrukken in het blauw. Eventuele cursiveringen kom uit de originele tekst.


9-9-1999
AG La Pergola C-293/98 (Egeda)

1-7 Feiten, bepalingen en prejudiciële vraag
1. Hotel ontvangt satelliet-/ethersignalen en geeft die door aan hotelkamers.
2. Verwijzende rechter van oordeel dat oplossing van geschil afhangt van vraag of ontvangst en doorgifte naar kamers, mededeling aan publiek van auteursrechtelijk beschermde werken is.
4. Prejudiciële vraag = Moet art 1(2)(a) en 1(3) van richtlijn 93/83/EEG aldus worden uitgelegd, dat wanneer een hotelbedrijf per satelliet of via de ether uitgezonden televisiesignalen ontvangt en via de kabel aan elk van de hotelkamers doorgeeft, er sprake is van `mededeling aan het publiek` of `ontvangst door het publiek`?
5. Ingevolge art. 5 van protocol 28 bij de EER-overeenkomst moesten de lidstaten voor 1995 toetreden tot de Berner Conventie (BC).
6. [Hier wordt art. 11bis(1) BC in het geheel uitgeschreven].
7. Onder andere art. 11bis BC moet geacht te zijn opgenomen in de TRIPs-overeenkomst welke als bijlage 1C is gehecht aan de WTO-oprichtings-overeenkomst, welke namens de Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden is goedgekeurd bij Besluit 94/800/EG. Ingevolge art. 9 TRIPS leven de leden artt. 1-21 BC na.

8-12 Argumenten van partijen

13-27 Juridische analyse
14 Richtlijn 93/83/EEG beoogt uit het auteursrecht voortvloeiende hinderpalen weg te nemen t.b.v. het vrije verkeer van televisie-uitzendingen. Gemeenschapswetgever wenstte enkel noodzakelijke minimumregels vast te stellen. Richtlijn wil gelijktijdige toepassing meerdere nationale wetgevingen voorkomen t.a.v. dezelfde uitzending per satelliet van auteursrechtelijke werken.
15 Ook al gaat het om uit andere lidstaten uitgezonden programma’s, de vragen kunnen niet op basis van richtlijn 93/83/EEG (satellieten en kabels) worden beantwoord.
16. Nog een reden tegen idee dat het noodzakelijk is richtlijn in licht van BC uit te leggen. Rechtspraak waar commissie naar verwijst betreft enkel
17 […] “Dat is echter wat anders dan te zeggen, dat het feit van de oplegging van die verplichtingen volstaat om de bepalingen van de Berner Conventie directe en volledige werking in de communautaire rechtsorde te verlenen.”
18 “Het geschil in het hoofdgeding vereist immers, indien men de oplossing kiest waaraan ik de voorkeur geef, de uitlegging van een van de – door de techniek van de formele verwijzing in de TRIPs-Overeenkomst geïncorporeerde – materiële bepalingen van de Berner Conventie, die de bescherming van het recht van mededeling aan het publiek betreft in het geval van tweede gebruik van uit een andere lidstaat afkomstige uitzendingen.”

20. Dan begin ik nu met het onderzoek van de vraag, of de doorgifte van televisieprogramma’s naar de in de kamers van een hotel geplaatste televisietoestellen valt aan te merken als eenvoudige ontvangst of, op basis van de Berner Conventie, als uitzending (mededeling aan het publiek). […] Een bruikbaar uitgangspunt bij de uitlegging van artikel 11bis, lid 1, BC (zie punt 6 supra) wordt gevormd door de interpretatieve stukken van het WIPO.(37) [Deze voetnoot verwijst naar Ricketson, p. 140] Wat de hier bedoelde bepaling betreft, omschrijft de woordenlijst het begrip „mededeling aan het publiek van de ontvangst van een uitzending” als volgt „het gebruikmaken van radio- of televisieontvangers (luidsprekers en beeldschermen) buiten privéruimten, om aan een ieder die zich om welke reden ook op de plaats van ontvangst bevindt, toegang tot het uitgezonden programma te geven. In restaurants, winkels en dergelijke worden ontvangsttoestellen vaak gebruikt om publiek te trekken. Het recht om uit te zenden of de mogelijkheid uitzendingen te ontvangen, omvat niet noodzakelijkerwijs het recht om de ontvangen programma’s toegankelijk te maken voor het publiek. Hetzelfde geldt voor via de kabel ontvangen programma’s. De noodzakelijke vergunningen moeten in de regel worden aangevraagd bij de auteursverenigingen of bij andere met het beheer van auteursrechten belaste lichamen.”(38) [Deze voetnoot verwijst naar WIPO Glossary Terms door Boytha van 1980, uitgegeven door WIPO in 1983 (door dir. Bogsch)]

Hierboven worden dus de Wipo Terms worden aangehaald inzake het begrip “mededeling aan het publiek van de ontvangst van een uitzending“. Inzake dat begrip geeft de Wipo Terms als omschrijving een situatie waardoor toevallige passanten direct van het werk kunnen genieten middels o.a. luidsprekers. Dat betreft dus een gevalletje art. 11bis(1)(iii).

Rechtsoverweging 20 gaat verder:

En in de gids wordt opgemerkt: „Waarop het aankomt bij de toepassing [van artikel 11bis, lid 1, punt 2°], is of en op welke wijze er sprake is van een tussenschakel bij de doorgifte van de uitzending, die de mededeling aan het publiek verricht (…) De criteria ter onderscheiding tussen een dergelijke mededeling en het eenvoudige ontvangen van de uitzendingen, waarvoor de regeling van het exclusieve recht van de auteur niet geldt, staan ter beoordeling van de nationale wettelijke regelingen.”(39) Deze voetnoet leest: Masouyé, p. 79 e.v.] Maar in de context van de Berner Conventie dekt een aan de uitzender verleende uitzendvergunning niet tevens een eventueel verder gebruik van het werk door derden – zoals mededeling aan het publiek van het uitgezonden programma door middel van luidsprekers of een ander dergelijk instrument (in casu een televisietoestel) -, met name niet wanneer die derden met winstoogmerk handelen. Door die vorm van mededeling zou immers een nieuw publiek bereikt kunnen worden, onderscheiden van dat waaraan de auteur dacht toen hij krachtens zijn exclusief recht toestemming gaf voor de oorspronkelijke uitzending. „Hoewel immers de radio-uitzending een onbepaald aantal personen kan bereiken, heeft de auteur, wanneer hij in die wijze van exploitatie van zijn werk toestemt, slechts het oog op de directe consumenten, dat wil zeggen de bezitters van ontvangsttoestellen die, individueel of in hun privé- of gezinssfeer, de uitzendingen ontvangen. Zodra die ontvangst ten behoeve van een veel groter gehoor geschiedt, en vaak om er voordeel mee te behalen, kan een nieuw gedeelte van het publiek het werk horen [of zien] en de mededeling van de uitzending door luidsprekers (of andere dergelijke instrumenten) is niet meer de eenvoudige ontvangst van de uitzending zelf, maar een zelfstandige handeling waarmee het uitgezonden werk aan een nieuw publiek wordt medegedeeld. Voor deze openbare ontvangst geldt weer het exclusieve recht van de auteur om toestemming te verlenen.”(40)

Zoals letterlijk valt te lezen gaat deze passage over 11bis(1)(ii) welke kort gezegd behelst het opvangen en (weder)doorgeven van een signaal met of zonder draad door een andere organisatie.

21. Gelet op deze citaten uit de gids meen ik, dat in het onderhavige geval niet de bepaling van punt 2° van artikel 11bis, lid 1, in abstracto van toepassing is, maar de meer specifieke van punt 3°.


3-2-2000
HvJ EU C-293/98 (Egeda)

25. Artikel 1(2)(a) en 1(3) van Richtlijn 93/83 bevatten geen elementen ter beantwoording van de vraag of, wanneer een hotelbedrijf televisiesignalen per satelliet of via de ether opvangt en per kabel naar de hotelkamers doorgeeft, daarbij sprake is van „mededeling aan het publiek” of „ontvangst door het publiek”.


13-6-2006
AG Sharpston – C-306/05 (SGAE/Rafael Hoteles)

Casus: Hotel vangt satelliet-/ethersignalen op, en geeft deze per kabel door naar televisies in hotelkamers en enkele algemene ruimten. Prejudiciële vragen, ditmaal aan de hand van de Auteursrechtrichtlijn (2001/29).

26-29: Het pure neerzetten van televisietoestellen in kamers vorm geen mededeling. Dit wegens considers 27 Arl en 3(1) WTC.

Mededeling van uitzendingen via tv’s in kamers van eerder opgevangen signalen is wel mededeling aan publiek.

50. Het criterium „mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke”, dat in artikel 11 bis, lid 1, punt 2, van de Conventie is gebruikt, maakt blijkbaar een „puur functioneel” onderscheid: de mogelijkheid om een nieuwe toestemming te eisen telkens wanneer een wederdoorgifte „een nieuwe kring van luisteraars bereikt”(51) [Deze voetnoot verwijst naar Ricketson p.449], is opzettelijk terzijde geschoven. Dit lijkt niettemin het wezenlijke gevolg te zijn van deze bepaling. De WIPO-gids(52) bevestigt deze interpretatie bovendien. Daarin wordt over artikel 11 bis, lid 1, punt 3, verklaard:

„Tenslotte gaat het derde geval waarover [artikel 11 bis, lid 1] spreekt, over de openbare mededeling van het reeds uitgezonden werk door een luidspreker of door een dergelijk instrument. Dit geval komt meer en meer voor. Op plaatsen waar mensen samenkomen (café’s, restaurants, tea-rooms, hotels, grote winkels, treinen, vliegtuigen enz.) zijn steeds vaker uitzendingen te beluisteren. Ook het gebruik, op openbare plaatsen, van auteursrechtelijk beschermde werken voor advertentiedoeleinden is steeds couranter. De vraag is of de toestemming die de auteur aan het uitzendstation heeft gegeven, daarenboven ook elk gebruik dat van de uitzending wordt gemaakt, al dan niet voor commerciële doeleinden, dekt.

Het antwoord van de Conventie is ontkennend. Net zoals in het geval van een heruitzending via de kabel, een bijkomend publiek wordt gecreëerd (lid 1, punt 2), zo bereikt het werk ook in dit geval luisteraars (en misschien ook kijkers) die niet diegene zijn waaraan de auteur dacht had toen hij zijn toestemming gaf. Hoewel per definitie het aantal mensen dat een uitzending ontvangt niet met zekerheid kan worden nagegaan, gaat de auteur er vanuit dat zijn toestemming tot uitzending enkel geldt voor het directe publiek dat het signaal in de gezinssfeer ontvangt. Zodra de ontvangst gebeurt ten behoeve van het vermaak van een ruimere kring, vaak met winstgevend doel, kan een bijkomend deel van het publiek van het werk genieten en gaat het niet louter om een uitzending. De auteur heeft zeggenschap over deze nieuwe openbare uitvoering van zijn werk.”(53) << die voetnoot leest: “punt 11bis.11 en 11bis.12”

51. In het licht van het voorgaande is het duidelijk dat het doel van artikel 8 van het WCT erin bestaat om artikel 11 bis, lid 1, van de Berner Conventie aan te vullen door het recht van auteurs om toestemming te verlenen voor de mededeling van hun werk te versterken wanneer de technologische vooruitgang het mogelijk heeft gemaakt dat een mededeling waarvan de verspreiding was toegestaan, wordt heruitgezonden voor een kring van personen die ruimer is dan de personen voor wie de oorspronkelijke mededeling was bestemd.


7-12-2006
HvJEU C-306/05 (SGAE/Rafael Hoteles)

Casus: Hotel vangt satelliet-/ethersignalen op, en geeft deze per kabel door naar televisies in hotelkamers en enkele algemene ruimten.

30 Richtlijn 93/83 gaat slechts over “mededeling aan het publiek per satelliet of doorgifte via de kabel van uitzendingen die afkomstig zijn uit andere lidstaten“. 37 „publiek” ziet op onbepaald aantal potentiële televisiekijkers (Mediakabel-30 en Lagardère-31). 38 Rekening houden met het televisiekijkers in de algemene ruimten en het feit dat gasten elkaar snel opvolgen. Ergo, vrij groot aantal personen, dus “publiek”. 40 De mededeling in casu dient ex 11bis(1)(ii) BC worden gezien als mededeling door andere organisatie van wederdoorgifte. “Een dergelijke doorgifte geschiedt dus ten behoeve van een ander publiek dan het door de oorspronkelijke mededeling van het werk beoogde publiek, dat wil zeggen een nieuw publiek.” 41 Zoals uiteengezet in gids van BC, dat aan uitlegging BC bijdraagt, heeft de auteur bij radio-uitzending slechts oog op directe consumenten, d.w.z. bezitters van ontvangsttoestellen die in gezinssfeer de uitzending ontvangen. “Zodra die ontvangst ten behoeve van een veel groter gehoor geschiedt, en soms om er voordeel uit te halen, kan een nieuw gedeelte van het publiek het werk horen of zien en is de mededeling van de uitzending door luidsprekers of andere dergelijke instrumenten volgens deze gids niet meer de eenvoudige ontvangst van de uitzending zelf, maar een zelfstandige handeling waarmee het uitgezonden werk aan een nieuw publiek wordt medegedeeld. Zoals de betrokken gids preciseert, geldt voor deze openbare ontvangst weer het uitsluitende recht van de auteur om toestemming te verlenen.” 42 “Hotelgasten vormen een dergelijk nieuw publiek. Het voor deze gasten ten gehore brengen van een uitgezonden werk door middel van televisietoestellen is immers niet een eenvoudig technisch middel om de ontvangst van de oorspronkelijke uitzending in het ontvangstgebied ervan mogelijk te maken of te verbeteren. Integendeel is het hotel het orgaan dat, met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag, tussenkomt om aan zijn gasten toegang tot het beschermde werk te verlenen. Zonder deze tussenkomst zouden de hotelgasten, hoewel zij zich fysiek in deze zone bevinden, in beginsel immers niet van het uitgezonden werk kunnen genieten.” 43 Uit 3(1) Arl en 8 WTC volgt dat reeds sprake is van mededeling aan publiek wanneer werk op zodanige wijze voor publiek beschikbaar wordt gesteld dat het voor het publiek toegankelijk is. beschikbaarstellen reeds mededeling aan publiek oplevert. Derhalve niet van beslissend belang of gasten tv niet hebben aangezet. 44 winstoogmerk volgens EC geen noodzakelijk vereiste voor mededeling aan publiek, maar in casu wel aanwezig. 45-47 Louter besischikbaarstelling toestellen als zodanig geen mededeling. “Indien het hotel door middel van de aldus beschikbaar gestelde televisietoestellen het signaal doorgeeft aan de gasten die in zijn kamers verblijven, gaat het derhalve om een mededeling aan het publiek, zonder dat behoeft te worden nagegaan, welke techniek van doorgifte van het signaal is gebruikt.”


4-10-2011
HvJ EU (Premier League)

Niet irrelevant dat de mededeling ex 3(1) Arl winstoogmerk heeft.


15-3-2012
HvJ EU C-162/10 (Phonograpic Performance Ireland (PPI))

Het ter beschikking stellen cd’s en een cd-speler kan een mededeling aan het publiek zijn, terwijl dit niet per draad of draadloos is (Visser AMI 2013/1).


15-3-2012
HvJ EU C-135/10 (Marco Del Corso)

85. Inzake “onbepaald” observeert het Hof dat “mededeling aan het publiek” volgens de Wipo Glossary of terms betekent “een werk beschikbaar maken aan personen in het algemeen, niet behorende tot een private groep”.

“meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke bijkomende criteria”

Tandarts intervenieert, maar heeft vrij stabiel publiek dus geen “mededeling aan het publiek”.


12-9-2012
Rechtbank Amsterdam (GS Media/Sanoma, Playboy, Britt Dekker)

Hyperlink naar materiaal dat onvindbaar is op internet levert openbaarmaking ex art. 12 Aw op.


7-3-2013
HvJ EU C-607/11 (TVCatchup)

TVCatchup vangt satelliet-/ethersignalen, zet deze om in internetstreams en biedt deze aan op haar website. Deze streams kunnen enkel worden bekeken door bezoekers die toegang hebben tot de originele signalen. Dus: publiek dat toch al toegang heeft op ITV krijgt toegang tot TVCatchup. Vraag “interventie waarmee nieuw publiek wordt bereikt”.

25 Deze vaststellingen worden overigens bevestigd door de artikelen 2 en 8 van richtlijn 93/83, op grond waarvan een nieuwe toestemming is vereist voor een gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, per satelliet of kabel, van een eerste uitzending van radio- of televisieprogramma’s die beschermde werken bevatten, ook al konden deze uitzendingen in hun ontvangstgebied reeds worden ontvangen via andere technische werkwijzen, zoals via radiogolven van grondnetwerken.

26. Aangezien (weder)doorgifte via technische werkwijze die verschilt van oorspronkelijke werkwijze… “mededeling”.
32 Publiek = onbepaald aantal potentiële kijkers en vrij groot.

37 TVC stelt evenwel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wederdoorgifte niet voldoet aan de voorwaarde van het nieuwe publiek, waaraan nochtans moet zijn voldaan volgens de reeds aangehaalde arresten SGAE (punt 40), Football Association Premier League e.a. (punt 197), alsook Airfield en Canal Digitaal (punt 72). De kijkers van de wederdoorgifte door TVC hebben immers het recht om de uitzending, met identieke inhoud, via hun televisietoestellen te volgen.

38 Dienaangaande valt op te merken dat de situaties die onderzocht werden in de zaken die hebben geleid tot deze arresten, duidelijk verschillen van de in de onderhavige zaak in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie. In de genoemde zaken heeft het Hof immers situaties onderzocht waarin een ondernemer door zijn bewuste interventie een uitzending met beschermde werken toegankelijk had gemaakt voor een nieuw publiek waarmee de betrokken auteurs geen rekening hebben gehouden toen zij de betrokken uitgezonden doorgifte hebben toegestaan.

39 De onderhavige zaak in het hoofdgeding heeft daarentegen betrekking op de doorgifte van de werken die zijn opgenomen in een uitzending via zendmasten en de beschikbaarstelling van deze werken op internet. Zoals blijkt uit de punten 24 tot en met 26 van het onderhavige arrest, moet elk van deze twee doorgiften individueel en afzonderlijk door de betrokken auteurs worden toegestaan aangezien beide doorgiften onder specifieke technische omstandigheden gebeuren, met een andere manier van doorgifte van de beschermde werken en elk bestemd voor een publiek. De voorwaarde van het nieuwe publiek, die enkel relevant is in de situaties waarover het Hof zich heeft moeten uitspreken in de zaken die hebben geleid tot de reeds aangehaalde arresten SGAE, Football Association Premier League e.a., alsook Airfield en Canal Digitaal, behoeft derhalve niet meer subsidiair te worden onderzocht.

Mededelingshandeling want beschikbaarstelling aan alle personen die beweren kijkvergunning te hebben (=onbepaalde groep personen).

Antwoord:
“mededeling aan publiek” idzv 3-1 Arl heeft betrekking op wederdoorgifte van via zendmasten opgenomen televisie-uitzendingen die (1) door een andere organistatie (2) d.m.v. internetstream die ter beschikking worden gesteld aan de abonees van die andere organisatie die die heruitzending kunnen ontvangen door in te loggen op de server (3) hoewel deze abonees zich bevinden binnen het ontvangstgebied van de zendmasten en daartoe gerechtigd zijn.

42. Winstoogmerk inzake ‘mededeling’ niet irrelevant (42), doch geen absoluut vereiste (42) maar niet bepalend.

47. Niet van belang dat organisatie rechtstreeks concurreert.


19-11-2013
Hof Amsterdam – uitspraak (GS Media/Sanoma, Playboy, Britt Dekker)

Hyperlink naar openbaargemaakt werk is in beginsel geen zelfstandige manier van openbaar maken of van interventie daarbij en levert geen inbreuk op auteursrecht op. Hyperlink faciliteert kennisname door derden van onrechtmatig openbaargemaakt werk, dus onrechtmatig.


13-2-2014
HvJ EU C‑466/12 (Svensson)

(Geen conclusie van AG in deze zaak)

Hyperlinks naar beschermde werken moet worden aangemerkt als een „beschikbaarstelling” en derhalve als een „handeling bestaande in een mededeling” (17-19). Hyperlink op website ziet op alle potentiele bezoekers daarvan dus onbepaald en vrij groot aantal, dus “publiek” (21-23). Echter, zelfde werken als oorspronkelijke mededeling en op dezelfde technische wijze (via internet). Geen nieuw publiek want oorspronkelijke website vrij toegankelijk voor alle internetgebruikers.

Dan inzake embedden:

29 Deze vaststelling wordt niet op losse schroeven gezet indien de verwijzende rechter zou vaststellen – hetgeen niet duidelijk blijkt uit het dossier – dat wanneer de internetgebruikers op de betrokken link klikken, het werk verschijnt en daarbij de indruk wordt gewekt dat het wordt getoond op de website waar de link zich bevindt, terwijl dit werk in werkelijkheid afkomstig is van een andere website.

Een link die beperkingsmaatregelen weet te omzeilen komt neer op een interventie zonder welke de gebruikers niet zouden kunnen beschikken over de werken levert wel een nieuw publiek op.

volledige kennis (18-23).

Zie ook Ficsor in “Svensson: honest attempt at establishing due balance concerning the use of hyperlinks – spoiled by the erroneous “new public” theory”


21-10-2014
HvJ EU C-348/13 (Bestwater) beschikking in duits of frans

Embedden of inline-framen van vrij beschikbaar materiaal op andere sites is geen “mededeling aan het publiek”.

De conclusie lijkt zich toe te spitsen op het feit dat geen nieuw publiek wordt bereikt:

Die Einbettung eines auf einer Website öffentlich zugänglichen geschützten Werkes in eine andere Website mittels eines Links unter Verwendung der Framing-Technik, wie sie im Ausgangsverfahren in Frage steht, allein stellt keine öffentliche Wiedergabe im Sinne von Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG des Europäischen Parlaments und des Rates vom 22. Mai 2001 zur Harmonisierung bestimmter Aspekte des Urheberrechts und der verwandten Schutzrechte in der Informationsgesellschaft dar, soweit das betreffende Werk weder für ein neues Publikum noch nach einem speziellen technischen Verfahren wiedergegeben wird, das sich von demjenigen der ursprünglichen Wiedergabe unterscheidet.


7-4-2016
AG Wathelet, C-160/15 – conclusie (GS Media/Sanoma, Playboy, Britt Dekker)

Of er sprake is van een interventie dient enkel te worden onderzocht bij de vraag of er sprake is van een “handeling bestaande uit een mededeling” (en niet bij de vraag of er sprake is van een “nieuw publiek”. Hyperlink is nooit een interventie > dus geen mededelingshandeling > dus geen “mededeling aan het publiek”.


31-5-2016
HvJ EU C-117/15 (Reha Training)


8-9-2016
HvJ EU C-160/15 (GS Media/Sanoma, Playboy, Britt Dekker)

Hyperlink naar zonder toestemming geplaatst materiaal. Geïndivualiseerde toets (ergo: omstandigheden catalogus).
GS had volledige kennis van illegale karakter van publicatie (54).

om vast te stellen of het plaatsen, op een website, van hyperlinks naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een „mededeling aan het publiek” vormt in de zin van die bepaling, [moet bepaald] worden of deze links zijn verstrekt zonder winstoogmerk door een persoon die geen kennis had, of redelijkerwijs geen kennis kon hebben, van het illegale karakter van de publicatie van die werken op die andere website, dan wel of, integendeel, voornoemde links met een dergelijk oogmerk zijn verstrekt, in welk geval deze kennis moet worden vermoed.

Lodder: handel dergelijke hyperlinks af via onrechtmatige daad.


16-3-2017
HvJ EU, C-138/16 (AKM)

In dit arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat een gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de nationale omroep door middel van kabels op het nationale grondgebied, dat wil zeggen een ander technisch middel dan het bij de oorspronkelijke uitgezonden doorgifte gebruikte middel, geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt, omdat het publiek waaraan die doorgifte is gericht, niet als nieuw publiek kan worden beschouwd.(20) Het komt mij evenwel voor dat deze oplossing berust op de voorwaarde dat de houders van de auteursrechten terdege rekening hielden met de wederdoorgifte in kwestie toen zij toestemming gaven voor de oorspronkelijke uitzending, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.(21)

18, 26, 29 en 30

29 Daar de verspreiding van beschermde werken via kabels, zoals volgt uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, op het nationale grondgebied plaatsvindt, en de rechthebbenden dus rekening hebben gehouden met de betrokkenen toen zij de oorspronkelijke verspreiding door de nationale omroeporganisatie toestonden, kan het publiek aan wie Zürs.net de betrokken werken verspreidt, niet als nieuw publiek worden beschouwd.

30 Hieruit volgt dat de doorgifte van uitzendingen overeenkomstig de in punt 18 van het onderhavige arrest bepaalde voorwaarden geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt. Bijgevolg hoeft voor een dergelijke doorgifte geen toestemming van de rechthebbenden als bedoeld in die bepaling te worden verkregen.


7-9-2017
AG Szpunar, C‑265/16 (VCast)

54 Verder lijkt een algemene regel die inhoudt dat de doorgifte van een al uitgezonden werk door een andere organisatie dan de organisatie die voor die uitzending heeft gezorgd, geen mededeling aan het publiek vormt, in strijd te zijn met artikel 11 bis, lid 1, punt 2, van de Berner Conventie, waarin aan auteurs het uitsluitende recht is toegekend om toestemming te verlenen voor „elke openbare mededeling […] van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke geschiedt”. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de uitlegging van „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29 gebeuren in overeenstemming met die bepaling van de conventie.


26-4-2017
HvJ EU – C‑527/15 (Brein/Filmspeler)


BERNER CONVENTIE – link

11bis lid 1 BC:

1° de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel, dienende tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden;

2° elke openbare mededeling, hetzij met of zonder draad, van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke geschiedt;

3° de openbare mededeling van het door de radio uitgezonden werk door een luidspreker of door ieder ander dergelijk instrument, dat tekens, geluiden of beelden overbrengt.

Niet bindende Guide 1978 van Masouyé

11bis-1-ii: “Van belang is of een tweede organisatie onderdeel uitmaakt in de distrubitie van het uitgezonde programma aan het publiek.”

11bis-1-iii: “Hoewel per definitie het aantal mensen dat een uitzending ontvangt niet met zekerheid kan worden nagegaan, gaat de auteur er vanuit dat zijn toestemming tot uitzending enkel geldt voor het directe publiek dat het signaal in de gezinssfeer ontvangt. Zodra de ontvangst gebeurt ten behoeve van het vermaak van een ruimere kring, vaak met winstgevend doel, kan een bijkomend deel van het publiek van het werk genieten en gaat het niet louter om een uitzending. De auteur heeft zeggenschap over deze nieuwe openbare uitvoering van zijn werk.

11bis (i) uitzendrecht – (ii) wederuitzending en mededeling aan publiek per draad door andere organisatie – (iii) openbare mededeling via luidspreker

Conclusies

Openbaarmakingsauteursrecht (art. 8 Aw)

Artikel 8 Auteurswet

Indien eene openbare instelling, eene vereeniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden, wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.

Dit artikel kan tot vreemde uitkomsten leiden.

5-4-2018
Rechtbank Den Haag (kanton) – uitspraak

Aangenomen feiten: R(oovers) maakte in de 40’er en 50’er jaren (o.a.) 25 foto’s. Eiser sloot in 1982 een overeenkomst met R. om het auteursrecht op deze foto’s te verkrijgen. In 2016-2017 maakt Erfgoed Leiden de 25 foto’s openbaar door deze op te nemen in het voor iedereen toegankelijke beeldbank op internet. Eiser beroept zich op auteursrechtinbreuk en vordert schadevergoeding.

Erfgoed Leiden verweert zich (grofweg) met de stelling dat eiser geen auteursrechthebbende is omdat R in 1982 geen auteursrechthebbende (meer) was omdat de foto’s halverwege de vorige eeuw door een vennootschap “als van haar afkomstig” als prentbriefkaart zijn openbaargemaakt “zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden”.

In de procedure neemt de rechtbank aan R’s naam inderdaad nimmer (achter)op de uitgegeven prentbriefkaarten heeft gestaan.

R(oover) maakte foto’s en verleende een licentie aan uitgevers om prentbriefkaarten te verkopen met die foto erop. De uitgevers vermeldden op die prentbriefkaarten echter nimmer de naar van R (.

4.9 De kantonrechter overweegt dat niet ter discussie staat dat [R] de maker is van de foto’s waar het om gaat en dat uit de handelwijze van [R] volgt dat hij op het werk als maker daarvan is aangeduid door middel van de door hem op iedere foto aangebrachte stempel. Het plaatsen van die tekst kan niet anders worden geïnterpreteerd als de maker die op het werk getuigt van zijn makerschap, althans Erfgoed Leiden heeft onvoldoende aangevoerd waaruit blijkt dat dit anders dient te worden geïnterpreteerd. Uitgevers kozen vervolgens uit de door [R] aangeboden foto’s die foto’s waar zij prentbriefkaarten van wilden produceren. Dat vervolgens [R]’ naam niet is weergegeven op de door verschillende uitgevers vervaardigde prentbriefkaarten doet er niet aan af dat hij de foto’s voorzag van een stempel met zijn naam en deze vervolgens onder zijn naam heeft aangeboden. Het is niet noodzakelijk dat de maker zijn naam op alle verveelvoudigingen van een werk plaatst, wil hij zich de maker van het werk en daarmee de auteursrechthebbende ten aanzien van het werk kunnen noemen. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van anoniem gepubliceerde foto’s. Hierbij komt dat onvoldoende onderbouwd is gesteld dat de manier waarop de uitgevers werden vermeld op de prentbriefkaarten ook betekende dat zij zich daarmee als makers van het desbetreffende werk presenteerden.

4.10 Het is onbekend wat de precieze inhoud is geweest van de afspraken die [R] maakte met de uitgevers van prentbriefkaarten. Uitgaande van de hiervoor beschreven handelwijze van [R], is overdracht van auteursrechten alleen aan de orde (geweest) bij die foto’s waarvan [R] het negatief heeft afgegeven. Nu niet betwist wordt dat [eiser] de negatieven bezit van de 25 foto’s waar het hier om gaat en in het negatiefregister niet is aangetekend dat de desbetreffende negatieven zijn afgegeven, moet de uitgever toestemming van [R] hebben verkregen voor gebruik van de desbetreffende foto voor prentbriefkaarten. Dat de uitgevers vervolgens op de prentbriefkaarten hun eigen bedrijfsnaam en/of logo plaatsten en niet (ook) [R]’ naam, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat er sprake is geweest van de in artikel 8 Aw beschreven situatie, waarin een rechtspersoon een werk als van haar afkomstig openbaar maakt. Nog daargelaten of niet reeds het aanbieden van de foto’s onder zijn eigen naam door [R] aan de uitgevers een vorm van openbaarmaking inhield, kan er onder de gegeven omstandigheden niet van worden uitgegaan dat de uitgever, door zich bekend te maken als uitgever van de prentbriefkaart, zich daarmee tegelijkertijd als maker heeft aangeduid en zich daarmee het auteursrecht op de foto heeft toegeëigend, terwijl diezelfde uitgever (op grond van de tekst achterop de foto’s) ermee bekend was dat [R] zich bij iedere foto die hij voor reproductie ter beschikking stelde op zijn auteursrecht beriep. Door onder deze omstandigheden zich (als fictief maker) de auteursrechten toe te eigenen zou onrechtmatig jegens [R] zijn. Uit de omstandigheid dat prentbriefkaarten van dezelfde foto soms met en zonder een naam en/of een logo van een uitgever zijn uitgegeven, blijkt overigens dat de uitgevers niet zoveel waarde hechtten aan de vermelding van hun naam. Dat valt niet te rijmen met de door Erfgoed Leiden opgevoerde uitgever als fictieve maker die zich door de openbaarmaking van het werk als de auteursrechthebbende bekend maakt. Bovendien zijn de uitgevers door [R] ook niet in het bezit van de negatieven gesteld, wat – zeker in een ‘analoge tijd’ waarin het bezit van een werk ook de zeggenschap over dat werk betekende – een duidelijk teken is dat zij niet de auteursrechthebbenden waren. Uit het voorgaande volgt dat het beroep op artikel 8 Aw niet slaagt.

Artikel 8 Aw vereist enkel dat de uitgever de prentbriefkaarten als van haar afkomstig openbaarmaakt. Dat is in casu m.i. het geval. De uitgever hoeft van artikel 8 Aw de prentbriefkaarten niet met zichzelf als maker openbaar te maken.

Geen schadevergoeding voor gebruik foto want geen professionele fotograaf en geen commercieel belang

15-01-2018
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

In deze zaak stonden een stichting en een vereniging tegenover elkaar die beide (hobbymatig) actief zijn op het gebied van het behouden van oude caravans. De stichting had een foto op haar website staan, welke ongevraagd door de vereniging werd overgenomen op haar website. Nadat de stichting hierover klaagde bij de vereniging heeft de vereniging de foto van haar website verwijderd.

De stichting wenstte echter tevens een schadevergoeding wegens het voorval, maar daar had de vereniging weinig oren naar. De stichting liet het er niet bij zitten, stapte naar de rechter en vorderde:

  • een verklaring voor recht dat er inbreuk is gemaakt door de foto op de website te plaatsen
  • een verklaring voor recht dat er inbreuk is gemaakt op de persoonlijkheidsrechten door de naam van de stichting niet bij de foto te vermelden
  • een schadevergoeding ad € 600 wegens voornoemde 2 inbreuken
  • een proceskostenvergoeding ad € 3510 aan proceskosten

De rechter wijst de verklaringen voor recht toe, maar de rest af:

10. De Stichting heeft voor de begroting van haar schade aangeknoopt bij de volgens haar gebruikelijke licentievergoeding en de leveringsvoorwaarden van de Fotografen-Federatie. Gelet op het feit dat de foto niet is gemaakt door een professionele fotograaf en geen commercieel belang is gemoeid met de foto – dat is althans gesteld noch gebleken – kan niet worden ingezien dat het genoemde tarief een redelijke prijs is voor het publiceren van de foto. Gelet verder op de soort foto, de (beperkte) tijd die de foto op de website van CCC heeft gestaan, het feit dat CCC heeft geprobeerd de foto van haar website te verwijderen en het feit dat partijen in onderhavig geding niet zozeer op zakelijk gebied actief zijn, maar clubs (vereniging/stichting) zijn die zich bezig houden met een(zelfde) liefhebberij, wordt geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat De Stichting door de publicatie van de foto op de website van CCC schade heeft geleden. Het gevorderde bedrag wordt dan ook afgewezen.

WOB-verzoek afgewezen door korpschef wegen auteursrecht

De Afdeling oordeelt dat de Wob een beperking op het auteursrecht is.

Geschriftenbescherming (afgeschaft per 2014)

Op grond van de geschriftenbescherming zijn in het verleden beschermd geacht (niet oorspronkelijke of routinematig uitgebrachte) advertenties, prijscouranten, catalogi, theaterprogramma’s, dienstregelingen, gebruiksaanwijzingen en telefoongidsen (vgl. Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, Serie Recht en Praktijk, Deel 42, p. 82 e.v.).

Links

Memorie van Toelichting (pdf)

Auteursrecht op recept?

Kan een recept auteursrechtelijke bescherming genieten? Dat is een (lastige) vraag die teruggaat tot de kern van het auteursrecht.

Wat beschermt het auteursrecht?
Het auteursrecht beschermt werken van letterkunde, wetenschap en kunst. Artikel 10 geeft een reeks voorbeelden van ‘werken’ en voor recepten is vooral lid 1 sub 1 interessant. Dat beschermt; boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en andere geschriften.

Uit de jurisprudentie volgt dat er wel sprake moet zijn van enige creativiteit bij de maker van een werk. (Een uitzondering hierop vormde de in 2014 afgeschafte geschriftenbescherming die ook niet-creatieve geschriften beschermde tegen letterlijke kopieën). In 1991 gaf de Hoge Raad als vereiste voor een werk dat het “een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt”. Ingewijden korten dit af tot EOK & PS. In 2008 heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat onder EOK wordt verstaan dat het werk niet ontleend is aan een ander werk (art. 13). PS “betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest.”

Op het eerste gezicht lijkt er dus weinig in de weg te staan aan auteursrechtelijke bescherming op een nieuw en creatief recept. Na enig rondneuzen lijkt zich echter toch een argument tegen auteursrechtelijke bescherming te worden gevoerd in de literatuur. Een recept zou slechts een niet-creatieve beschrijving zijn van een (eventueel) creatief gerecht. Nou moet ik toegeven dat een regel als “1 eetlepel zout” inderdaad niet erg creatief overkomt. Echter, als men te midden van een standaard appeltaart-recept de zin opneemt “1 eetlepel mosterd”, dan lijkt mij toch een creatieve tekst ontstaan. Wellicht is de afwijzing gebaseerd op de redenering dat het geheel van de tekst alsnog te weinig creatief overkomt.

Indien een recept als een niet-creatief geschrift moeten worden aangemerkt, Hier moet even opgemerkt worden dat niet-persoonlijke geschriften tot 2014 beschermd werden tegen letterlijke 1-op-1 kopieën. Deze geschriftbescherming is echter geschrapt.)

Een ander argument tegen auteursrechtelijke bescherming lijkt te zijn dat recepten in aanmerking kunnen komen voor octrooirechtelijke bescherming. Het wordt dan aan het octrooirecht overgelaten of er al dan niet bescherming wordt geboden. Het auteursrecht dient zich dan volledig afzijdig te houden, dus ook wanneer er geen octrooirechtelijke bescherming (meer) wordt geboden.

Mediaspeler met voorgeïnstalleerde add-ons met hyperlinks naar illegale streams vormt ‘mededeling aan het publiek’

26 april 2017
Hof van Justitie van de Europese Unie – uitspraak

1) Het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1 [InfoSocRl], moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op de verkoop van een mediaspeler als die in het hoofdgeding, waarop vooraf add‑ons zijn geïnstalleerd die op internet beschikbaar zijn en hyperlinks bevatten naar voor het publiek vrij toegankelijke websites waarop auteursrechtrechtelijk beschermde werken zonder toestemming van de rechthebbenden beschikbaar zijn gesteld.

Filmen of fotograferen van mensen in het openbaar

Test

Embedden (inline-linken, framen)

Embedden betekent dat op een webpagina gegevens worden getoond, welke afkomstig zijn van de server van een andere website.

Zo is de navolgende afbeelding van een schoen geëmbed. Deze is afkomstig van (een server van) rechtspraak.nl.

Een afbeelding van een andere website kan worden geëmbed met de volgende html-code:
<img src=”http://www.andere-website.nl/plaatje.jpg” />

Tevens kan een gehele website worden ingesloten met:
<iframe src=”http://www.andere-website.nl”></iframe>

Zeker bij het embedden van afbeeldingen, is het voor de gemiddelde bezoeker nauwelijks waarneembaar dat deze afkomstig is van een andere website. Hierdoor zie ik een groot verschil met de traditionele hyperlink, waarbij men overduidelijk wordt doorgestuurd naar een andere website. Als u bijvoorbeeld hier klikt, gaat u naar rechtspraak.nl.

(om het helemaal complex te maken; men kan van een geëmbedde afbeelding weer een hyperlink maken. Als u op de schoen hierboven klikt, gaat u naar nu.nl.)

Uitspraken en quotes

Hieronder:

  • Rb ‘s-Gravenhage – embedden is openbaarmaken – dec 2012
  • Bundesgerichtshof persbericht – mei 2013
  • Bundesgerichtshof – mei 2013
  • Egeler & Lodder: noot onder Buma/Nederland.fm
  • HvJ EU (Svensson) – feb 2014
  • HvJ EU: Conclusie Advocaat Generaal bij Geenstijl vs. Sanoma, Playboy – apr 2016
  • HvJ EU (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – sep 2016
  • Dirk Visser over Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker – 8 sep 2016
  • Rb. Amsterdam (7-2018) – embedden plasfilmpje Paay is onrechtmatig

19 december 2012
Rechtbank ‘s-Gravenhage (Nederland.fm) – boek9

Embedden is openbaarmaken

4.3 (…) Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of gedaagde (mede)verantwoordelijk is voor die openbaarmaking in de situatie dat de browser van de gebruiker, na het klikken op een hyperlink op zijn radioportals, de radiostream rechtsreeks ophaalt bij de mediaservers van de radiostations. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord omdat gedaagde zijn website zo heeft ingericht daar de gelinkt radiostreams worden beluisterd in het kader van zijn websites.

4.5. (…) De websites van Souren zijn namelijk andere audiovisuele producten dan de websites van de radiostations. Zij hebben daarom een ander publiek. Daarbij staat vast dat Buma/Stemra niet de bezoekers van de websites van Souren voor ogen heeft gehad, toen zij toestemming verleende voor de openbaarmaking van de muziekwerken door de radiostations. Buma/Stemra heeft uitdrukkelijk aangevoerd dat de licentie die zij de radiostations heeft verleend, geen toestemming inhoudt voor gebruik van de radiostreams in het kader van de websites van derden.

4.6. Dat gedaagde de radiostreams presenteert in het kader van zijn eigen websites is auteursrechtelijk relevant omdat hij op die manier de mogelijkheid schept om zelf profijt te trekken uit de radiostreams en de daarin opgenomen muziekwerken. In feite eigent gedaagde zich door zijn handelswijze de mogelijkheid toe om de muziekwerken te exploiteren. Gedaagde maakt ook gebruik van die mogelijkheid. Op de homepage van zijn websites worden namelijk advertenties gepresenteerd. Vanwege de genoemde inrichting van zijn websites, blijven die advertenties zichtbaar tijdens het afspelen van de radiostreams. Aldus genereert gedaagde inkomsten mede met de auteursrechtelijk beschermde muziekwerken van de bij Buma Stemra aangesloten partijen.


16 mei 2013
Duitsland Bundesgerichtshof (Die Realität) – bundesgerichtshof.de persbericht (pdf)

Embedden is geen openbaarmaking, toch even navragen bij het Europese Hof

Das Berufungsgericht hat zwar – so der Bundesgerichtshof – mit Recht angenommen, dass die bloße Verknüpfung eines auf einer fremden Internetseite bereitgehaltenen Werkes mit der eigenen Internetseite im Wege des „Framing“ grundsätzlich kein öffentliches Zugänglichmachen im Sinne des § 19a UrhG darstellt, weil allein der Inhaber der fremden Internetseite darüber entscheidet, ob das auf seiner Internetseite bereitgehaltene Werk der Öffentlichkeit zugänglich bleibt. Eine solche Verknüpfung könnte jedoch bei einer im Blick auf Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG zur Harmonisierung bestimmter Aspekte des Urheberrechts und der verwandten Schutzrechte in der Informationsgesellschaft gebotenen richtlinienkonformen Auslegung des § 15 Abs. 2 UrhG ein unbenanntes Verwertungsrecht der öffentlichen Wiedergabe verletzen. Der Bundesgerichtshof hat dem Gerichtshof der Europäischen Union daher die – auch unter Berücksichtigung der Rechtsprechung des Gerichtshofs nicht zweifelsfrei zu beantwortende – Frage vorgelegt, ob bei der hier in Rede stehenden Einbettung eines auf einer fremden Internetseite öffentlich zugänglich gemachten fremden Werkes in eine eigene Internetseite eine öffentliche Wiedergabe im Sinne des Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG vorliegt.


16 mei 2013
Duitsland – Bundesgerichtshof (Die Realität) bundesgerichtshof.de (pdf)

Embedden is geen openbaarmaking krachtens art. 19a UrhG (auteurswet), maar eventueel wel krachtens het algemene art. 15 UrhG in het licht van art. 3, lid 1 Richtlijn 2001/29/EG. Prejudiciële vragen aan het Europese Hof.

Het BGH oordeelt dat embedden naar vaste rechtspraak geen ‘openlijk toegankelijkmaken’ in de zin van artikel 19a UrhG oplevert:

7. 2. Das Berufungsgericht hat zutreffend angenommen, dass die Wiedergabe des in Rede stehenden Films auf der Internetseite der Beklagten im Wege des „Framing“ nach der Rechtsprechung des Senats kein öffentliches Zugänglichmachen im Sinne des § 19a UrhG darstellt.

Dat artikel vereist naar vaste rechtspraak dat (aan) derden de toegang tot het werk geopend wordt, dat zich in de macht van de inbreukmaker bevindt:

8. Die Vorschrift des § 19a UrhG, die Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG ins nationale Recht umsetzt, erfordert nach der Rechtsprechung des Senats, dass Dritten der Zugriff auf ein urheberrechtlich geschütztes Werk eröffnet wird, das sich in der Zugriffssphäre des Vorhaltenden befindet (vgl. BGH, Urteil vom 22. April 2009 – I ZR 216/06, GRUR 2009, 845 Rn. 27 = WRP 2009, 1001 – Internet-Videorecorder I; Urteil vom 20. Mai 2009 – I ZR 239/06, GRUR 2009, 864 Rn. 16 = WRP 2009, 1143 – CAD-Software; Urteil vom 29. April 2010 – I ZR 69/08, GRUR 2010, 628 Rn. 19 = WRP 2010, 916 – Vorschaubilder I; Urteil vom 29. April 2010 – I ZR 39/08, GRUR 2011, 56 Rn. 23 = WRP 2011, 88 – Session-ID).

Embedden levert geen ‘openlijk toegankelijkmaken’ op, aangezien alleen de houder van de bron-website erover beslist, of het werk voor de openbaarheid toegankelijk blijft.

9. Die bloße Verknüpfung eines auf einer fremden Internetseite bereitgehaltenen Werkes mit der eigenen Internetseite im Wege des „Framing“ stellt danach grundsätzlich kein öffentliches Zugänglichmachen dar, weil allein der Inhaber der fremden Internetseite darüber entscheidet, ob das auf seiner Internetseite bereitgehaltene Werk für die Öffentlichkeit zugänglich bleibt. Entgegen der Ansicht der Revision kommt es insoweit nicht darauf an, ob die Beklagten sich den Film durch Einbettung in ihre Webseiten zu eigen gemacht haben. Das Recht des öffentlichen Zugänglichmachens wird nicht verletzt, wenn der für einen Internetauftritt Verantwortliche nur den – tatsächlich unzutreffenden – Eindruck erweckt, er halte selbst das Werk zum Abruf bereit. Der Tatbestand einer urheberrechtlichen Nutzungshandlung wird allein durch die Vornahme der Nutzungshandlung erfüllt und nicht dadurch, dass deren Merkmale vorgetäuscht werden (vgl. OLG Köln, GRUR-RR 2013, 49 f.; v. Ungern-Sternberg in Schricker/Loewenheim, Urheberrecht, 4. Aufl., § 19a UrhG Rn. 46; Bullinger in Wandtke/Bullinger, Urheberrecht, 3. Aufl., § 19a UrhG Rn. 29; Ott, ZUM 2004, 357, 363 f.; ders., MMR 2007, 260, 263 f.; ders., ZUM 2008, 556, 559; Conrad, CR 2013, 305, 314; vgl. auch OLG Köln, MMR 2012, 552; aA OLG Düsseldorf, ZUM 2012, 327, 328; LG München I, ZUM 2007, 224, 225 ff.; ZUM 2013, 230, 234 f.; Schulze, ZUM 2011, 2, 10; Reinemann/Remmertz, ZUM 2012, 216, 222 f. und 226; vgl. auch v. Lewinski/Walter in Walter/v. Lewinski, European Copyright Law, 2010, Rn. 11.3.35).

Wel zou de weergave van het werk via het embedden volgens het BGH een onbenoemd exploitatierecht van ‘openlijke weergave’ kunnen schaden krachtens art. 15 lid 2 UrhG, wanneer dit artikel richtlijnconform wordt uitgelegd.

10 3. Die Wiedergabe des Films auf der Internetseite der Beklagten im Wege des „Framing“ könnte jedoch bei einer im Blick auf Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG gebotenen richtlinienkonformen Auslegung des § 15 Abs. 2 UrhG ein unbenanntes Verwertungsrecht der öffentlichen Wiedergabe verletzen (Ott, Urheber- und wettbewerbsrechtliche Probleme von Linking und Framing, 2004, S. 330 ff.; ders., ZUM 2004, 357, 364; ders., MMR 2007, 260, 264 f.; ders., ZUM 2008, 556, 560; aA v. Ungern-Sternberg in Schricker/Loewenheim aaO § 15 UrhG Rn. 27; vgl. auch Schulze in Dreier/Schulze, UrhG, 4. Aufl., § 16 Rn. 14; Dustmann in Fromm/Nordemann, Urheberrecht, 10. Aufl., § 16 UrhG Rn. 30; zur praktischen Relevanz des Problems siehe Ullrich, ZUM 2010, 853 ff.; zur Rechtslage im US-amerikanischen Recht vgl. Lunardi, 19 Fordham Intellectual Property Media & Entertainment Law Journal 1077 ff.).

Artikel 15, lid 2, onder 1 UhrG is het – niet-limitatieve – kapstokartikel omtrent openbaarmaking in het Duitse recht.

11. a) Gemäß § 15 Abs. 2 Satz 1 UrhG hat der Urheber das ausschließliche Recht, sein Werk in unkörperlicher Form öffentlich wiederzugeben (Recht der öffentlichen Wiedergabe). Dieses Recht umfasst nach § 15 Abs. 2 Satz 2 UrhG insbesondere das Vortrags-, Aufführungs- und Vorführungsrecht (§ 19 UrhG), das Recht der öffentlichen Zugänglichmachung (§ 19a UrhG), das Senderecht (§ 20 UrhG), das Recht der Wiedergabe durch Bild- oder Tonträger (§ 21 UrhG) sowie das Recht der Wiedergabe von Funksendungen und der öffentlichen Zugänglichmachung (§ 22 UrhG). Die Vorschrift des § 15 Abs. 2 UrhG enthält keine abschließende, sondern eine beispielhafte („insbesondere“) Aufzählung der dem Urheber vorbehaltenen Verwertungsrechte und lässt daher die Anerken-nung unbenannter Verwertungsrechte der öffentlichen Wiedergabe zu (vgl. BGH, Urteil vom 17. Juli 2003 – I ZR 259/00, BGHZ 156, 1, 13 = GRUR 2003, 958 – Paperboy; v. Ungern-Sternberg in Schricker/Loewenheim aaO § 19a UrhG Rn. 22).


mei 2013
Egeler & Lodder: noot onder Buma/Nederland.fm – pdf

In dit stuk wordt m.i. te weinig onderscheid gemaakt tussen traditioneel hyperlinken en embedden.


13 februari 2014
Hof van Justitie EU (Svensson) uitspraak

Het Hof oordeelt dat een link weliswaar een mededeling is, maar doorgaans geen ‘nieuw publiek’ bereikt. Wanneer men iets (openbaar) op het internet plaatst worden immers potentieel reeds alle internetters bereikt.

Dan zegt het Hof iets over embedden:

Deze vaststelling wordt niet op losse schroeven gezet indien de verwijzende rechter zou vaststellen – hetgeen niet duidelijk blijkt uit het dossier – dat wanneer de internetgebruikers op de betrokken link klikken, het werk verschijnt en daarbij de indruk wordt gewekt dat het wordt getoond op de website waar de link zich bevindt, terwijl dit werk in werkelijkheid afkomstig is van een andere website.

De zinsnede “de indruk wordt gewekt dat het wordt getoond op de website” in slecht geformuleerd. Iets wordt getoond, of iets wordt niet getoond. Bedoeld wordt dat de indruk wordt gewekt dat het werk afkomstig is van dezelfde site/server waarop zich de link bevindt. Dit is het geval bij Nederland.fm.

Deze bijkomende omstandigheid wijzigt immers niets aan de vaststelling dat het plaatsen op een website van een aanklikbare link naar een beschermd werk dat op een andere website is bekendgemaakt en vrij toegankelijk is, tot gevolg heeft dat dit werk ter beschikking van de gebruikers van eerstgenoemde website wordt gesteld en dus een mededeling aan het publiek vormt. Aangezien het niet gaat om een nieuw publiek, is evenwel in elk geval de toestemming van de houders van het auteursrecht niet vereist voor een dergelijke mededeling aan het publiek.

Het is natuurlijk een ander verhaal wanneer beperkingsmaatregelen worden omzeild.

Indien daarentegen een aanklikbare link de gebruikers van de website waarop deze link zich bevindt, in staat stelt om beperkingsmaatregelen te omzeilen die op de website waar het beschermde werk zich bevindt zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, en aldus een interventie vormt zonder welke die gebruikers niet zouden kunnen beschikken over de verspreide werken, dienen al deze gebruikers te worden beschouwd als een nieuw publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen deze toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling, zodat de toestemming van de houders vereist is voor een dergelijke mededeling aan het publiek. Dit is met name het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is voor het publiek op de website waarop het oorspronkelijk werd medegedeeld of wanneer het thans op die website enkel beschikbaar is voor een beperkt publiek, terwijl het op een andere website toegankelijk is zonder toestemming van de houders van het auteursrecht.

Ik vraag mij af of een beveiligingsmaatregelen welke door een eenvoudige link omzeild kunnen worden, wel de titel ‘beveiligingsmaatregelen’ mogen dragen.


8 september 2016
Dirk Visser – pdf


september 2016
Hof van Justitie EU (Geenstijl (van Sanoma) vs. Playboy & Britt Dekker) – uitspraak

Wat was de casus ook al weer? Een onbekende had op filefactory.com een bestand geplaatst met daarin de nog-niet-gepubliceerde naaktfoto’s van Britt Dekker.
Hof introduceert het element van winstoogmerk om uit te maken of een link een ‘mededeling aan het publiek’ oplevert.


25-7-2018
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

GS Media heeft 1,5 uur op geenstijl.nl een plasseksfilmpje geëmbed dat door iemand op twitter was geplaatst. Onrechtmatige daad want faciliterende en aanjagende rol (mede wegens groot bereik). “Dat het materiaal door de gemiddelde internetter mogelijk ook zelf op eenvoudige wijze gevonden had kunnen worden maakt dit niet anders, al was het maar omdat niet gezegd is dat iedere al dan niet terloopse bezoeker van Geen Stijl.nl ook actief naar dit soort materiaal op zoek zou zijn gegaan. En zelfs als dat wél zo zou zijn — de vraag waarom dan nog linken dringt zich overigens op — dan is ook daarmee nog niet gegeven dat het plaatsen van een link naar een filmpje als hier aan de orde niet onrechtmatig kan zijn.”

Maar journalistieke vrijheid is daar waar die de belangen van anderen raakt niet onbegrensd, ook niet als een embedded hyperlink raakt aan een “discussie” (beter hier: aanwezige ophef) die in de publieke belangstelling staat (het zogenoemde “debate of general interest”). Nu GSMedia c.s. op werkelijk geen enkele manier de rechtbank heeft kunnen overtuigen dat het aan de kaak stellen van de gewraakte hypocrisie – bij anderen(!) – óók het plaatsen van de embedded hyperlink naar het filmpje met [eiseres] rechtvaardigde, in die zin dat de belangen van [eiseres] daarvoor moesten wijken, is daarmee in dit geding komen vast te staan dat GSMedia c.s. op ontoelaatbare wijze een grens heeft overschreden. Dat [eiseres] een bekend persoon is, en mogelijk in het verleden in de openbaarheid in meer of mindere mate (seksueel) vrijgevochten gedrag heeft vertoond, maakt dit niet anders. Het is nog steeds aan haar zelf of en zo ja, in welke mate, zij haar intieme privésfeer – waarvan hier onbetwist sprake is – wil delen met het publiek, ook als zij die zelf laat filmen en zij mogelijk zelf betrokken is bij verspreiding in eigen gekozen – en dus beperkte – kring.

Links, (hyperlinks, deeplinks)

Wat is een link?

Een link (hyperlink, deeplink) is een verwijzing naar pagina of bestand op het internet. In html kan deze gemaakt worden met de volgende code:

<a href=”http://www.voorbeeld.nl”>klik hier</a>.

Juridisch interessant zijn vooral de links die verwijzen naar een webpagina/bestand op een ándere website/server. (Knoppen waarmee men binnen een website kan navigeren zijn ook links).

Een vórm van linken is het embedden (framen, inline linken). Hierbij worden er gegevens van een andere website, direct op de eigen website getoond. Die gegevens lijken onderdeel te zijn van de éigen website. Voor het leeuwendeel van het internetpubliek is het nauwelijks waarneembaar dat die gegevens van elders komen. Vanwege dit m.i. afwijkende karakter t.o.v. de traditionele link, behandel ik deze vorm van ‘linken’ apart op mijn pagina over embedden.

Juridische kwalificatie

Links raken twee vormen van recht, te weten het auteursrecht en het vangnet uit het commune recht; de onrechtmatige daad.

Auteursrecht

Het auteursrecht geeft de rechthebbende het exclusieve recht zijn werk te verveelvoudigen en/of openbaar te maken.

Verveelvoudiging

In de praktijk is een link nooit een verveelvoudiging. Een link is zélf namelijk nooit een kopie van een werk. Een link is ‘slechts’ een verwíjzing naar een pagina/bestand die op zíjn beurt een werk kan bevatten.

Openbaarmaking

Het plaatsen van een beschermde tekst of afbeelding op een webpagina levert een auteursrechtelijke openbaarmaking op. Ook het plaatsen van een bestand (met daarin een beschermd werk) op een server levert een openbaarmaking op. Of het línken naar andermans webpagina, afbeelding of (ander) bestand een openbaarmaking kan opleveren, staat ter discussie.

In het Europese recht wordt i.p.v. ‘openbaarmaking’ gewerkt met het begrip ‘mededeling aan het publiek’. Mocht iets reeds op het internet staan, dan levert een link daarnaartoe volgens het Europese Hof slechts een auteursrechtinbreuk op, indien met die link een nieuw publiek wordt bereikt. Het begrip ‘nieuw publiek’ kan objectief en subjectief worden ingevuld.

In de objectieve leer is de feitelijke toegankelijkheid doorslaggevend. Wanneer men iets op het internet zet kan het gehele internetpubliek daar bij. Hierdoor zal een línk náár zoiets nimmer een ‘nieuw’ publiek kunnen bereiken.

In de subjectieve leer is doorslaggevend voor welk publiek toestemming is verleend door de rechthebbende. Begin 2014 koos het Europese Hof in Svensson voor deze leer. Autoriteit Dirk Visser voorspelde dat het Europese Hof deze leer zou hanteren:

[…] Het gaat om de vraag voor welk publiek toestemming was gegeven. Als iets met toestemming feitelijk voor iedereen toegankelijk op internet staat, dan wordt met hyperlinken geen nieuw publiek bereikt. Als het er zonder toestemming staat wordt er door hyperlinken wél een nieuw publiek bereikt. […]

Toepassing van deze leer leidt tot de volgende consequentie(s).

Stel iemand registreert www.playboy-fotos-britt-dekker.ru en plaatst daar (zónder toestemming van de rechthebbende) Playboy foto’s. Deze laat de website voorts indexeren door Google. De website wordt al snel goed gevonden in Google en scoort hoog. Volgens de subjectieve leer is het dan zo dat bijvoorbeeld nu.nl tóch een inbreukmakende mededeling/openbaarmaking doet, wanneer een link wordt opgenomen die verwijst naar de website.

Deze uitkomst klinkt natuurlijk als muziek in de oren voor gedupeerde rechthebbenden en correspondeert met het hoge beschermingsniveau van de Auteursrechtrichtlijn. Wél wordt met deze invulling een behoorlijke afstand genomen van hetgeen men normaal gesproken verstaat onder woorden zoals ‘openbaarmaken’ en ‘een mededeling aan een (nieuw) publiek’.

Onrechtmatige daad

Een link kan een onrechtmatige daad opleveren, bijvoorbeeld wanneer auteursrechtinbreuk wordt gefaciliteerd. Dit was het geval bij de wiskunde-leraar die op z’n site links naar uitwerkingen verzamelde (welke inbreuk maakten op de auteursrechten van Noordhoff). M.i. is dít de weg om links naar evident inbreukmakend materiaal aan te pakken.

Uitspraken en quotes

Hieronder vindt u relevante passages uit gerechtelijke uitspraken over dit onderwerp (in omgekeerde chronologische volgorde).

  • Dirk Visser over: HvJ EU (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – 13 sep 2016
  • HvJ EU (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – 8 sep 2016
  • HvJ EU Conclusie AG (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – 6 okt 2015
  • Hof Den Bosch (MyP2P) – jun 2015
  • Hoge Raad (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – apr 2015
  • HvJ EU (Bestwater) – okt 2014
  • Hof Amsterdam (News Service Europe vs. BREIN) – aug 2014
  • HvJ EU (Svensson) – feb 2014
  • Hof Amsterdam (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – nov 2013
  • Hof Amsterdam (leraar met links naar uitwerkingen) – jan 2013
  • European Copyright Society over ‘Svensson’ – jan 2013
  • Rechtbank Amsterdam (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – sep 2012
  • Rechtbank Leeuwarden (Batavus/Bikemotion, link is geen verveelvoudiging) – 2003
  • Bundesgerichtshof (Paperboy) – 2003
  • Hoge Raad (El Cheapo) – 2002
  • Deense High Court (Link is openbaarmaking) – 2001
  • Rechtbank Rotterdam (Kranten.com, link is geen verveelvoudiging) – 2000

13 september 2016
Dirk Visser over: Hof van Justitie EU (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – ie-forum

Visser markeert als belangrijkste dat het HvJ EU ‘kennis van illegaliteit’ van het gelinkte introduceert om te bepalen of sprake is van ‘een mededeling aan het publiek’.

8 september 2016
Hof van Justitie EU (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – uitspraak

Link-plaatsers met een winstoogmerk zullen eerder (moeten) onderzoeken of iets illegaal op internet staat.

6 oktober 2015
Hof van Justitie EU – Conclusie AG (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – uitspraak

Geen auteursrechtelijke relevante handeling want geen ‘mededeling’ en tevens onvoldoende duidelijk dat ‘nieuw publiek’ wordt bereikt.

54 […] maar ik meen dat de hyperlinks die leiden naar beschermde werken – zelfs als zij direct zijn – deze niet „beschikbaar stellen” aan een publiek wanneer zij al vrij toegankelijk zijn op een andere site, maar het vinden ervan louter faciliteren.

55. HvJ EU in Football Association Premier League nadruk gelegd op feit dat werk niet toegankelijk zu zijn voor gasten hotel zonder tussenkomst hotel om signaal aan tebieden middel tv-toestellen.

56. […] HvJ EU oordeelde in Footbal Assiciation Prem League dat eigenaar van een horecagelegenheid een „mededeling aan het publiek” verricht wanneer hij de in die horecagelegenheid aanwezige klanten bewust toegang tot een uitzending biedt die beschermde werken bevat, door middel van een televisiescherm en luidsprekers „waarbij die klanten zonder tussenkomst van die eigenaar niet van de uitgezonden werken kunnen genieten, ook al bevinden zij zich fysiek in het ontvangstgebied van die uitzending.

57. Daaruit volgt dat de interventie van de persoon die hyperlinks plaatst, voor de kwalificatie als handeling bestaande in een mededeling onontbeerlijk of cruciaal [vetmaking; mr. R. Hak] moet zijn om te profiteren of genieten van de werken.

Hyperlinks zien op alle potentiële gebruikers van de site, dus op onbepaald, vrij groot aantal potentiële ontvangers, dus op publiek.

Svensson eist echter een ‘nieuw’ publiek indien reeds toestemming bestaat aan het publiek. Die toestemming ontbreekt in casu, dus geen ‘nieuw publiek’.

70. Ingeval de foto’s voor alle internetgebruikers vrij beschikbaar waren op andere sites, was een dergelijke interventie van GS Media niet onontbeerlijk voor de beschikbaarstelling. Er was dus geen „nieuw publiek” en de vraag of de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor de oorspronkelijke mededeling rijst niet.

30 juni 2015
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (MyP2P vs. Premier League c.s.) – uitspraak

In deze zaak kon men op de website van MyP2P links vinden naar illegaal aangeboden digitale streams van beeldverslagen van sportwedstrijden. Bij het klikken op de link werd een apart scherm getoond met een andere URL dan die van MyP2P.

3 april 2015
Hoge Raad (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – uitspraak

Inzake de link naar Filefactory waar de foto’s stonden stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen.

1.a Is sprake van een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van art. 3 lid 1 van Richtlijn 2001/29 wanneer een ander dan de auteursrechthebbende door middel van een hyperlink op een door hem beheerde website verwijst naar een door een derde beheerde, voor het algemene internetpubliek toegankelijke website, waarop het werk zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar is gesteld?

1.b Maakt het daarbij verschil of het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

1.c Is van belang of de ‘hyperlinker’ op de hoogte is of behoort te zijn van het ontbreken van toestemming van de rechthebbende voor de plaatsing van het werk op de bij 1.a genoemde website van de derde en, in voorkomend geval, van de omstandigheid dat het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

2.a Indien het antwoord op vraag 1.a ontkennend luidt: is in dat geval wél sprake van een mededeling aan het publiek, of kan daarvan sprake zijn, indien de website waarnaar de hyperlink verwijst, en daarmee het werk, voor het algemene internetpubliek weliswaar vindbaar is, maar niet eenvoudig, zodat het plaatsen van de hyperlink het vinden van het werk in hoge mate faciliteert?

2.b Is bij de beantwoording van vraag 2.a van belang of de ‘hyperlinker’ op de hoogte is of behoort te zijn van de omstandigheid dat de website waarnaar de hyperlink verwijst voor het algemene internetpubliek niet eenvoudig vindbaar is?

3. Zijn er andere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij beantwoording van de vraag of sprake is van een mededeling aan het publiek indien door middel van een hyperlink toegang wordt verschaft tot een werk dat niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

21 oktober 2014
Hof van Justitie EU (Bestwater) – uitspraak

Beschikking en geen arrest, hetgeen waarvoor het Hof kiest als zij van oordeel is dat de vraag eenvoudig te beantwoorden is.

Door de koppeling van de film met hun internetsite verweiden de beklaagden de kring van potentiele geadresseerden niet.

Durch die Verknüpfung des Films mit ihrer Internetseite erweitern die Beklagten den Kreis der potentiellen Adressaten nicht.

Antwoord Hof:

De embedding van een op een website openlijk toegankelijk beschermd werk in een andere website middels een link onder gebruikmaking van de framing-techniek, hetgeen

Die Einbettung eines auf einer Website öffentlich zugänglichen geschützten Werkes in eine andere Website mittels eines Links unter Verwendung der Framing-Technik, wie sie im Ausgangsverfahren in Frage steht, allein stellt keine öffentliche Wiedergabe im Sinne von Art. 3 Abs. 1 der Richtlinien 2001/29/EG (…) dar, soweit das betreffende Werk weder für ein neues Publikum noch nach einem speziellen technischen Verfahren wiedergegeben wird, das sich von demjenigen der ursprünglichen Wiedergabe unterscheidet.

19 augustus 2014
Hof Amsterdam (News Service Europe vs. BREIN) – Online op Scridb – Pdf op Bureau Brandeis

Een tussenpersoon is niet aansprakelijk voor (auteursrecht)inbreuken door gebruikers. Hierdoor hoeft deze niet preventief te filteren. Wel dient deze een notice-and-takedown procedure te bieden.

13 februari 2014
Hof van Justitie EU (Svensson) – uitspraak

Plaatsen link is ‘mededeling’.

16. “Mededeling aan het publiek” verbindt twee cumulatieve elementen; “handeling bestaande in een mededeling” van een werk en de mededeling ervan aan een „publiek” (ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, pt. 21 en 31). Die eerste moet ruim worden opgevat wegens hoog beschermingsniveau (pt. 17).

Dienaangaande vloeit uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 voort dat elke handeling bestaande in een mededeling van een werk aan het publiek moet worden toegestaan door de houder van het auteursrecht.

16 Aldus volgt uit deze bepaling dat het begrip mededeling aan het publiek twee cumulatieve elementen met elkaar verbindt, te weten een „handeling bestaande in een mededeling” van een werk en de mededeling ervan aan een „publiek” (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, punten 21 en 31).

17 Het eerste van deze elementen, te weten het bestaan van een „handeling bestaande in een mededeling”, moet ruim worden opgevat (zie in die zin arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, Jurispr. blz. I‑9083, punt 193) teneinde – zoals met name voortvloeit uit de punten 4 en 9 van de considerans van richtlijn 2001/29 – een hoog beschermingsniveau te waarborgen aan de houders van een auteursrecht.

18 In casu dient erop te worden gewezen dat door het plaatsen op een website van aanklikbare links naar beschermde werken die zonder enige toegangsbeperking op een andere website zijn gepubliceerd, de gebruikers van eerstgenoemde website een directe toegang tot die werken wordt geboden.

19 Zoals volgt uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 is er met name reeds van een „handeling bestaande in een mededeling” sprake wanneer een werk op zodanige wijze voor het publiek beschikbaar wordt gesteld dat het voor de leden van dit publiek toegankelijk is, zonder dat van beslissend belang is of zij gebruikmaken van die mogelijkheid (zie naar analogie arrest van 7 december 2006, SGAE, C‑306/05, Jurispr. blz. I‑11519, punt 43).

20 Hieruit volgt dat, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, het plaatsen van aanklikbare links naar beschermde werken moet worden aangemerkt als een „beschikbaarstelling” en derhalve als een „handeling bestaande in een mededeling” in de zin van die bepaling.

21 Wat het tweede van bovengenoemde elementen betreft, te weten dat het beschermde werk daadwerkelijk aan een „publiek” moet zijn medegedeeld, vloeit uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 voort dat het begrip „publiek” waarnaar deze bepaling verwijst, op een onbepaald aantal potentiële ontvangers ziet en overigens een vrij groot aantal personen impliceert (reeds aangehaalde arresten SGAE, punten 37 en 38, en ITV Broadcasting e.a., punt 32).

22 Een handeling bestaande in een mededeling zoals die welke door een websitebeheerder wordt verricht via aanklikbare links, ziet op alle potentiële gebruikers van de door deze persoon beheerde website, en dus op een onbepaald en vrij groot aantal ontvangers.

23 In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat die beheerder een mededeling aan een publiek verricht.

24. Evenwel blijkt uit vaste rechtspraak dat een mededeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die dezelfde werken als de oorspronkelijke mededeling betreft en net als de oorspronkelijke mededeling via internet en dus op dezelfde technische wijze werd verricht, slechts onder het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 valt wanneer deze mededeling gericht is tot een nieuw publiek, te weten een publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling aan het publiek (zie naar analogie arrest SGAE, reeds aangehaald, punten 40 en 42; beschikking van 18 maart 2010, Organismos Sillogikis Diacheirisis Dimiourgon Theatrikon kai Optikoakoustikon Ergon, C‑136/09, punt 38, en arrest ITV Broadcasting e.a., reeds aangehaald, punt 39).

In casu dient te worden vastgesteld dat de beschikbaarstelling van de betrokken werken via een aanklikbare link zoals in het hoofdgeding niet leidt tot een mededeling van de betrokken werken aan een nieuw publiek.

Er wordt (natuurlijk) wél een nieuw publiek bereikt wanneer de link een beveiliging omzeilt (zoals een inlog). Dit slaat m.i. echter niet op deeplinks, welke ook zonder inlog (wellicht onbedoeld) online zijn te raadplegen. Het is m.i. niet zo dat men enkel naar de home-page van andere websites mag verwijzen.

Indien daarentegen een aanklikbare link de gebruikers van de website waarop deze link zich bevindt, in staat stelt om beperkingsmaatregelen te omzeilen die op de website waar het beschermde werk zich bevindt zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, en aldus een interventie vormt zonder welke die gebruikers niet zouden kunnen beschikken over de verspreide werken, dienen al deze gebruikers te worden beschouwd als een nieuw publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen deze toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling, zodat de toestemming van de houders vereist is voor een dergelijke mededeling aan het publiek. Dit is met name het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is voor het publiek op de website waarop het oorspronkelijk werd medegedeeld of wanneer het thans op die website enkel beschikbaar is voor een beperkt publiek, terwijl het op een andere website toegankelijk is zonder toestemming van de houders van het auteursrecht.

19 november 2013
Hof Amsterdam (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – uitspraak

2.4.4 Het hof neemt tot uitgangspunt dat het internet in zijn huidige vorm een vrij, open en voor een ieder toegankelijk communicatienetwerk is. Degene die een werk op internet plaatst zodanig dat dit toegankelijk is voor het publiek (en daardoor mededeling doet aan het publiek in de zin van de Auteursrechtrichtlijn), is degene die dit werk ter beschikking stelt van het publiek en dus openbaart. Verwijzing met een hyperlink naar een aldus op een andere locatie openbaar gemaakt werk is niet veel anders dan met een voetnoot in een boek of tijdschriftartikel verwijzen naar een reeds gepubliceerd ander werk. Een zelfstandige manier van openbaar maken of van interventie daarbij is het geven van een hyperlink in dat geval in beginsel niet.

29 oktober 2013
Hof ‘s-Gravenhage (tussenarrest) – uitspraak – nu.nl

Edskes uploadde toch zelf bestanden en loog onder ede.

1.6. Op 15 februari 2010 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage een ex parte beschikking afgegeven waarin hij oordeelt dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat Edskes Real Alternative aanbiedt, dat Real Alternative verveelvoudigingen bevat van software waarop auteursrechten van Real Networks rusten en dat Edskes door het aanbieden van Real Alternative inbreuk maakt op de auteursrechten van Real Networks, De voorzieningenrechter heeft Edskes bevolen de openbaarmaking van Real Alternative te staken op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts heeft hij Real Networks verlof verleend om conservatoir bewijsbeslag te leggen op alle schriftelijke en elektronische documenten waaruit de omvang van de inbreuk blijkt. Bepaald is dat de deurwaarder de beslagen documenten in gerechtelijke bewaring zal geven aan de aangewezen gerechtelijke bewaarder Digijuris.

15 januari 2013
Hof Amsterdam (leraar met links naar uitwerkingen op site) – uitspraak – forumpost van wiskundeleraar

Een hyperlink is geen openbaarmaking, maar in casu wel onrechtmatig

2.8 […] Nu niet vast staat dat [ Appellant ] de uitwerkingen zelf op internet heeft gezet en het evenmin door middel van bijzondere technische faciliteiten mogelijk maakte dat derden kennis konden nemen van de uitwerkingen maar slechts door een eenvoudige hyperlink de weg daarnaar wees, kan dit niet worden aangemerkt als openbaar maken in de zin van artikel 12 Aw. Volgens [ Appellant ] is het downloaden uit illegale bron toegestaan, zodat het faciliteren daarvan evenmin onrechtmatig is. Deze stelling van [ Appellant ] kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. De door [ Appellant ] geplaatste hyperlinks maken het voor derden mogelijk of in ieder geval veel eenvoudiger enthousiaste reacties in het gastenboek op de website van [ Appellant ] getuigen daarvan om de illegaal op het internet geopenbaarde uitwerkingen te vinden. [ Appellant ] heeft niet weten te concretiseren dat de uitwerkingen ook via zoekprogramma’s of andere links bereikbaar zijn, zodat het hof aan dat verweer, wat daar verder van zij, voorbij gaat. Dat [ Appellant ] door het plaatsen van de hyperlinks derden (in vergaande mate) behulpzaam is, is in dit geval in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt te achten. […]

januari 2013
European Copyright ‘Society’ over linken.
pdf op scribd.com

18 september 2012
Zweden – Gerechtshof (Svea hovrätt)

1) Is sprake van een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn [2001/29] wanneer iemand anders dan de houder van het auteursrecht op een bepaald werk, op zijn website een aanklikbare link plaatst naar het werk?
2) Is het voor het antwoord op de eerste vraag relevant of het werk waarnaar de link verwijst, is geplaatst op een website waartoe iedereen zonder beperkingen toegang heeft dan wel of de toegang op enige wijze is beperkt?
3) Moet bij de beantwoording van de eerste vraag onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin het werk, nadat de gebruiker op de link heeft geklikt, wordt getoond op een andere website, en gevallen waarin het werk, nadat de gebruiker op de link heeft geklikt, aldus wordt getoond dat de indruk wordt gewekt dat het op dezelfde website verschijnt?
4) Kan een lidstaat een ruimere bescherming bieden aan het uitsluitende recht van auteurs door onder het begrip ‚mededeling aan het publiek’ een groter aantal handelingen te verstaan dan die welke zijn genoemd in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29?

12 september 2012
Rechtbank Amsterdam (Geenstijl (van Sanoma) vs. Playboy & Britt Dekker) – uitspraak – boek9 – VERNIETIGD

Een hyperlink is geen openbaarmaking tenzij…

4.11 Het plaatsen van een hyperlink, die verwijst naar de locatie op het internet waar een bepaald werk voor publiek toegankelijk is gemaakt, is in beginsel geen zelfstandige openbaarmaking. De feitelijke terbeschikkingstelling aan het publiek vindt plaats op de website waar de hyperlink naar verwijst.

[…]

4.14. Bij het begrip ‘mededeling aan het publiek’ (artikel 3 van de Auteursrechtrichtlijn), moet het gaan om bereik van een ander publiek dan het door de oorspronkelijke mededeling van het werk beoogde publiek, in feite dus een nieuw publiek. De rechtbank oordeelt dat GeenStijl de fotoreportage heeft ontsloten voor een nieuw publiek, te weten de gemiddeld 230.000 dagelijkse bezoekers van haar website. Er was nog geen, hooguit een zeer klein, publiek dat kennis had genomen van de fotoreportage, aangezien deze op een paar foto’s na (uitgezonden door Pownews) nog niet was gepubliceerd of op andere wijze was ontsloten. Door het plaatsen van de hyperlink kon een vrij grote en onbepaalde kring van personen kennis nemen van de fotoreportage. Dit is een ander publiek dan dat waarop de auteursrechthebbende doelde toen deze toestemming verleende voor openbaarmaking van de fotoreportage.

27 juni 2012
Buma/Stemra wil linken naar radiostreams belasten

De website www.op.fm biedt links naar radiostations. Buma wil dat deze site een licentie afsluit om de muziek te mogen aanbieden.

nu.nl

13 januari 2012
Verenigd Koninkrijk – UK Court

Richard O’Dwyer (23) is eigenaar van site TVShack.net. Deze site bevat enkel links naar auteursrechtelijk beschermd materiaal. De engelse rechter oordeelt dat hij kan worden uitgeleverd aan de VS. pdf

O’Dwyer voerde aan dat het disproportioneel was om hem uit te leveren en in strijd zou zijn met art. 8 EVRM en art. 87(2) Extradition Act 2003.

2 november 2011
Rechtbank ‘s-Gravenhage (Edskes) – uitspraak – mediareport.nl – solv

Link naar door een derde aangeboden (vermeend) inbreukmakende software is geen openbaarmaking of verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet en valt niet onder artikel 26d Auteurswet.

4.11 […] Edskes heeft door het plaatsen van een hyperlink volgens de rechtbank enkel de bewegwijzering beschikbaar gesteld naar de locatie van het bestand Real Alternative, waar het voor het publiek toegankelijk was. De feitelijke download vond dus plaats van de server van Freenet.

20 september 2011
Oostenrijk – Oberster Gerichtshof – uitspraak

?

11 juni 2010
Rechtbank Stockholm

Vordering afgewezen.

2 juni 2010
Rechtbank ‘s-Gravenhage (FTD/Eyeworks) – scribd

Geen hyperlink, maar slechts het noemen van de titel van het werk, is reeds een openbaarmaking!?

4.4. FTD betoogt dat zij niet openbaar maakt, omdat de auteursrechtelijk beschermde bestanden op geen enkel moment in haar macht zijn. De servers waarop de bestanden zijn opgeslagen worden niet door haar beheerd en zij heeft geen invloed op het downloaden door gebruikers, zo stelt zij. Wat daar ook van zij, naar voorlopig oordeel is niet relevant of de auteursrechtelijk beschermde bestanden op enig moment daadwerkelijk in de macht van FTD zijn. Veeleer is van belang of de handelwijze van FTD gebruikers in staat stelt auteursrechtelijk beschermde bestanden (eenvoudiger) te downloaden en zij daarmee die bestanden de facto ter beschikking stelt van het publiek. Dit is naar voorlopig oordeel het geval.

29 maart 2010
Verenigd Koninkrijk – High Court of Justice (20th Century Fox e.a. vs. Newzbin) – uitspraak

18 maart 2010
Hof van Justitie EU () – uitspraak

Beschikking n.a.v. Griekse prejudiciële vragen omdat SGAE/Rafael Hoteles nauwelijks gemotiveerd was.

7 december 2006
Hof van Justitie EU (SGAE/Rafel Hoteles) – uitspraak

46 Ook al vormt de loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties, waarbij naast het hotel gewoonlijk ondernemingen zijn betrokken die in de verkoop of de verhuur van televisietoestellen zijn gespecialiseerd, als zodanig geen mededeling in de zin van richtlijn 2001/29, toch kan deze installatie de toegang van het publiek tot de uitgezonden werken technisch mogelijk maken. Indien het hotel door middel van de aldus beschikbaar gestelde televisietoestellen het signaal doorgeeft aan de gasten die in zijn kamers verblijven, gaat het derhalve om een mededeling aan het publiek, zonder dat behoeft te worden nagegaan, welke techniek van doorgifte van het signaal is gebruikt.

47 Bijgevolg moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat, ook al vormt de loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties als zodanig geen mededeling in de zin van richtlijn 2001/29, het doorgeven van een signaal door middel van televisietoestellen door een hotel aan de gasten die in zijn kamers verblijven, ongeacht de gebruikte techniek van doorgifte van het signaal, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn vormt.

Het Hof lijkt bij ‘loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties’ (eerder) te denken aan ondernemening die tv’s verkopen/verhuren. Een hotel valt daar volgens het hof niet onder.

6 februari 2010
Verenigd Koninkrijk – U.K. Court Gloucester – pdf

Links vormen geen openbaarmaking
73. (…) In my judgement that is the position in which TV-Links can be said to be. They point the end users in the direction of web sites which ‘make available’ the material to the end user. TV-Links do not themselves make that material available. I am reinforced in my conclusion by the Australian case to which I have already referred. I adopt the comments of Tamberlin J as adapted to the facts of this case ‘I am not satisfied that [the defendant’s] website has ‘made available’ the … recordings within the meaning of that expression. It is the remote websites which make available the [films] and from which the digital … files are downloaded as a result of a request transmitted to the remote website.’

12 mei 2004
Rechtbank Haarlem (Zoekmp3.nl) – uitspraak

Geen primaire openbaarmaking:
6.10 Slotsom van het voorgaande is derhalve dat, nu zich op de server van Techno Design geen inbreukmakende mp3-bestanden bevinden, Techno Design die bestanden ook niet zelfstandig ter beschikking van de gebruikers van zoekmp3.nl stelt. Van een primaire openbaarmaking van die mp3-bestanden door Techno Design in de zin van de Auteurswet 1912 of de Wet op de naburige rechten is dan ook geen sprake.

Geen secundaire openbaarmaking:

6.11 Ook van secundaire openbaarmaking (gelijktijdige additionele openbaarmaking zoals doorgifte) van de inbreukmakende mp3-bestanden door Techno Design is in het onderhavige geding geen sprake. Zoals hierboven reeds werd overwogen, worden de mp3-bestanden die door de gebruikers van zoekmp3.nl worden afgespeeld en/of gedownload rechtstreeks van de individuele aanbieder van het bestand naar de gebruiker doorgegeven. De inbreukmakende mp3-bestanden worden derhalve niet door de server van Techno Design doorgegeven aan de gebruikers. De enige relevante handeling die Techno Design verricht, is dat zij aan gebruikers van zoekmp3.nl de URL’s aanwijst en opgeeft waar zich mp3-bestanden bevinden. Gebruikers van zoekmp3.nl worden derhalve enkel doorverwezen/doorgeleid naar sites waar die bestanden zijn te vinden. Het zijn vervolgens de gebruikers van zoekmp3.nl die met gebruikmaking van de gevonden link over het mp3-bestand kunnen beschikken voor het afspelen en/of het downloaden.
6.12 Uit de Richtlijn (EG) nr. 29/10 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij alsmede uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot aanpassing van de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten en de Databankenwet ter uitvoering van die richtlijn blijkt voorts dat de beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een openbaarmaking mogelijk te maken of te verrichten, op zichzelf geen openbaarmaking is in de zin van die richtlijn en de wet. Zoals hierboven reeds werd overwogen, exploiteert Techno Design een website waarmee gebruikers kunnen zoeken in haar database met links naar en informatie over mp3-bestanden en wordt daardoor het zoeken naar mp3-bestanden op het internet vereenvoudigd. Het aanbieden van deze faciliteiten is – gelet op de genoemde regelgeving – echter geen mededeling/openbaarmaking in de zin van de Auteurswet 1912 of de Wet op de naburige rechten. Ook van secundaire openbaarmaking is derhalve geen sprake.

30 oktober 2003
Rechtbank Leeuwarden (Batavus/Bikemotion) – uitspraak

Link is geen verveelvoudiging

17 juli 2003
Duitsland – Bundesgerichtshof (Paperboy) – uitspraak – noot R. Chavannes en W. Steenbruggen op ivir.nl (pdf)

Pagina 16:
Door een hyperlink wordt het werk niet verveelvoudigd. Een link is slechts een electronische koppeling van het bestand inhoudende de link met een ander op het internet geplaatst bestand. Eerst wanneer de gebruiker de link aanklikt, om dit bestand op te roepen, kan het tot een auteursrechtelijk relevevante verveelvoudiging komen:

Durch einen Hyperlink wird das Werk nicht im Sinne des § 16 UrhG vervielfältigt (vgl. Schricker/Loewenheim, Urheberrecht, 2. Aufl., § 16 Rdn. 22; Wiebe in Ernst/Vassilaki/Wiebe, Hyperlinks, 2002, Rdn. 29; Sosnitza, CR 2001, 693, 698; Plaß, WRP 2001, 195, 202). Ein Link ist lediglich eine elektronische Verknüpfung der den Link enthaltenden Datei mit einer anderen in das Internet eingestellten Datei. Erst wenn der Nutzer den Link anklickt, um diese Datei abzurufen, kann es zu einer urheberrechtlich relevanten Vervielfältigung – im Bereich des Nutzers – kommen.

Pagina 17:
Links geen inbreuk op Nutzungsrechte (gebruiksrechten voorbehouden aan de rechthebbende):

Ein Berechtigter, der ein urheberrechtlich geschütztes Werk ohne technische Schutzmaßnahmen im Internet öffentlich zugänglich macht, ermöglicht dadurch bereits selbst die Nutzungen, die ein Abrufender vornehmen kann. Es ist seine Entscheidung, ob er das Werk trotz der Möglichkeit, daß nach Abruf auch rechtswidrige Nutzungen vorgenommen werden, weiter zum Abruf bereithält. Es wird deshalb grundsätzlich kein urheberrechtlicher Störungszustand geschaffen, wenn der Zugang zu dem Werk durch das Setzen von Hyperlinks (auch in der Form von Deep-Links) erleichtert wird […].

Pagina 20:
Wie een hyperlink naar een door de rechthebbende openlijk toegankelijk gemaakte website met een auteursrechtelijk beschermd werk zet, begaat daarmee geen auteursrechtelijke gebruikshandeling, maar verwijst slechts naar dat werk in een wijze, die gebruikers de reeds geopende toegang verlicht:

Wer einen Hyperlink auf eine vom Berechtigten öffentlich zugänglich gemachte Webseite mit einem urheberrechtlich geschützten Werk setzt, begeht damit keine urheberrechtliche Nutzungshandlung, sondern verweist lediglich auf das Werk in einer Weise, die Nutzern den bereits eröffneten Zugang erleichtert.

De gedaagde houdt noch het beschermde werk zelf openlijk op afroep bereid, noch verschaft hij deze zelf op afroep (van/aan/via?) derden. Niet hij, maar degene, die het werk op het internet gezet heeft, beslist erover, of dat werk openbaar toegankelijk blijft:

Er hält weder das geschützte Werk selbst öffentlich zum Abruf bereit, noch übermittelt er dieses selbst auf Abruf an Dritte. Nicht er, sondern derjenige, der das Werk in das Internet gestellt hat, entscheidet darüber, ob das Werk der Öffentlichkeit zugänglich bleibt.

Onderstaande uitspraak is grotendeels bevestigd door het BGH.

27 oktober 2000
Duitsland – Oberlandesgericht Köln (Paperboy) – uitspraak

Links niet in strijd met auteursrecht, databankrecht, of recht van geoorloofde mededinging, danwel anderszins onrechtmatig. (Aanprijzing ‘Ihre persönliche Tageszeitung’ wel misleidend).

Geen auteursrecht inbreuk bij deeplink die direct verwijst naar het opgezochte artiken (en niet eerst naar de homepage verwijst).

50 Eine Verletzung von Urheberrechten der Klägerin liegt auch nicht darin, dass das Programm P. auf die beschriebene Weise im Wege des deep link nicht wie von dieser vorgesehen zunächst auf die Homepage der Klägerin, sondern sogleich und unmittelbar auf den ausgesuchten Beitrag verweist.
Het gaat om toelaatbare verveelvoudigingen. (eigen gebruik)
Denn es handelt sich dabei um gem. § 53 Abs.2 Ziff.4 a 2.Alt UrhG zulässige Vervielfältigungen. Der Nutzer von P. verwendet die bei dessen Betrieb entstehenden Vervielfältigungen der Beiträge zum eigenen Gebrauch, nämlich zu dem Zweck, deren journalistischen Inhalt zur Kenntnis zu nehmen, und gerade die Vervielfältigung einzelner Beiträge aus Zeitschriften und Zeitungen zum eigenen Gebrauch ist ihm nach der Vorschrift gestattet.

Onderstaande uitspraak is deels gewijzigd door het Oberlandesgericht Köln.

12 januari 2000
Duitsland – Landgericht Köln (Paperboy) – 28 O 347/99.

Links niet in strijd met auteursrecht of databankrecht, wel in strijd met eerlijke mededinging

es liege zwar keine Urheberrechtsverletzung, wohl aber unter dem Gesichtspunkt der sittenwidrigen Ausnutzung eines fremden Arbeitsergebnisses ein Verstoß gegen § 1 UWG vor.

22 maart 2002
Hoge Raad (El Cheapo) – CR 2002-3

20 april 2001
Denemarken High Court

Hyperlink is openbaarmaking

22 augustus 2000
Rechtbank Rotterdam (Kranten.com)

Link is geen verveelvoudiging.

Titellijst geen databank wegens ontbreken substantiële investering ex art. 1 lid 1 sub a Dw. Spin-off benadering.
De wijze waarop er door Kranten.com een overzicht wordt gegeven is zorgvuldig en niet in strijd met de in het maatschappelijk verkeer geldende regels

Informatierecht/AMI 2000-10, p. 207-210, m.nt. K.J. Koelman;
Mediaforum 2000-10, m.nt. T.W.F. Overdijk.

Techniekrestrictie in het auteursrecht

In een kort-geding tussen Philps en Lidl werd auteursrechtinbreuk aangenomen.

uitspraak

Databanken (Football Dataco)

Artikel 3 Databankenrichtlijn (html):

Volgens deze richtlijn worden databanken die door de keuze of de rangschikking van de stof een eigen intellectuele schepping van de maker vormen, als zodanig door het auteursrecht beschermd. Er worden geen andere criteria toegepast om te bepalen of ze voor die bescherming in aanmerking komen.

Artikel 7 van de richtlijn

1. De Lid-Staten voorzien in een recht voor de fabrikant van een databank, waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering, om de opvraging en/of het hergebruik van het geheel of een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van die inhoud te verbieden.

Volgens het Hof wordt er aan het oorspronkelijkheidscriterium voldaan wanneer de maker ervan, bij de keuze of de rangschikking van de gegevens van deze databanken, zijn creatieve vaardigheden op een manier tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzes en zo in staat is zijn werk een “persoonlijke noot” te geven. Hieraan is niet voldaan wanneer voor de samenstelling van de databank technische overwegingen, regels of beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid.

Het hof heeft in 2004 uitgemaakt dat wedstrijdschema’s niet voor het sui generis databankenrecht in aanmerking komen. Vraag is of er nog wél ruimte is voor auteursrechtelijke bescherming daarvan.

In Nederland is lange tijd bescherming verleend aan niet-oorspronkelijke geschriften. HR 17 april 1953, NJ 1954, 211 (Het Radioprogramma), HR 27 januari 1961, NJ 1962, 355 (Explicator), HR 25 juni 1965, nr. 9843, NJ 1966, 116 (Televizier II).

Bij de implementatie van de Databankrichtlijn in 1999 is de reikwijdte van de geschriftenbescherming bij wet beperkt door invoering van een nieuw art. 10 lid 4 Auteurswet. Voortaan kon geen geschriftenbescherming worden ingeroepen voor databanken waarin substantieel is geïnvesteerd; dergelijke databanken werden voortaan door het nieuwe (sui generis) databankenrecht beschermd.

Verzamelingen van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen als bedoeld in het derde lid, waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering behoren niet tot de in het eerste lid, onder 1°, genoemde geschriften.

De definitie van ‘databank’ in de Databankenrichtlijn is “een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk.”

De definitie van ‘databank’ in de Databankenwet omhelst tevens ‘substantiële investering’.

Verkade: Zelfs bij andersluidende wil wetgever geen sprake van ‘uitleg contra legem’ indien wettekst ruimte laat voor richtlijnconforme interpretatie.

Football Dataco

Pers-exceptie en ‘alle rechten voorbehouden’

Ten aanzien van nieuwsberichten en gemengde berichten kan geen voorbehoud worden gemaakt.

De definitie van nieuwsberichten en gemengde berichten is echter zeer beperkt uitgelegd door het Hof Leeuwarden in 2011.

19. Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat een regeling die inhoudt dat er voor het overnemen door de pers in de pers als bedoeld in artikel 15 lid 1 Auteurswet geen auteursrechtvoorbehoud kan worden gemaakt ten aanzien van auteursrechtelijk beschermde werken, verder gaat dan de in artikel 5 lid 3 sub c van de Auteursrechtrichtlijn opgenomen beperkingen en restricties. Een dergelijke uitleg van artikel 15 lid 2 Auteurswet laat zich evenmin rijmen met de doelstellingen van de Auteursrechtrichtlijn als verwoord in de considerans en artikel 10 bis van de Berner Conventie. In het bijzonder zou hierdoor afbreuk worden gedaan aan het in de Auteursrechtrichtlijn opgenomen uitgangspunt dat de rechthebbenden een billijke compensatie moeten ontvangen om hen naar behoren te compenseren voor het gebruik van beschermde werken. Het verweer van Provincie Flevoland dat zij geen commercieel belang had bij de vervaardiging en verspreiding daarvan, is niet relevant. Relevant is dat NDP c.s. inkomsten mislopen doordat de provincie de auteursrechtelijk beschermde artikelen gebruikt zonder daarvoor aan NDP c.s. een vergoeding te betalen.

[…]
22. Het voorgaande betekent niet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat artikel 15 lid 2 Auteurswet bij zo’n beperkte uitleg van het begrippenpaar “nieuwsberichten en gemengde berichten” volledig zinledig zou zijn. Berichten zonder eigen oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel van de maker kunnen naar Nederlands recht immers voorwerp zijn van de Nederlandse geschriftenbescherming. Artikel 15 lid 2 Auteurswet heeft dus de functie dat dergelijke onpersoonlijke geschriften – die niet vallen onder de Auteursrechtrichtlijn – in het kader van de persexceptie mogen worden overgenomen ongeacht een mogelijk voorbehoud.

Tussenpersonen en ex-parte

De Europese Handhavingsrichtlijn geeft in artikel 9 eerst de voorwaarden voor een bevel:

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser:
a) tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien het nationale recht hierin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de rechthebbende;

Het artikel vervolgt dat het bevel ook tegen tussenpersonen mogelijk is:

onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om op een recht van intellectuele eigendom inbreuk te maken; het bevel tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of een naburig recht, wordt beheerst door Richtlijn 2001/29/EG;

Lid 4 geeft aan dat het bovenstaande ook ‘ex-parte’ kan:

De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen in passende gevallen kunnen worden genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, met name indien uitstel onherstelbare schade voor de rechthebbende zou veroorzaken. In dit geval worden de partijen uiterlijk onmiddellijk na de uitvoering van de maatregelen hiervan in kennis gesteld. […]

Dan de Nederlandse wet:

Krachtens art. 26d Auteurswet kunnen tussenpersonen tot staking worden bevolen:

De rechter kan op vordering van de maker, tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht te maken, bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.

T.a.v. de ex-parte is sinds mei 2007 de richtlijn geïmplementeerd in art. 1019e Rv.:

In spoedeisende zaken, met name indien uitstel onherstelbare schade voor de houder van het recht van intellectuele eigendom zou veroorzaken, is de voorzieningenrechter bevoegd een onmiddellijke voorziening bij voorraad te geven op een bij verzoekschrift gedaan verzoek om tegen de vermeende inbreukmaker een bevel uit te vaardigen teneinde een dreigende inbreuk op het recht van intellectuele eigendom van de houder te voorkomen, zonder de vermeende inbreukmaker op te roepen.

Letterlijk gelezen lijkt dit artikel niet van toepassing op tussenpersonen. Antic (van SOLV) hangt deze letterlijke lezing aan. Antic stelt (volgens webwereld) dat de Nederlandse wetgever de richtlijn bewust beperkt heeft geharmoniseerd, “omdat de ex-parte zo’n heftig middel is”.

Die interpretatie staat m.i. echter hááks op de bewoordingen van art. 9 lid 4 van de richtlijn. Art. 1019e dient richtlijnconform te worden uitgelegd, inclusief tussenpersonen dus.

Ook Van Manen verwijst (op webwereld) naar art. 9 van de richtlijn.

Zo ook Visser en Van den Berg:

Hoewel het niet uit de letterlijke tekst van artikel 1019e Rv volgt, blijkt uit de artikelen 9 en 11 van de Handhavingsrichtlijn zonneklaar dat het niet de bedoeling is geweest tussenpersonen alleen een verbod te kunnen opleggen in procedures inter partes.

Hieronder de mogelijkheid van een verbod t.a.v. tussenpersonen:

Artikel 8 lid 3 Auteursrechtrichtlijn (pdf)

Artikel 8
Sancties en rechtsmiddelen

[…]

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbenden
kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenper-
sonen wier diensten door een derde worden gebruikt om
inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten.

De Nederlandse wet kent artikel 6:196c lid 5 BW:

Het hiervoor bepaalde staat niet in de weg aan het verkrijgen van een rechterlijk verbod of bevel.

Voor de achtergrond van art. 26d Auteurswet is de Nota n.a.v. Verslag interessant

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel (Kamerstukken II 2001/02, 29 197, nr. 3, p. 51 en 65) moet de verwijdering van de website redelijkerwijs kunnen worden gevergd. De verlangde maatregel moet derhalve evenredig zijn ten opzichte van de inbreuk. Het moet voor de tussenpersoon mogelijk zijn om tegen aanvaardbare kosten en met personele en technische maatregelen op te treden. Er mogen geen andere, minder verstrekkende mogelijkheden openstaan om een einde te maken aan de onrechtmatige situatie en de gevorderde maatregelen mogen niet verder strekken dan strikt noodzakelijk. De suggestie in de toelichting op de artikelen 26d en 26e Auteurswet, dat aan de voorwaarden voor toewijzing door de rechter van een vordering tegen een tussenpersoon zwaardere eisen worden gesteld dan de hiervoor genoemde, is ten onrechte.

Thuiskopie

Een kopie wordt in de Auteurswet een ‘verveelvoudiging’ genoemd. Een digitale (dus hoogwaardige) kopie wordt als ‘reproductie’ bestempeld. Volgens de Memorie van Toelichting omvat verveelvoudigen reproduceren. Voor het maken van een verveelvoudiging/reproductie is in beginsel toestemming van de rechthebbende vereist.

De Thuiskopie

Voornoemde toestemming is niet vereist bij het maken van enkele kopieën voor alleen jezelf, voor ‘eigen oefening, studie of gebruik’. Een kopietje voor thuis; de thuiskopie.

Geen thuiskopie van software

Artikel 45n bepaalt dat de thuiskopie-regeling niet van toepassing is op de categorie computerprogramma’s (software, games). Volgens artikel 45k mag je daarvan alleen een reservekopie maken, mits je in het bezit bent van het origineel. Software mag je zonder toestemming dus niet downloaden.

Naar gelang de manier van kopiëren kent de Auteurswet 2 artikelen.

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en welke uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die zonder direct of indirect commercieel oogmerk de verveelvoudiging vervaardigt of tot het verveelvoudigen uitsluitend ten behoeve van zichzelf opdracht geeft.

Artikel 16b lid 2:

Waar het geldt een dag-, nieuws- of weekblad of een tijdschrift of een boek of de partituur of de partijen van een muziekwerk en de in die werken opgenomen andere werken, blijft die verveelvoudiging bovendien beperkt tot een klein gedeelte van het werk, behalve indien het betreft:

  1. werken, waarvan naar redelijkerwijs mag worden aangenomen geen nieuwe exemplaren tegen betaling, in welke vorm ook, aan derden ter beschikking zullen worden gesteld;
  2. in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen korte artikelen, berichten of andere stukken.

Hiernaast bestaat er art. 16c:

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het reproduceren van het werk of een gedeelte ervan op een voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt.

Downloaden valt onder art. 16c. Sinds kort mogen echter alleen werken worden gedownload welke met toestemming van de rechthebbende zijn aangeboden.

Mag men een thuiskopie maken van een eerder thuiskopie. En zo ja, mag dit dan ook in opdracht?

Vergoeding

In Nederland bestaat sinds 1991 een heffing op blanco beeld- en geluidsdragers.

Lees tevens deze bondige pdf op hocker.nl van mr. Seignette.

TAFTA

de EU en VS over onderhandelen over een vrijhandelsverdrag genaamd TAFTA. Een coalitie van ruim 35 Europese en Amerikaanse organisaties waarschuwt dat dit verdrag ‘een tweede versie van ACTA’ dreigt te worden.

ACTA was het controversiële verdrag dat met een ruime meerderheid werd verworpen in het Europarlement, nadat op internet veel ophef ontstond over de inperking van vrijheid op internet door het verdrag. Onder meer de Tweede Kamer liet zich negatief uit over ACTA en zei het verdrag hoe dan ook niet te willen steunen.

De Nederlandse digitale burgerrechtenbewegingen Vrijschrift en Bits of Freedom hebben samen met organisaties als de Amerikaanse EFF en Britse Open Rights Group een petitie opgesteld tegen TAFTA, het nieuwe handelsverdrag dat mogelijk weer clausules over intellectueel eigendom zal bevatten.

De coalitie eist in de petitie dat alle bepalingen over octrooirecht en auteursrecht worden geschrapt, uit angst voor een ‘ACTA V2.0’. “De industrie droomt alweer van een gouden standaard op het gebied van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten. Dat klinkt als ACTA, het verdrag dat het Europese Parlement afgelopen juli met overgrote meerderheid wegstemde”, schrijft woordvoerder Ante Wessels van Vrijschrift.

De organisaties zeggen te vrezen dat de vrijheid van meningsuiting alsnog in het geding komt. Bovendien eisen ze meer openheid over de onderhandelingen rond het verdrag, die vooralsnog in het geheim zijn gehouden. “Wij geloven dat geheime onderhandelingen over ‘handel’ absoluut onacceptabele forums zijn om bindende regels op te stellen die nationale wetten veranderen die niets met handel te maken hebben”, schrijven de ondertekenaars van de petitie. Vrijschrift verwijst naar een uitspraak van de Europese Ombudsman, die oordeelde dat burgers van de EU recht hadden om informatie te krijgen over ACTA.

nu.nl

Geen auteursrecht op stijl, mode of trend (auteursrechtelijke stijlexceptie)

Reeds in 1946 oordeelde de Hoge Raad in Van Gelder/Van Rijn dat stijlelementen niet auteursrechtelijk beschermd zijn.

dat […] het bezigen van hetzelfde materiaal, het bewerken daarvan volgens eenzelfde, een bepaald artistiek effect opleverende methode, het volgen van den stijl nog niet meebrengen, dat nabootsing van het werk in gewijzigden vorm, als vermeld in art. 13 van de Auteurswet, aanwezig is;

In 1995 herhaalde de Hoge Raad dit in Decaux-Mediamax.

3.4 […] In deze overwegingen heeft het Hof tot uiting gebracht dat aan het enkele ontwikkelen of inzetten van een nieuwe mode of stijl geen bescherming krachtens auteurs- of modelrecht toekomt en dat derhalve moet worden onderzocht of – mede gelet op mode, trend of stijl op het onderhavige terrein – Mediamax voldoende afstand van de Mupi Senior heeft genomen en met haar ontwerp op een voldoende eigen wijze uiting gegeven heeft aan de vigerende mode, trend of stijl van ontwerpen. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Anderzijds is een ‘persoonlijke’ stijl (zoals die van Dick Bruna) wel beschermd.

Een combinatie van een of meerdere onbeschermde stijlen, kan wel weer een beschermd werk opleveren. Alleen de combinatie is dan beschermd. Zie bijvoorbeeld het kortgedingvonnis van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2010 (zaaknr. KG ZA 10-225):

4.7. (…) Aan Blokker kan worden nagegeven dat het gebruik van de afbeelding van een roos een ieder vrij staat, evenals het gebruik van de Polka dot (een effen achtergrond met witte stippen). De specifieke combinatie van de kenmerkende elementen, zoals in de Polka Red Rose print, kan echter wel als een oorspronkelijk werk worden aangemerkt dat het persoonlijk stempel van de maker draagt.

Mededeling aan het publiek

Artikel 3 lid 1 Richtlijn 2001/29

De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

Het Nederlandse auteursrechtelijke openbaar maken (art. 12 Aw) omvat zowel “mededeling aan het publiek” uit art. 3 Auteursrechtrichtlijn42 als het “distributierecht” van art. 4 van die richtlijn en is overigens nog breder dan die twee begrippen43. Voor onze zaak volstaat dat we nader moeten bepalen wat de openbaarmakingshandeling “mededeling aan het publiek” betekent. De Auteursrechtrichtlijn definieert dit begrip niet44. Het HvJEU heeft dit autonoom Unierechtelijk ingevuld45. Er zijn inmiddels drie categorieën te onderscheiden die er onder vallen:

  • uitzending (ether, kabel, satelliet).
  • secundaire doorgifte via ether, kabel of satelliet of op een openbare plaats.
  • Het ‘making available right’: beschikbaarstelling voor het publiek zodanig dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is.

Dit artikel regelt (alleen) de immateriële openbaarmaking ‘op afstand’. Live-voorstellingen vallen daar niet onder. Hamvraag is wat verstaan dient te worden onder “mededeling aan het publiek”. Het begrip is nader ingevuld voor het HvJ en bevat inmiddels twee (hoofd)elementen. Er moet sprake zijn van een ‘handeling bestaande uit een mededeling’ en die moet gedaan zijn aan een ‘(nieuw) publiek’.

HvJ EU 31-5-2016 C-117/15 (Reha Training)

Mededeling

Het begrip mededeling ziet op het toegang verschaffen tot het beschermde werk; het wordt op zodanige wijze ter beschikking gesteld dat het voor de leden van het publiek toegankelijk is.
Men verricht een mededeling wanneer men met volledig kennis van de gevolgende intervenieert om toegang te verschaffen, met name indien zonder een die interventie geen toegang zou bestaan voor het publiek.

Publiek

Het begrip publiek ziet op een onbepaald aantal potentiële kijkers ziet en implicieert bovendien een vrij groot aantal personen.
Hoteles 37-38.

De patiënten van een tandarts vormen een stabiele groep en omvat bovendien een te klein aantal personen om van een (mededeling aan een) publiek te kunnen spreken.

Indien het werk wordt doorgegeven via dezelfde technische werkwijze, moet tevens sprake zijn van een nieuw publiek. Dit is het geval bij tv-uitzendingen naar (kamers van) hotelgasten, revalidatiegasten en cafébezoekers.

Indien via een andere techniek hetzelfde publiek wordt bereikt, is sowieso toestemming nodig. (weder)doorgifte via een anderetechniek benodigd sowieso toestemming.


De HvJEU-rechtspraak construeerde aanvankelijk drie voorwaarden wil sprake zijn van mededeling aan het publiek: er moet een interventie zijn, waardoor (nieuw) publiek bereikt wordt met winstoogmerk.

Interventie

Het werk moet op zodanige wijze voor het publiek beschikbaar worden gesteld dat het voor de leden van dit publiek toegankelijk is, waarbij niet van beslissend belang is of zij daar gebruik van maken. Zie punt 42 uit Hoteles (2016):

[…] Het voor deze gasten ten gehore brengen van een uitgezonden werk door middel van televisietoestellen is immers niet een eenvoudig technisch middel om de ontvangst van de oorspronkelijke uitzending in het ontvangstgebied ervan mogelijk te maken of te verbeteren. Integendeel is het hotel het orgaan dat, met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag, tussenkomt om aan zijn gasten toegang tot het beschermde werk te verlenen. Zonder deze tussenkomst zouden de hotelgasten, hoewel zij zich fysiek in deze zone bevinden, in beginsel immers niet van het uitgezonden werk kunnen genieten.

Zie ook punt 82 uit Del Corso:

In de eerste plaats heeft het Hof reeds de niet te negeren rol van de gebruiker benadrukt. Zo heeft het met betrekking tot een exploitant van een hotel en een café-restaurant geoordeeld dat hij een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verricht wanneer hij, met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag, zijn klanten toegang verleent tot een uitzending die het beschermde werk bevat. Anders zouden deze klanten, hoewel zij zich fysiek in het ontvangstgebied van die uitzending bevinden, immers in beginsel het uitgezonden werk niet kunnen horen (zie in die zin arrest SGAE, reeds aangehaald, punt 42, en arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, Jurispr. blz. I-9083, punt 195).

2 juni 2005
Hof van Justitie EG (Mediakabel/Commissariaat van de media) – uitspraak

“Publiek” moet worden geïnterpreteerd als “an indeterminate number of potential viewers”.

Geen auteursrecht op techniek (techniekrestrictie)

De Auteurswet kent geen expliciet wetsartikel dat techniek uitsluit van bescherming.

De uitsluiting geschiedt op complexe wijze middels een interpretatie het object van bescherming van het auteursrecht; het ‘werk’-begrip.

Hieronder enkele uitspraken (in omgekeerd chronologische volgorde):

  • 2013 Hof Arnhem – Munten-schuif-machine (kermis)
  • 2012 Hof Arnhem – Rubiks kubus

27 augustus 2013
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – uitspraak

Kermis-munten-schuif-machine gedeeltelijk technisch bepaald.

Rubikskubus (Rubiks-cube)

  • de kubus vorm als hoofdvorm,
  • de samenstelling uit kleinere kubusvormige elementen,
  • de samenstelling uit 26 (uiterlijk schijnbaar 27) kleinere kubusvormige elementen,
  • individuele identificeerbaarbeid van de samenstellende kubusvormige elementen,
  • het ontbreken van een vaste onderlinge verbinding van de samenstellende kubusvormige elementen, waardoor de elementen schijnbaar geheel “los” van elkaar staan en als het ware “onzichtbaar” bijeen worden gehouden,
  • de 360 graden draaibaarheid van de samenstellende kubusvormige elementen in groepen van 3 rijen van drie elementen,
  • de 360 graden draaibaarheid van de samenstellende kubusvormige elementen in groepen van 3 rijen van drie elementen langs 3 assen,
  • de 360 graden draaibaarheid van de samenstellende kubusvormige elementen in groepen van drie rijen van drie elementen langs 3 assen waarbij de samenstelling van de groep wisselt al naar gelang de as waarlangs wordt gedraaid.

Incidentele verwerking van ondergeschikte betekenis (de minimis, bagatel, kleine inbreuk)

Incidentele verwerking. Ondergeschikte betekenis.

Onderwijs-exceptie

Max 12% en niet meer dan 100 pagina’s, mits rechthebbende geen gepaste licentie heeft aangeboden.

pdf op ie-forum

Rechtbank acht het begrip ‘incidentele verwerking’ geen autonoom unierechtelijk begrip.

Jim Bakkum zong in ‘Verliefd op Ibiza’ “Et les chantez la ballade, la ballade des gents heureux”.

Dit was geen ‘incidentele verwerking’, oordeelde de rechtbank Amsterdam eind 2014.

Hierdoor moest men naast het griffierecht ad € 589 even € 8.000,- aan advocaatkosten vergoeden.

5.3. (…) De kantonrechter is van oordeel dat het onder (…) bedoelde gebruik door verweerder niet als incidenteel gebruik in de zin van dit artikel kan gelden. Uit de door hem geschetste gang van zaken volgt immers dat er geen sprake is geweest van een terloops gebruik van de cartoon, maar zijn er weloverwogen afbeeldingen -waaronder de cartoon- uitgekozen om te gebruiken in de videoclip en op de Facebook-pagina. Het verweer faalt om die reden.

Inbreuk, het inbreukcriterium (Decaux/Mediamax, Una Voce Particolare, Stokke/Fikszo)

Artikel 13 Auteurswet:

Onder de verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan de vertaling, de muziekschikking, de verfilming of tooneelbewerking en in het algemeen iedere geheele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigden vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt.


29 november 2002
Hoge Raad (Una Voce Particolare) – uitspraak

Niet reeds punten van overeenstemming wettigen vermoeden van bewuste of onbewuste ontlening.

3.3 Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de klacht veronderstelt, wettigt niet reeds het enkele feit dat tussen een werk waarvoor auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen en een als inbreukmakend bestreden voortbrengsel punten van overeenstemming bestaan het vermoeden dat het laatste de vrucht is van bewuste of onbewuste ontlening. Daartoe is een mate van overeenstemming vereist die van een zodanige aard en omvang is dat, indien het bedoelde vermoeden niet wordt ontzenuwd, geoordeeld moet worden dat van een ongeoorloofde verveelvoudiging in auteursrechtelijke zin sprake is (vgl. HR 21 februari 1992, nr. 14454, NJ 1993, 164). Aan deze eis is, zoals volgt uit hetgeen het Hof in zijn rov. 4.13 heeft overwogen, in dit geval echter niet voldaan.

3.4 De in het tweede onderdeel vervatte klacht houdt in dat het Hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overeenstemming in evenbedoelde zin, meer gewicht toekomt aan de punten van overeenstemming dan aan de punten van verschil, waarbij de rechter ook de overige relevante omstandigheden in zijn oordeel moet betrekken.

3.5 Ook aan deze klacht ligt een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag, aangezien het voor de bedoelde overeenstemmingsvraag in een geval als het onderhavige erop aankomt of het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt. Blijkens rov. 4.7 tot en met 4.13 heeft het Hof die maatstaf toegepast.


Hof Den Haag 30/06/2009 tussenarrest – Stikke Fikszo – uitspraak

4. Het hof stelt voorop dat van een verveelvoudiging in de zin van art. 13 Aw. sprake is indien een voldoende mate van overeenstemming bestaat tussen het auteursrechtelijk beschermde werk en het beweerdelijk inbreukmakende werk; daartoe moet worden beoordeeld of het beweerdelijk inbreukmakende werk de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont, zodanig dat de totaalindrukken overeenkomen. Een (door de maker van het beweerdelijk inbreukmakende werk te ontzenuwen) vermoeden van ontlening moet worden aangenomen indien het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont, dat de totaalindrukken die beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig (bedoeld is: nieuw en oorspronkelijk) werk kan worden aangemerkt (HR 29 december 1995, NJ 1996, 546 en HR 29 november 2002, NJ 2003, 17). […]

Modchips

16 november 2015
Italië > rechtbank – tweakersars techica

23 january 2014
Hof van Justitie EU – uitspraak

Interessante Noot bij onderstaand vonnis.

21 juli 2010
Rechtbank ‘s-Gravenhage (Nintendo vs. webwinkels) – uitspraak

Artikel 29a Auteurswet of artikel 32a Aw?

Al sinds begin jaren negentig wordt de technische beveiliging van software beschermd door artikel 32a Aw. In 2004 werd artikel 29a Aw aan de wet toegevoegd.

Aantal webwinkels handelt onrechtmatig door de verhandeling van flashcards en modchips waarmee ongeautoriseerde kopieën van computerspellen van Nintendo gespeeld kunnen worden op spelcomputers van Nintendo en door de verhandeling van Wii consoles die met modchips zijn omgebouwd en het verrichten van (inbouw)diensten met betrekking tot de modchips. Overtreding van artikel 29a van de Auteurswet. De verhandelde middelen worden vrijwel uitsluitend gebruikt voor het omzeilen van de voorzieningen die Nintendo heeft getroffen om inbreuken op haar auteursrecht tegen te gaan.

24 april 2002
Rechtbank Breda (BREIN c.s vs. psxombouwlijn) – uitspraak

Tijdens deze uitspraak bestond art. 29a Aw nog niet. De rechter interpreteert artikel 32a Aw. (De rechter heeft het steeds abusievelijk over art. 32 Aw.)

“Verplichtingen inzake technische voorzieningen

1. De lidstaten voorzien in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt.

2. De lidstaten zorgen voor een doelmatige rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten, onderdelen of het verrichten van diensten die:

a) gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om de bescherming te omzeilen, of

b) slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben, naast de omzeiling van de bescherming, of

c) in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn met het doel de omzeiling mogelijk of gemakkelijker te maken van doeltreffende technische voorzieningen.”

In het licht daarvan dient onder “uitsluitend” ook te worden begrepen elk gebruik dat slechts in geringe mate een ander doel heeft dan het omzeilen van de bescherming.

Spellen

Rechtbank Rotterdam 8 juni 2016 – uitspraak

Auteursrecht op Kopra spel met gewone speelkaarten.

2.13. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het Korpa-spel een auteursrechtelijk beschermd werk is. Daarbij zij opgemerkt dat dit oordeel zich beperkt tot de concrete uitwerking, nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat hij een uitgewerkt, van de vormgeving van het Korpa-spel te onderscheiden, spelconcept heeft gemaakt en een spelidee als zodanig geen auteursrechtelijke bescherming geniet. Esveco heeft nog betoogd dat de auteursrechtelijke beschermingsomvang in het onderhavige geval beperkt is. Het auteursrecht biedt hiervoor echter geen aanknopingspunt: zodra in een concreet geval is vastgesteld dat sprake is van een werk in auteursrechtelijke zin, zoals in casu het Korpa-spel, geniet het werk een bescherming die niet geringer is dan die waarvoor ieder ander werk in aanmerking komt (vgl. HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard) ECLI:EU:C:2013:138 en HR 12 april 2013 (Hauck/Stokke) ECLI:NL:HR:2013:BY1533).

Gegevens vorderen bij inbreuk, oplichting, smaad, laster (IP-adres, NAW, marktplaats, eBay)

Openbaar maken

Openbaar maken is één van hoofdrechten van de auteursrechthebbende. Het omhelst het recht om iets ‘voor de eerste keer’ openbaar te maken, maar ook om iets opnieuw openbaar te maken of te blijven openbaarmaken.

Spoor zei over ‘openbaar maken’ in 2007:

Die term is een grabbelton, waarin vrijwel altijd wel argumenten zijn te vinden om iets als “openbaarmaking” aan te merken.

Het begrip openbaar maken dient volgens de wetgever te worden verstaan naar zijn oorspronkelijke betekenis.

Wat in de eerste plaats moet worden verstaan onder “het openbaar maken”, waartoe de uitsluitende bevoegdheid een essentiale is van het auteursrecht, behoeft de wet niet te bepalen. Ten aanzien van ieder soort van letterkundig, wetenschappelijk of kunstwerk geeft het woord zijn natuurlijk begrip duidelijk aan. Bij letterkundig en wetenschappelijke werken, die in een geschrift bestaan, betekent het in druk doen verschijnen en voor het publiek verkrijgbaar stellen, uitgeven. Evenzoo bij muziekstukken. Bij schilderijen en beeldhouwwerken moet men eronder verstaan, het inzenden op enen tentoonstelling, voor het publiek toegankelijk.

Het begrip omvat ten eerste de handelingen die onder het normale spraakgebruik vallen.

In januari 1995 zei de Hoge Raad:

Een openbaarmaking veronderstelt in ieder geval dat het werk op de een of andere manier ter beschikking van het publiek komt.

Omdat volgens de wetgever met het primaire begrip openbaar maken niet kan worden volstaan, is destijds daarnaast in de wet een aantal handelingen vermeld die “mede” als openbaarmaking worden beschouwd (zie artikel 12 Aw).

Artikel 3 lid 1 van de Auteursrechtrichtlijn bepaalt:

De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

In Nederland is dit opgenomen in artikel 12, lid 1, onder 4 Auteurswet.

Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan:
de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan

In het Europese recht wordt ipv ‘openbaar maken’ de term ‘mededelen aan het publiek’ gebruikt.

HvJ 7 december 2006, C-306/05 (SGAE/Rafael Hoteles) – uitspraak

Hieronder enkele uitspraken omtrent ‘openbaar maken’:

10 december 2008
Rechtbank Zwolle-Lelystad (kort geding) uitspraak

4.1. Aan de orde is de vraag of Suplacon muziek openbaar heeft gemaakt in haar onderneming. Artikel 12 lid 1 aanhef en onder 4 Auteurswet noemt als wijze van openbaar maken “de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het werk”. De wet en jurisprudentie hebben aan deze bepaling een zeer ruime toepassing gegeven. Zij bestrijkt ook het ten gehore brengen van (achtergrond)muziek door exploitanten van bedrijven en werkplaatsen. Niet elk ten gehore brengen van muziek levert een openbaarmaking op in de zin van artikel 12 van de Auteurswet. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juni 1979 (NJ 1979, 470) bepaald dat wanneer iemand uitsluitend ten eigen genoegen muziek ten gehore brengt, het feit dat er anderen zijn die deze muziek ook kunnen horen alleen dan zal kunnen meebrengen dat ten gehore brengen van de muziek als openbaarmaking in de zin van de Auteurswet 1912 moet worden beschouwd, als hij er een beroeps- of bedrijfsbelang of een soortgelijk belang bij heeft dat ook anderen dan hij zelf naar de muziek kunnen luisteren.

4.2. Suplacon heeft verklaard dat haar medewerkers tijdens het werk naar de radio c.q. muziek mogen luisteren. Omdat niet iedereen van dezelfde muziek houdt, zijn er medewerkers die via een i-Pod of via hun telefoon naar muziek luisteren. Daarnaast staan op een aantal plaatsen in het bedrijf (draagbare) radio’s Bij de goederenontvangst in het bedrijf is de dienstdoende medewerker actief op een groter aantal vierkante meters. Op die plek zijn luidsprekers aan de wanden gemonteerd. Suplacon stelt niet zeker te weten of deze radio door het bedrijf of door de medewerkers is aangeschaft. Suplacon stelt zich in ieder geval er niet tegen verzet te hebben dat haar medewerkers naar muziek luisteren.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het feit dat medewerkers van Suplacon tijdens werktijd naar muziek mogen luisteren, zelfs middels een i-Pod of mobiele telefoon, volgt dat Suplacon een bedrijfsbelang heeft dat zijn medewerkers naar muziek kunnen luisteren. Immers, tevreden werknemers werken harder. Er is dan ook sprake van een openbaarmaking van muziek in de zin van artikel 12 van de Auteurswet. Suplacon maakt inbreuk op de door Buma geëxploiteerde auteursrechten en handelt dus onrechtmatig jegens haar. Het gevorderde verbod is naar het oordeel van de voorzieningenrechter toewijsbaar. Tevens is de gevorderde schadevergoeding, tegen de hoogte waarvan geen bezwaar is gemaakt, toewijsbaar.

17 januari 2006
Gerechtshof Arnhem uitspraak

Voorts is uit de bij het pleidooi in hoger beroep door [D.], directeur van de holding die de aandelen van Daléro houdt, verstrekte inlichtingen gebleken, dat hij aan de bedrijfsleider van Daléro in Gouda op diens verzoek aldaar te gebruiken geluidsapparatuur (een radio met een losse geluid(box) ter beschikking heeft gesteld. De draagbare radio’s in de andere filialen zijn ook alle door Daléro ter beschikking gesteld en behoren aan haar in eigendom toe.
Dit alles leidt voorshands tot de conclusie dat Daléro in de bovengenoemde filialen gedurende de openingstijden van de filialen duidelijk hoorbare achtergrondmuziek deed en doet klinken ten behoeve van de werknemers van Daléro en van het publiek dat de filialen van Daléro bezoekt. Dit betekent dat sprake is van openbaarmaking van deze muziek in de zin van artikel 12 lid 1, aanhef en sub 4, van de Auteurswet.

1 juni 1979
Hoge Raad

Niet elk ten gehore brengen van muziek buiten een besloten kring levert een openbaarmaking op. Het feit dat ook anderen van de muziek kunnen genieten, kan alleen dan een openbaarmaking opleveren wanneer de speler er een beroeps- of bedrijfsbelang bij heeft dat ook anderen dan hijzelf naar de muziek kunnen luisteren.

HR 1 juni 1979 (Wasserij De Zon)

Het ten gehore brengen van muziek in openbare gelegenheden zoals in warenhuizen en liften, en de radio in het café vallen hier onder. (HR 6 mei 1938 (Caféradio)).

Het aan het publiek ter beschikking stellen van werken op een website is uiteraard een daad van openbaarmaking.

3.5 De stellingen van FTD dat geen bestanden op het FTD-platform aanwezig zijn en dat er geen signalen via de infrastructuur van FTD gaan (AD onder 37 en 43) zijn juist. Uit de hiervoor gegeven omschrijving van de werking van de FTD-applicatie in relatie tot het Usenet blijkt immers dat door die applicatie geen signaal is gegaan dat de film ‘KEVBDD’ bevat. Reeds hierom heeft FTD door het houden en aanbieden van de FTD-applicatie Eyeworks? mededelingsrecht in enge zin niet geschonden.

15 juni 2006
Hof Amsterdam – uitspraak

4.6 Bij de bespreking van deze problematiek wil het hof vooropstellen dat het beschikbaar stellen via internet van mp3-muziekbestanden een openbaarmaking in de zin van de Auteurswet 1912 vormt.

De enkele mogelijkheid om websites te bezoeken is onvoldoende om te concluderen dat een website op Nederland is gericht. De website moet voor Nederland zijn bestemd en op het Nederlandse publiek de indruk maken daartoe bestemd te zijn.

Materiële-reciprociteitstoets (artikel 2 lid 7 Berner Conventie)

6.5.1 De materiële-reciprociteitstoets in artikel 2 lid 7 houdt, voor zover hier van belang, in dat wanneer een bepaald voorwerp in zijn land van oorsprong alleen voor bescherming als model in aanmerking komt en niet wordt gekwalificeerd als werk van toegepaste kunst (met als gevolg dat het in zijn land van oorsprong geen auteursrechtelijke bescherming geniet), dit ook heeft te gelden in de andere landen van de Berner Conventie: in de andere landen – onder de desbetreffende leges loci protectionis – komt dit voorwerp dan alleen voor bescherming als model in aanmerking en wordt het niet als werk van toegepaste kunst gekwalificeerd (met als gevolg dat het in de andere landen van de Berner Conventie geen auteursrechtelijke bescherming geniet).

6.5.2 Hasbro c.s. stellen zich primair op het standpunt dat deze materiële-reciprociteitstoets buiten toepassing moet blijven, gelet op het non-discriminatiebeginsel in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en HvJ EG 30 juni 2005, zaak C-28/04, Jur. 2005, p. I-5781 (Tod’s/Heyraud). Het hof volgt Hasbro c.s. hierin niet. Het onderhavige geval valt buiten de werkingssfeer van (artikel 18 van) het VWEU. Het land van oorsprong van My Little Pony is, zo is in confesso, immers de Verenigde Staten van Amerika, terwijl de originaire rechthebbende van My Little Pony een rechtspersoon is die is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (zie rechtsoverweging 7 hierna). Hasbro c.s. lijken dit ook onderkennen, en bepleiten analoge toepassing van voormeld Tod’s-arrest, kennelijk op grond van de redelijkheid. Het hof volgt Hasbro c.s. hierin echter evenmin. Uitgangspunt van artikel 2 lid 7 Berner Conventie is immers dat de onderhavige materiële-reciprociteitstoets moet worden toegepast. Het is mogelijk dat een land (of een groep landen) afwijkt van dat uitgangspunt en afziet van toepassing van deze toets, maar een dergelijke uitzondering doet zich in deze zaak niet voor. Het Europese non-discriminatiebeginsel, dat een dergelijke uitzondering vormt, is niet van toepassing omdat het welbewust is beperkt tot, kort gezegd, Europese gevallen. Andere uitzonderingen doen zich evenmin voor. Bijgevolg geldt in deze zaak het uitgangspunt van de Berner Conventie dat de onderhavige materiële-reciprociteitstoets moet worden toegepast. Het hof vermag niet in te zien waarom dat onredelijk zou zijn, en waarom deze verdragsrechtelijke regel op grond van de redelijkheid buiten toepassing zou moeten blijven. Hasbro c.s. hebben dat een en ander overigens ook niet duidelijk gemaakt.

6.5.3 Bij de toepassing van de materiële-reciprociteitstoets rijst de vraag of het onderhavige voorwerp – My Little Pony – in de Verenigde Staten van Amerika wordt beschermd als werk van toegepaste kunst (HR 28 oktober 2011, LJN BR3059, Maglite).

6.5.4. Naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika komen werken van toegepaste kunst als pictorial, graphic, and sculptural works in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming (§ 102(a)(5) juncto § 101 van titel 17 van de United States Code). In § 101 wordt bepaald:

“Pictorial, graphic, and sculptural works” include two-dimensional and three-dimensional works of fine, graphic, and applied art, photographs, prints and art reproductions, maps, globes, charts, diagrams, models, and technical drawings, including architectural plans. Such works shall include works of artistic craftsmanship insofar as their form but not their mechanical or utilitarian aspects are concerned; the design of a useful article, as defined in this section, shall be considered a pictorial, graphic, or sculptural work only if, and only to the extent that, such design incorporates pictorial, graphic, or sculptural features that can be identified separately from, and are capable of existing independently of, the utilitarian aspects of the article.”

Het hof is voorshands van oordeel dat My Little Pony op grond van deze bepalingen, zoals uitgelegd door de Amerikaanse rechter (vgl. Brandir v. Cascade, 834 F.2d. 1142 (2d Cir. 1987)), in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming in de Verenigde Staten. Voorts mag worden aangenomen dat onder Amerikaans recht de aan- of afwezigheid van modelbescherming geen effect heeft op de beschikbaarheid van auteursrechtelijke bescherming (vgl. Nimmer on Copyright, § 2.19).

6.5.5 Hasbro c.s. hebben in dit verband twee opinies in het geding gebracht van een Amerikaanse advocaat, Kim J. Landsman. Deze verklaart onder meer (i) dat sculptural works onder Amerikaans recht auteursrechtelijk worden beschermd, (ii) dat My Little Pony als sculptural work in de Verenigde Staten sinds 1983 auteursrechtelijk wordt beschermd, en (iii) dat het feit dat My Little Pony tot 1997 in de Verenigde Staten ook als model beschermd is geweest, naar Amerikaans recht – onder verwijzing naar literatuur, richtlijnen en rechtspraak – geen effect heeft op de auteursrechtelijke bescherming. Voorts hebben Hasbro c.s. een kopie in het geding gebracht van het Certificate of Copyright Registration van 28 april 1983 van de US Copyright Office ter zake van My Little Pony, en wijzen zij er op dat zij sinds 1982 altijd een copyright-notice op al haar My Little Pony producten hebben aangebracht. Simba c.s. hebben dit een en ander onvoldoende gemotiveerd betwist.

6.5.6 Tezamen genomen is naar het oordeel van het hof voorshands voldoende komen vast te staan dat auteursrechtelijke bescherming in de Verenigde Staten in dit verband niet is uitgesloten en dat My Little Pony als werk van toegepaste kunst in dat land auteursrechtelijke bescherming wordt geboden. Dat betekent dat de materiële-reciprociteitstoets in artikel 2 lid 7 van de Berner Conventie er niet aan in de weg staat dat My Little Pony in Nederland, naar Nederlands recht, wordt aangemerkt als werk van toegepaste kunst.
6.6 Uit het bovenstaande tezamen genomen volgt dat My Little Pony in Nederland, onder Nederlands recht, in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming als werk van toegepaste kunst. In zoverre slaagt incidentele grief 1.

Foto’s alleen beschermd bij zichtbare persoonlijke keuzes (er is altijd wel iemand die camera instelt, positie inneemt, bepaalt wat er op foto komt)

30 september 2015
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

4.2 Naar vaste rechtspraak geldt dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in artikel 1 in verbinding met artikel 10 Aw, vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt.

Dat het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt, kort gezegd, in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk. De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus een voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.
Het gaat daarbij om een kenmerk dat uit het voortbrengsel zelf is te kennen.
(zie HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153)

4.3 Dat de foto’s van [eiser 3] ontleend zijn aan andere werken is door LAKS niet gesteld. LAKS heeft echter wel gesteld dat de foto’s banaal of triviaal zijn, althans niet het persoonlijk stempel van de maker dragen. Roadside c.s. heeft daartegenover gesteld dat het [eiser 3] is “die de camera instelt, een camerapositie inneemt, bepaalt wat er op de foto komt en bijvoorbeeld de scherptediepte kiest”.

4.4 Nu Roadside c.s. zich op de rechtsgevolgen van haar stelling, dat de foto’s het persoonlijk stempel van de maker dragen, beroept, dient zij voldoende feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen die die stelling kunnen dragen.

Daarvoor is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende dat de fotograaf de camera instelt, een positie inneemt, bepaalt wat er op de foto komt en bijvoorbeeld de scherptediepte instelt. Bij vrijwel iedere foto zal iemand, voor zover dat niet door de camera automatisch wordt gedaan, dat moeten doen, maar daarmee draagt de foto nog niet het persoonlijk stempel van de fotograaf. Dat is pas het geval als de keuzes die worden gemaakt in een foto resulteren die zich zodanig van andere foto’s onderscheidt, dat daaraan is af te zien dat de fotograaf persoonlijke keuzes heeft gemaakt. [vetmaking: mr. R. Hak]

Desgevraagd heeft Roadside c.s. ter comparitie niet kunnen aanwijzen in welke aspecten – die op een persoonlijk stempel van de maker zouden kunnen duiden – de onderhavige foto’s zich van foto’s door andere fotografen onderscheiden.

De rechtbank heeft, bij vergelijking met de andere niet door [eiser 3] gemaakte foto’s die in hetzelfde flickr-album zijn gepubliceerd, ook niet zelf kunnen vaststellen dat de foto’s van [eiser 3] zich zodanig onderscheiden dat haar persoonlijk stempel uit die foto’s kenbaar is.

4.5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de onderhavige foto’s van [eiser 3] geen werken zijn in de zin van artikel 1 Aw, omdat zij een persoonlijk stempel van de maker ontberen.
Daarop stranden alle vorderingen. De overige weren behoeven geen bespreking.

Aanbieden internet (gratis wifi) leidt niet tot auteursrechtelijke aansprakelijkheid

16 maart 2016
Advocaat-Generaal Hof van Justitie EU – uitspraak

1.
De A-G acht op het aanbieden van gratis wifi de Richtlijn electronische handel van toepassing aangezien dit gezien kan worden als nevenactiviteit bij een economische hoofdactiviteit.

2.
Volgens de A-G verzet de Richtlijn zich tegen aansprakelijkheid van tussenpersonen.

3.
Wel kan volgens de A-G een verbod worden opgelegd indien dat:

  • doeltreffend, evenredig en afschrikkend is
  • erop gericht is een specifieke inbreuk te beëindigen of te voorkomen
  • geen algemene toezichtverplichting inhoudt
  • er een juist evenwicht wordt bewaard tussen de betrokken grondrechten (intellectuele-eigendomsrechten en vrijheid van ondernemerschap).

Bewerkingsrecht bij software-auteursrecht en regulier auteursrecht

2-2-2016
Hof Den Haag – uitspraak

4.3 Bij de auteursrechtelijke grondslag van de vorderingen van DC c.s. gaat het onder meer om het bewerkingsrecht dat is vastgelegd in artikel 12 BC en dat voor het Nederlands recht is geregeld in artikel 13 Aw. De in het kader van dit artikel aan te leggen toets is of de auteursrechtelijk beschermde trekken van het oorspronkelijke werk worden overgenomen (zie o.m. rov. 4.2(e) van HR 12 april 2013, NJ 2013, 502 ‘Stokke/Fikszo’), met dien verstande dat bij de hier niet aan de orde zijnde terreinen van industriële vormgeving en TV-formats tevens naar de totaalindruk moet worden gekeken. De SoftwareRl voorziet in artikel 4 lid 1 b) in een communautair bewerkingsrecht voor specifiek het software-auteursrecht. In de ARl is het bewerkingsrecht niet met zoveel woorden genoemd. Het is evenwel niet uit te sluiten dat voor het reguliere auteursrecht het bewerkingsrecht geacht moet worden in de ARl besloten liggen, gezien:

– de – in onder meer punt 189 van het arrest van het HvJEU van 4 oktober 2011 in de zaken C-403/08 en 429 /08 (‘Premier League/Murphy’) neergelegde – uitgangspunten dat de ARl moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de BC en dat de lidstaten dienen te voldoen aan de artikelen 1-21, en dus ook artikel 12, daarvan, in samenhang beschouwd met de eerste zinsnede van punt 27 van het arrest van het HvJEU van 22 januari 2015 in zaak C-419/13 (‘Allposters’), waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het HvJEU zich tot uitleg van artikel 12 BC bevoegd acht;

– het feit dat de ARl in artikel 5 lid 3k voorziet in een beperking op de in die richtlijn bedoelde rechten voor parodieën, hetgeen – omdat parodieën uit bewerkingen bestaan (vgl. punt 33 van HvJEU 03-09-2014, zaak C-201/13 ‘Suske & Wiske’) – impliceert dat het bewerkingsrecht tot de in die richtlijn bedoelde rechten behoort;

– de omstandigheid dat voor het software-auteursrecht het bewerkingsrecht al expliciet is geharmoniseerd.

Er is geen reden om aan te nemen dat, indien het bewerkingsrecht ook in de ARl zou zijn geharmoniseerd, daarbij een ander criterium zou gelden dan het in Nederland gehanteerde – en ook bij het bewerkingsrecht van de SoftwareRl toepasselijk te achten – criterium op basis van de auteursrechtelijk beschermde trekken.

E-book tweedehands doorverkopen (verkoop e-boek, uitputting)

21 juli 2014
Rechtbank Amsterdam (kort geding) uitspraak

Tom Kabinet is via de website www.tomkabinet.nl een dienst gestart waarbij mensen hun tweedehands e-books kunnen verhandelen. Bij een verkoop dienen laatsten hun eigen exemplaar te verwijderen.

Tom haalt het UsedSoft-arrest aan van het HvJ EU waarin is uitgemaakt dat het voor de toepasselijkheid van uitputting niet uitmaakt of de software wordt verkocht op een materiële drager (bijvoorbeeld op een cd-rom) of zonder materiële drager (via het internet).
Het vraagstuk van de uitputting rijst niet in het geval van diensten en in het bijzonder on-linediensten. (…) Anders dan het geval is bij een CD-ROM of een CD-i, waarbij de intellectuele eigendom in een materiële drager, dus in een zaak, is belichaamd, is elke on-linedienst in feite een handeling die aan toestemming is onderworpen (…).

In het UsedSoft-arrest werd de software rechtstreeks van de server van de leverancier gedownload. Het downloaden van het computerprogramma en het sluiten van een licentieovereenkomst voor het gebruik vormden dan ook volgens het Hof een “ondeelbaar geheel”.

Het Hof laat echter in het arrest het antwoord op de vraag of uit artikel 4 lid 2 van de Auteursrechtrichtlijn, uitgelegd in het licht van de punten 28 en 29 van de considerans daarvan en het Auteursrechtverdrag (waaraan de richtlijn uitvoering moet geven), volgt dat voor de onder die richtlijn vallende werken de uitputting van het distributierecht enkel geldt voor tastbare zaken, uitdrukkelijk in het midden. In de Nederlandse juridische literatuur wordt dan ook wel verdedigd dat niet valt uit te sluiten dat het Hof ook voornemens is de digitale uitputting uit te breiden naar alle auteursrechtelijk beschermde werken.

Portretrecht versus vrijheid van meningsuiting

1979
Hoge Raad (Schaep met de 5 Pooten)

van een redelijk belang ook sprake [kan] zijn, wanneer de populariteit van geportretteerden, verworven in de uitoefening van hun beroep, van dien aard is, dat een commerciële exploitatie van die populariteit door enigerlei wijze van openbaarmaking van hun portretten mogelijk wordt. Het belang van de geportretteerden om dan in de voordelen van zulke exploitatie mee te kunnen delen door de openbaarmaking van hun portretten voor commerciële doeleinden niet te hoeven toelaten zonder daarvoor vergoeding te ontvangen, is een redelijk belang in de zin van art. 21.

1 juli 1988
Hoge Raad (Vondelpark)

Een zedelijk belang is een ‘redelijk belang’ idzv art. 21 Aw.

2 mei 1997
Hoge Raad (Disco-danser) – uitspraak

De opname van een portret in een reclame voor een produkt of dienst heeft immers tot gevolg dat de geportretteerde door het publiek geassocieerd zal worden met dat produkt of die dienst, waarbij het publiek in het algemeen – en doorgaans terecht – ervan uit zal gaan dat het gebruik van het portret niet zal zijn geschied zonder toestemming van de geportretteerde en de opname van het portret in de reclame-uiting zal opvatten als een blijk van publieke ondersteuning van het produkt of de dienst door de geportretteerde. Op deze gronden is het op een dergelijke wijze gebruiken van een portret in beginsel aan te merken als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde.

2 mei 2003
Hoge Raad (Pieter Storms) – uitspraak

Zij miskent immers dat het geheel of gedeeltelijk onherkenbaar maken van het gelaat van een afgebeelde persoon niet eraan in de weg behoeft te staan dat sprake is van een portret in de zin van art. 21 Aw., nu ook uit hetgeen de afbeelding overigens toont, de identiteit van die persoon kan blijken, en dat derhalve openbaarmaking van een dergelijke afbeelding op de voet van deze bepaling kan worden verboden (vgl. HR 30 oktober 1987, nr. 13269, NJ 1988, 277). Hierbij verdient nog opmerking dat door het afblokken of anderszins onherkenbaar maken van het gelaat het onrechtmatige karakter van de uitzending in het kader van het onderhavige programma niet wordt weggenomen, maar eerder wordt geaccentueerd, aangezien bij het grote publiek immers allicht de indruk zal ontstaan dat een aldus afgebeelde persoon als verdachte, zo niet als schuldige moet worden aangemerkt.

19 juni 2008
Rechtbank Amsterdam – kort geding – uitspraak

4.4. In beginsel is sprake van een redelijk belang van de geportretteerde om zich tegen de openbaarmaking van zijn portret te verzetten, indien deze openbaarmaking inbreuk maakt op zijn recht op privacy. Of van een dergelijke inbreuk sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en de mate van intimiteit waarin de geportretteerde is afgebeeld, terwijl ook het karakter van de foto en de context van de publicatie van belang kunnen zijn.

4.5. De foto van [eiseres] is op zich zelf een onschuldige foto die op geen enkele wijze compromitterend of aanstootgevend is. [eiseres] is op de foto gekleed in sportuitrusting. Van naakt of ‘niets verhullende kleding’ is geen sprake. Verder is de foto (eenmalig) genomen in de openbaarheid zonder dat zij het gemerkt heeft. Dat zij dan ook in een situatie verkeert, zoals bekende personen die veelvuldig ongewild worden gefotografeerd, die de wens rechtvaardigt met rust gelaten te worden wordt niet aannemelijk geacht. Het kan zo zijn dat [eiseres] niet graag gefotografeerd wordt, maar dat is onvoldoende om een redelijk belang aan te nemen.

Verder is de wijze van openbaarmaking van de foto van belang. Hollandse Hoogte heeft de foto op haar website met 3,5 miljoen foto’s geplaatst in een klein formaat en onder de categorie ‘editorial use’. De context waarin Hollandse Hoogte de foto heeft geplaatst maakt het voorgaande dan ook niet anders. Hollandse Hoogte kan er overigens niet verantwoordelijk voor worden gehouden dat afnemers van de foto de foto mogelijk in een diskwalificerende context plaatsen.

Ten slotte heeft [eiseres] gesteld dat zij het recht om haar portret voor commerciële doeleinden te gebruiken zelf wenst te hebben. In dit verband is van belang, zoals Hollandse Hoogte heeft bepleit, dat het Hollandse Hoogte uitsluitend gaat om de afbeelding van een sportieve moeder met Mp-3 speler en niet om het portret van [eiseres]. [eiseres] is immers geen bekende Nederlander, model of sporter die haar portret commercieel kan exploiteren. Daarbij komt nog dat er geen enkele aanleiding bestaat om aan te nemen dat [eiseres] van plan is haar portret voor commerciële doeleinden te gaan gebruiken. In tegendeel, [eiseres] heeft zelf verklaard dat zij zichzelf niet graag op foto’s ziet.

4.6. Op grond van de hiervoor geschetste omstandigheden wordt geoordeeld dat het recht op privacy van [eiseres] niet zodanig is geschonden dat het recht op openbaarmaking van de foto door Hollandse Hoogte daarvoor moet wijken. [eiseres] heeft dan ook geen redelijk belang zich tegen de openbaarmaking te verzetten. De vorderingen van [eiseres] zijn dan ook niet toewijsbaar.

27 januari 2009
Hof Amsterdam – kort geding – uitspraak

4.3 Het hof overweegt voorts het volgende. Het is op zichzelf begrijpelijk dat X – op grond van haar persoonlijke keuzes – bezwaar heeft tegen publicatie van de foto als hier aan de orde. In het midden kan blijven of dit – in dit geval – een redelijk belang oplevert op grond waarvan zij zich op de voet van artikel 21 Auteurswet 1912 tegen (verdere) openbaarmaking kan verzetten. Haar belang weegt hier naar het voorlopig oordeel van het hof niet op tegen het door Hollandse Hoogte ingeroepen belang op informatievoorziening. Het hof licht dit toe.

Het belang van de informatievoorziening brengt mee dat berichtgeving zoals hier aan de orde moet kunnen worden voorzien van illustratiemateriaal, zoals foto’s van de werkelijkheid. Het is daarbij onvermijdelijk dat foto’s van toevallige passanten worden gepubliceerd. De foto waar het in dit geding om gaat, is neutraal. Ook kan – objectief gezien – niet worden gezegd dat de foto op enigerlei wijze compromitterend of diskwalificerend is of een zodanig effect heeft.

De foto is slechts geëxploiteerd door deze in licentie te koop aan te bieden voor – zoals Hollandse Hoogte het formuleert – redactionele doeleinden. De foto en de wijze waarop deze op de website en vervolgens in de Consumentengids is gepubliceerd hebben ook niet de strekking tot aanbeveling van enig product of dienst. Dat voor de licentie (mede ten behoeve van de maker van de foto) wordt betaald, maakt dit niet anders. Dit een en ander betekent dat de inbreuk op het recht van X op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer in ieder geval niet zo ernstig is dat voormeld belang van de informatievoorziening daarvoor moet wijken. […]

2009
Dick van Engelen – portretrecht als vermogensrecht

Art. 21 Aw verschaft enkel vorderingsrechten op auteursrechthebbenden en niet op adverteerders (Teddy Scholten) of uitgever (Schaep). Rechter gebruikte ‘redelijk belang’ als kapstok voor

7 februari 2012
EHRM (Hannover II) – uitspraak

96. Regarding photos, the Court has stated that a person’s image constitutes one of the chief attributes of his or her personality, as it reveals the person’s unique characteristics and distinguishes the person from his or her peers. The right to the protection of one’s image is thus one of the essential components of personal development. It mainly presupposes the individual’s right to control the use of that image, including the right to refuse publication thereof (see Reklos and Davourlis v. Greece, cited above, § 40).

15 mei 2012
Gerechtshof Amsterdam – uitspraak

Foto van zwaarlijvige getatoeëerde man op openbare weg wordt gepubliceerd in boek met confronterend tijdsbeeld en negatieve teneur (‘Platter & dikker’). De achterkant van het boek leest:

Wat is er mis in Nederland? De nieuwe rijken etaleren als nooit tevoren hun bezittingen, obesitas is de nieuwe volksziekte en agressie en geweld zijn normale aspecten van het dagelijks leven.

‘De nieuwe mens is overal. Hij is dikker. Hij praat harder en vlugger maar niet duidelijker. Hij steekt zijn middelvinger op, hij is eerder bereid een medemens uit te schelden, op zijn gezicht te slaan. Hij zal iedereen laten weten dat hij hier op aarde is. Respect!’

In een dubbelessay nemen journalist H.J.A. Hofland en fotograaf Roel Visser de excessen van de welvaart onder de loep. Hofland schetst de contouren van de Nieuwe Mens die sinds een halve eeuw in de westerse samenleving tot ontwikkeling is gekomen. Zijn constateringen stemmen niet vrolijk. Roel Visser ging met zijn Leica naar voetbalvelden, snackbars, eerstehulpposten, Miljonair Fairs en strandtenten, en maakte verontrustende foto’s.
Platter & dikker is een confronterend boek over heb- en vraatzucht, over hufterigheid, agressie, consumentisme en exhibitionisme.

Het Hof staat deze gang van zaken toe. Lees!

14 juni 2013
Hoge Raad (Cruijff/Tirion) – uitspraak

Juist bij de personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, kunnen commerciële belangen gemoeid zijn bij de openbaarmaking van hun portret. Ook dergelijke belangen vinden onder art. 8 EVRM bescherming en kunnen worden betrokken in de afweging tegen het onder art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid. Welk gewicht aan het door de geportretteerde gestelde commerciële belang in een gegeven geval toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Is bij een geportretteerde met verzilverbare populariteit enkel sprake van een zodanig belang en is geen sprake van omstandigheden die rechtvaardigen om aan dat belang voorbij te gaan, dan kan bij de beoordeling een belangrijke rol spelen of een redelijke vergoeding is aangeboden. Wat in dit verband als een redelijke vergoeding heeft te gelden, zal moeten worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

12 november 2013
Rechtbank Midden-Nederland – uitspraak

4.3 Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht op privacy – zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welke van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Op grond van vaste jurisprudentie dient eenzelfde belangenafweging te worden gemaakt indien een beroep wordt gedaan op het portretrecht van artikel 21 Aw (HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).

Software en softwarelicenties

2 mei 2012
Hof van Justitie EU (SAS Institute vs. World Programming)

  1. In casu bestaan de trefwoorden, de syntaxis, de opdrachten of combinaties van opdrachten, de opties, de standaardinstellingen en de herhalingen uit woorden, cijfers of wiskundige concepten die, afzonderlijk beschouwd, als dusdanig geen intellectuele schepping van de auteur van het computerprogramma zijn.
  2. Enkel via de keuze, de schikking en de combinatie van deze woorden, cijfers of wiskundige concepten kan de auteur op een originele wijze uitdrukking aan zijn creatieve geest geven en tot een resultaat – de gebruikshandleiding van het computerprogramma – komen dat een intellectuele schepping vormt (zie in die zin arrest Infopaq International, reeds aangehaald, punt 45).
  3. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de reproductie van deze elementen neerkomt op het reproduceren van de uitdrukking van de eigen intellectuele schepping van de auteur van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebruikshandleiding voor het computerprogramma.

Graphical User Interface (GUI). Computerprogramma of ‘gewoon’ auteursrecht?

Moet de grafische gebruiksinterface van een computerprogramma worden beschouwd als een computerprogramma in de zin van de Softwarerichtlijn?

Hof allereerst dat zowel de broncode als de objectcode van een computerprogramma beschermd zijn.

“de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een computerprogramma, voor zover deze de mogelijkheid biedt om het computerprogramma te reproduceren in verschillende computertalen, zoals de bron- en de doelcode”.

Voorbereidend materiaal:
Daar komt bij dat de Softwarerichtlijn ook bescherming geeft aan het voorbereidend materiaal van software. Verderop in het arrest geeft het Hof als criterium voor bescherming aan dat “dit voorbereidende materiaal van dien aard is dat het later tot zulk een programma kan leiden“. Dat criterium stond overigens al letterlijk in de considerans van de Softwarerichtlijn.

Eerder op 21 oktober 2010 oordeelde de Advocaat Generaal bij het Europese Hof van Justitie dat een GUI niet viel aan te merken als een computerprogramma, maar wel voor “gewone” auteursrechtelijke bescherming in aanmerking zou kunnen komen.
Zie ook dirkzwagerit.nl

27 juli 2010
Leuke link op IPkat

23 juli 2010
Verenigd Koninkrijk – High Court of Justice (SAS Institute Inc. vs. World Programming Ltd.) – uitspraak

In deze Richtlijnen voor softwareauteursrecht (zowel de oorspronkelijke als de nieuwe) staat:

De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet krachtens deze richtlijn auteursrechtelijk beschermd.

Eigenlijk spreekt dat vanzelf in het auteursrecht (men spreekt van een “idee-expressie dichotomie”), en daarom heeft de wetgever deze regel niet eens overgenomen in de Nederlandse auteurswet. Ideeën zijn vrij. Iedereen mag een verhaal navertellen, als hij dat maar in zijn eigen woorden doet.

1994
TRIPs overeenkomst, artikel 10, lid 1:

Computerprogramma’s, in bron- dan wel doelcode, worden beschermd als letterkundige werken krachtens de Berner Conventie (1971).

1987
Quaedvlieg:

Grote meerderheid is het erover eens dat een algoritme als een puur wetenschappelijk concept moet worden aangemerkt en mitsdien niet beschermd kan worden. Vandenberghe, Van Lingen, Tengbergen en De Jong. Verkade:

“lucide, abstracte programmeerideëen kunnen geen voorwerp van auteursrechtelijke bescherming zijn.”

Anders Hugenholtz:

“in het oorspronkelijke karakter van de samenstelling en de structuur voor het algoritme zit het voornaamste aangrijpingspunt voor auteursrechtelijke bescherming.”

AMR 1984, 91.

Geen auteursrecht op productfoto’s

6 maart 2009
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

Op productfoto’s rust geen auteursrecht, ook niet indien deze zijn bijgewerkt in Photoshop e.d.

4.15. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige productfoto’s een onvoldoende eigen oorspronkelijk karakter hebben om daaraan auteursrechtelijke bescherming toe te kennen. Het betreft natuurgetrouwe, zo duidelijk en correct mogelijke weergaven van de te verkopen flesjes, potjes of doosjes tegen een witte achtergrond, gemaakt met het doel de producten zo objectief mogelijk te tonen, met een goede zichtbaarheid van het etiket. Dat er daarbij variaties mogelijk zijn in de wijze van belichting, afstand en hoek en dat er in de glazen verpakkingen een reflectie van licht is te zien en een lichte schaduwwerking is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van oorspronkelijke werken. Daarvoor is méér nodig. Het gebruik van een computerprogramma om beschadigingen of onregelmatigheden in de producten ‘weg te werken’ maakt de afbeeldingen evenmin oorspronkelijk. De vergelijking met het door De Roode Roos genoemde arrest van het Hof Arnhem gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Het gaat in die zaak om foto’s van woningen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dezelfde woning er op verschillende foto’s totaal anders uitzien, door subjectief bepaalde keuzes van de fotograaf zoals bijvoorbeeld de belichting, het tijdstip van fotograferen (welk seizoen, welk uur van de dag), de afstand (wat is er van de omgeving te zien). Het doel van de fotograaf is meestal om de woning er zo aantrekkelijk mogelijk uit te laten zien, hetgeen enige creativiteit kan vergen. Bij de foto’s van de (verpakkingen van) voedingssupplementen tegen een witte achtergrond zijn de subjectieve keuzemogelijkheden aanzienlijk beperkter en staat een objectieve, duidelijke weergave van het product voorop. Een en ander zou anders kunnen zijn indien de producten op de foto’s bijzonder zouden zijn gerangschikt of zijn weergegeven tegen een bijzondere achtergrond. Daarvan is echter geen sprake.

Auteursrechtelijke ondergrens: trefwoordenlijst is beschermd (Van Dale/Romme)

4-1-1991
Hoge Raad – uitspraak (pdf op ie-forum.nl)

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 10 Aw, vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt.

Een verzameling van woorden die deel uitmaken van de Nederlandse taal, voldoet niet zonder meer aan dit vereiste. Op zich zelf is zulk een verzameling immers niet meer dan een hoeveelheid feitelijke gegevens die als zodanig voor auteursrechtelijke bescherming niet in aanmerking komt. Dat zou slechts anders zijn indien de verzameling het resultaat zou zijn van een selectie die een persoonlijke visie van de maker tot uitdrukking brengt.

Uit hetgeen het hof heeft overwogen valt niet op te maken dat het hier om zulk een selectie gaat. Daarin is, integendeel, slechts sprake van “de schat van woorden die deel uitmaken van de Nederlandse taal”, waarbij ten aanzien van de selectiecriteria niet anders blijkt dan dat het gaat om woorden die in een modern woordenboek als de Grote Van Dale voor vermelding in aanmerking komen.

Uit het voorgaande volgt dat het hof tenzij is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip werk in de zin van de Auteurswet 1912, hetzij zijn oordeel niet genoegzaam heeft gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond; de overige klachten behoeven geen behandeling

De Hoge Raad verwees de zaak naar het Haagse Hof welke oordeelde dat de verzameling auteursrechtelijke bescherming genoot omdat er bij haar samenstelling “onvermijdelijk subjectieve afwegingen” waren gemaakt. (NJ 1994, 58)

Eigen Oorspronkelijk Karakter & Persoonlijk Stempel van de maker

Het bovenstaande wordt door ingewijden vaak afgekort tot EOK & PS. De Hoge Raad heeft dit cryptische vereiste halverwege 2008 verduidelijkt:

[D]at het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt, kort gezegd, in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk (vgl. art. 13 Aw). De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen.

Geen auteursrecht op feitelijke bouwtekening (bestektekening AutoCAD)

31 mei 2005
Gerechtshof Arnhem – uitspraak

4.5 Anders dan Verweij betoogt, bestaat er geen auteursrecht op haar tekening. De tekening kan worden aangemerkt als ontwerp of schets betrekkelijk tot de bouwkunde, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 sub 8 van de Auteurswet 1912. Voor auteursrechtelijke bescherming van een dergelijk werk is vereist dat dit een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (vergelijk Hoge Raad 4 januari 1991, NJ 1991, 608). Dit eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel ontbreken aan de tekening van Verweij, nu die slechts de feitelijke situatie van het pand weergeeft. Wanneer twee verschillende architecten een bestektekening van de bestaande situatie van het pand maken is het zeer aannemelijk dat beiden tot een vrijwel gelijk resultaat komen, zeker wanneer zij daarbij beiden gebruik maken van hetzelfde bouwkundig computertekenprogramma (Autocad). De wijze waarop Verweij het dakvlak van het pand heeft onderverdeeld en weergegeven en de arcering en de belijningen van de tekening drukken geen, althans een onvoldoende, persoonlijk stempel van Verweij op de tekening. De verklarende teksten bij de tekening geven slechts aan van welke materialen de onderdelen van het pand zijn gemaakt – bijvoorbeeld: houten dorpel, stucwerk en houten hijsbalk – en geven derhalve slechts de feitelijke situatie weer. Alleen de feitelijke weergave van de ornamenten aan de voorgevel vergt enige persoonlijke inbreng van de architect aan de tekening, echter in zodanig geringe mate dat daarop geen auteursrechtelijke bescherming van de tekening kan worden gebaseerd.

Parodie exceptie

In 2004 werd aan de Auteurswet artikel 18b toegevoegd:

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.

1984

In 1984 erkende de Hoge Raad het recht op parodiën in het Suske en Wiske arrest. De Hoge Raad bepaalde wel dat nabootsing niet verder mocht gaan dan voor de herkenbaarheid van het geparodiëerde werk nodig was.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén