Categorie: Grondrechten

Vrijheid van vergadering en betoging ingeperkt door wangedrag tegendemonstranten?

Stichting Nederlands Eritrees platform zou 14, 15 en 16 april een conferentie houden in een conferentiecentrum in Veldhoven.

Tegendemonstranten veroorzaakten 13 april echter wanordelijkheden buiten het conferentiecentrum, waardoor de burgemeester van Veldhoven de conferentie verbood.

Hierop spande de stichting een kort geding aan.

De rechter oordeelt dat de burgemeester voldoende duidelijk heeft gemaakt dat er donderdag sprake was van ernstige en acute wanordelijkheden bij het conferentiecentrum. Bovendien kreeg de burgemeester van de politie informatie dat er aanwijzingen waren voor nieuwe wanordelijkheden. De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde en die was volgens de rechter in het geding. Verder vindt de rechter van belang dat de burgemeester zich niet rechtstreeks met de inhoud van de conferentie heeft bemoeid, de onderwerpen die daar zouden worden besproken en de vraag wie al dan niet tot die conferentie wordt toegelaten. De burgemeester heeft volgens de rechter voldoende gemotiveerd dat minder zware maatregelen geen uitkomst zouden bieden en mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid de conferentie te verbieden.

Dit is vreemd. Krachtens het arrest ‘Ärzte für das Leben’ van het EHRM in 1988 dienen lidstaten actief het recht op vrijheid van vereniging en betoging te beschermen. Nu wordt de conferentie verboden wegens (dreigende) wanordelijkheden veroorzaakt door tegendemonstranten.

https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Oost-Brabant/Nieuws/Paginas/Burgemeester-mocht-conferentie-in-Veldhoven-verbieden.aspx

Onderzoek politie aan inbeslaggenomen smartphone (94, 95, 96 en 104 Sv)

Inhoudsopgave

  • Hoge Raad 4 april 2017 – onderzoek politie smartphone moet beperkt blijven
  • Hof Amsterdam 22 juni 2015 – onderzoek politie smartphone mag gewoon
  • Hof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2015 – onderzoek politie smartphone moet beperkt blijven

10 januari 2018
Rechtbank uitspraak


4 april 2017
Hoge Raad der Nederlanden – uitspraak

2.4.

De relevante wettelijke bepalingen luiden als volgt:
– art. 94, eerste lid, Sv:
“1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen
(…)”

– art. 95, eerste lid, Sv:
“1. Hij die den verdachte aanhoudt of staande houdt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, door dezen met zich gevoerd, in beslag nemen.”

– art. 96, eerste lid, Sv:
“1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.”

– art. 104 Sv:
“De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten het geval hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht, vindt inbeslagneming door de rechter-commissaris slechts plaats op vordering van de officier van justitie.”

2.5.
Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.

2.6.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.

2.7.1.
Het Hof heeft het gevoerde verweer verworpen op de enkele grond dat art. 94 Sv een voldoende wettelijke grondslag vormt voor het door een opsporingsambtenaar verrichte onderzoek aan de smartphone van de verdachte. Daarmee heeft het Hof het in 2.6 overwogene miskend. Het middel klaagt daarover terecht.

2.7.2.
Na terugwijzing van de zaak zal het Hof moeten beoordelen of ten aanzien van de op de voet van art. 94 Sv in verbinding met art. 95 en 96 Sv inbeslaggenomen smartphone en het ten behoeve van de opsporing vastleggen van de daarin opgeslagen of beschikbare gegevens sprake is van meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Indien het Hof bevindt dat sprake is van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 86 beschreven gang van zaken – kort gezegd inhoudend dat zowel handmatig als met daartoe bestemde apparatuur en/of software alle op een smartphone en/of de bijbehorende SIM-kaart opgeslagen of beschikbare gegevens zijn door- en uitgelezen waardoor (volledig) inzicht is verkregen in contacten, oproepgeschiedenis, berichten en foto’s – ontstaat daardoor het vermoeden dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt.

Indien het Hof tot dat oordeel zou komen, zal het op de voet van art. 359a Sv moeten beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. (Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308.)

2.8.
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt – in het licht van art. 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.


22 juni 2015
Gerechtshof Amsterdam – uitspraak

Artikel 94 Sv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van een smartphone anders te oordelen. De iPhone van de verdachte is dan ook met de oog op de waarheidsvinding rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.


22 april 2015
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – uitspraak

Het hof onderschrijft het standpunt van de verdediging in die zin dat verdachte ten aanzien van de inhoud van zijn smartphone een beroep op bescherming op artikel 8 EVRM (en artikel 10 Grondwet) toekomt. De inbeslagname, het onderzoek aan de smartphone en het lichten van gegevens van die smartphone door de politie op grond van artikel 94 Sv. vormen een inbreuk op de door artikel 8 EVRM verleende bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De bevoegdheid van de politie tot het maken van een inbreuk op dit recht moet voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet zijn omschreven.

De technische ontwikkelingen anno 2015 brengen met zich dat er via een smartphone niet alleen toegang wordt verkregen tot verkeersgegevens, maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone. En dat zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van de subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid. Dat brengt het hof tot het oordeel dat sprake is van een zodanig ingrijpende bevoegdheid dat, mede gelet op artikel 1 Sv., de algemene bevoegdheidsomschrijving van artikel 94 Sv. heden ten dage niet meer kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat als voldoende kenbaar en voorzienbaar kan worden aangemerkt bij de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Het kan derhalve de toets van artikel 8 EVRM niet (meer) doorstaan.

Met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat het onderzoek door de politie aan de smartphone van de verdachte oplevert een schending van zijn recht op privacy.

De verdachte is hierdoor getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. De verdachte is ook concreet benadeeld in zijn (verdedigings)belang, nu gegevens (een whatsapp gesprek) uit de smartphone van de verdachte zijn gelicht en geprint en toegevoegd aan het strafdossier en de verdachte door de politie is verhoord en door de rechtbank is veroordeeld mede op basis van een onderdeel van het whatsapp gesprek.

Kan werkgever/overheid hoofddoek verbieden om neutraliteit uit te stralen naar klanten/burgers?

Inhoud

31-05-2016 Conclusie AG Kokott (Achbita)
13-06-2016 Conclusie AG Sharpston (Bougnaoui)
14-03-2017 HvJ EU (Achbita)
14-03-2017 HvJ EU (Bougnaoui)
20-11-2017 College voor de Rechten van de Mens (NL) politiebeambte mag geen uniform dragen zolang zij hoofddoek draagt


31 mei 2016
Conclusie Advocaat-Generaal Kokott – link

De wil van een werkgever om rekening te houden met de wensen van een klant om de diensten van die werkgever niet langer te laten verrichten door een werkneemster die een islamitische hoofddoek draagt, niet kan worden beschouwd als een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste (ex art. 4 lid 1 Richtlijn 2000/78/EG).

  1. Wanneer het een werkneemster die moslima is, wordt verboden op het werk een islamitische hoofddoek te dragen, is er geen sprake van directe discriminatie op grond van godsdienst in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep indien dit verbod is gebaseerd op een algemeen bedrijfsreglement dat strekt tot het verbieden van zichtbare politieke, filosofische en religieuze tekenen op het werk, en niet berust op stereotypen of vooroordelen tegenover een of meer specifieke godsdiensten dan wel tegenover religieuze overtuigingen in het algemeen. Dit verbod kan evenwel indirecte discriminatie op grond van godsdienst in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn opleveren.
  2. Een dergelijke discriminatie kan gerechtvaardigd zijn door het streven een door de werkgever in het betrokken bedrijf gevoerd beleid van religieuze en levensbeschouwelijke neutraliteit te handhaven, mits daarbij het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen.In dit verband dient met name rekening te worden gehouden met:
    • de grootte van het religieuze teken en de mate waarin het opvalt;
    • de aard van de activiteiten van de betrokken werkneemster;
    • de context waarin zij deze activiteiten dient uit te voeren, en
    • de nationale identiteit van de betrokken lidstaat.

13 juli 2016
Conclusie Advocaat Generaal Sharpston – link

  1. Een regel in het bedrijfsreglement van een onderneming waarbij het werknemers wordt verboden religieuze tekens en kledij te dragen tijdens contact met klanten van het bedrijf, brengt directe discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging mee, waarop noch artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep noch enige andere in die richtlijn vervatte afwijking van het verbod van directe discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging van toepassing is. Dat is a fortiori het geval wanneer de betrokken regel alleen voor de islamitische hoofddoek geldt.
  2. Wanneer er sprake is van indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, moet artikel 2, lid 2, onder b), i), van richtlijn 2000/78 aldus worden uitgelegd dat wordt erkend dat de belangen van het bedrijf van de werkgever een legitiem doel in de zin van die bepaling vormen. Een dergelijke discriminatie is echter alleen gerechtvaardigd indien zij evenredig is aan dat doel.

14 maart 2017
Hof van Justitie van de Europese Unie – persbericht

Op deze datum doet het Hof uitspraak in twee zaken.

Het verdient aanbeveling om het persbericht aangaande beide zaken grondig door te nemen.

Het Hof lijkt eerst in de zaak G4S/Achbita arrest te hebben gewezen, en (vlak) daarna het arrest Micropole/Bougnaoui.

Directe discriminatie

Indirecte discriminatie

Van indirecte discriminatie is sprake indien de (ogenschijnlijk neutrale) verplichting tot gevolg heeft dat feitelijk (enkel) personen met een bepaalde godsdienst/overtuiging worden benadeeld. Dit zal m.i. altijd het geval zijn bij een ‘gemengde’ werkvloer. Alleen degenen met een hoofddoek worden geraakt.

Het Hof oordeelt dat indirecte discriminatie objectief kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel. Zo’n doel kan zijn het nastreven, in de relaties met de klanten, van een beleid van politieke, filosofische en religieuze neutraliteit. Wel moeten de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn, hetgeen door de nationale rechter moet worden beoordeeld.

Wel merkt het hof op dat de werkgever had moeten overwegen of de werkneemster een andere functie.

Eerder kwam de Advocaat-Generaal in zijn advies aan het Hof al tot dezelfde conclusie. Deze conclusies worden doorgaans overgenomen door het Hof.


20 november 2017
College voor de Rechten van de Mens (NL) – uitspraak

Voor de politie geldt de gedragscode lifestyle-neutraliteit (2011). In de gedragscode is afgesproken af te zien van zichtbare uitingen van onder andere levensovertuiging, religie, politieke overtuiging en geaardheid.

Een moslima werkt bij de politie en staat o.a. via een videoverbinding in contact met burgers. Het politie-korps staat haar daarbij toe een hoofddoek te dragen in burgerkleding. Dit is gek. Door de vrouw tijdens contact met de burger een hoofddoek te laten dragen, kiepert het korps de door de gedragscode beoogde neutraliteit reeds over boord. Voor burgers is het namelijk volstrekt duidelijk dat de vrouw een politiebeambte is wanneer zij met haar in contact staan.

Het korps stond de vrouw niet toe tijdens het dragen van een hoofddoek tegelijkertijd haar uniform te dragen. Aangezien zoals gezegd de neutraliteit door het korps zelf al in de ban was gedaan door de vrouw een hoofddoek te laten dragen in haar contact met burgers, valt hier geen zinnig argument meer aan te dragen. Hierdoor is het niet gek dat het Nederlandse College voor de Rechten van de Mens de regel dat de vrouw geen uniform mag dragen zolang zij een hoofddoek draagt bestempelt als discriminatie.

Mijns inziens had het politie-korps kans van slagen gehad als zij de vrouw in contact met burgers in het geheel verboden hadden een hoofddoek te dragen. Dat is namelijk conform de geest van de gedragscode.

Google en het recht om vergeten te worden

Ruim twee decennia geleden had Mario Costeja Gonzále schulden, waarop een veiling van zijn huis werd aangekondigd in een Spaanse krant van 19 januari 1998.

Deze krant heeft een online archief waarop deze parel uit Mario’s verleden anno 2017 nog immer te raadplegen is.

Google indexeert de site van de krant, inclusief het archief, wat tot gevolgd heeft dat bij het zoeken op Mario’s naam, dit stukje geschiedenis weer naar boven komt.

Op een gegeven moment vond Mario het welletjes, en vorderde dat Google niet meer naar de krant zou verwijzen wanneer men zocht op zijn naam.

Het Hof van Justitie heeft hierop geoordeeld dat Google bij zoeken op Mario’s naam in de zoekresultaten de link naar de (oude) krant niet meer mocht tonen.

Vreemd is, dat de Spaanse krant de gewraakte pagina niet offline hoeft te halen. Het probleem wordt dus niet bij de bron aangepakt. Zoekmachines krijgen dus een soort beheerder-functie opgelegd.

Jurisprudentie

20-3-2018
Rechtbank Limburg – uitspraak

27 februari 2017
Hoge Raad – uitspraak

Hof heeft geen of onjuiste belangenafweging toegepast. Doorverwijzing.

31 maart 2015
Gerechtshof Amsterdam – uitspraak

Zoekresultaten betreffende veroordeelde criminelen hoeft Google niet te verwijderen.

8 mei 2015

Uit Google’s transparantierapport blijkt dat Google op moment van schrijven zo’n 20.000 url’s heeft verwijderd na verzoeken daartoe van Nederlanders. (tweakers)

21 september 2015

Franse privacywaakhond CNIL heeft besloten dat Google pagina’s die onder het ‘recht om vergeten te worden’ zijn verwijderd, op al zijn internationale sites moet verbergen. (nu.nl)

Burkini-verbod

De Franse Raad van State heeft geoordeeld dat het burkini-verbod in diverse Franse badplaatsen niet door de beugel kan.

Boerkaverbod, burqaverbod openbaar (boerkiniverbod Frankrijk)

Deze pagina gaat over het boerkaverbod in het (semi)openbaar. Voor de situatie op het werk klik hier.

22 november 2016 – bron

Een Kamermeerderheid is voor een boerkaverbod in het openbaar vervoer, overheidsgebouwen, onderwijsinstellingen en zorginstellingen. Het verbod zal ook gelden voor bivakmutsen en maskers.

Voorlopig mogen boerka’s en bivakmutsen nog, maar uitgerekend de politie heeft daar maling aan, getuige het volgende filmpje:

Dat is dus een volstrekt onrechtmatige mishandeling en fouillering. Chapeau!

http://www.bbc.com/news/world-europe-37074601

Levenslange gevangenisstraf en het recht op gratie

De Hoge Raad oordeelde vandaag dat het huidige beleid in strijd is met Europees recht en dat levenslang gestraften enig perspectief op vrijlating moeten hebben.

Huidige tenuitvoerleggingspraktijk is onverenigbaar met de eisen die art. 3 EVRM stelt. Levenslange gevangenisstraf is niet i.s.m. art. 3 EVRM ook niet indien deze ten volle wordt geëxecuteerd. Levenslange gevangenisstraf kan niet worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling.

Vrijheid van meningsuiting versus eer en goede naam (spotprent, satire, parodie, belediging)

Cartoonist R.L. Oppenheimer maakte onderstaande cartoon over advocaat Theo Hiddema, welke werd verspreid in het gratis Maastrichtse huis-aan-huisblad De Ster.


(Deze afbeelding is geëmbed)

De advocaat vond het niet kunnen dat hij als louche werd bestempeld en spande een kort-geding aan. De rechtbank oordeelde dat de cartoonist een rectificerende tekst moest plaatsen in het huis-aan-huisblad. Hier was de cartoonist het niet mee eens en ging in beroep. Het hof oordeelde dat de cartoon tóch door de beugel kon.

Hieronder de relevante passages uit beide uitspraken.

14 juli 2015
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch – uitspraaknu.nl

Het hof wijst op de context van de afbeelding en op het feit dat het gaat om de mening van de tekenaar. Verder oordeelt het hof dat publieke personen zich meer moeten laten welgevallen (‘Hoge bomen vangen veel wind’)

3.12. Gelet op de stellingen van partijen en onder verwijzing naar 3.8.1. en 3.8.2., acht het hof met name de volgende omstandigheden relevant:

  • de aard, context en strekking van de cartoon (3.13.1.)
  • de vraag of de aanduiding ‘louche advocaat’ een feitelijke bewering is of een waardeoordeel (3.13.1.)
  • de ernst van de gebruikte bewoordingen (3.13.2.)
  • de verhouding van de cartoon tot het beschikbare feitenmateriaal (3.13.3.)
  • de vraag of [geïntimeerde] een publiek figuur is en/of op welk terrein en op welke wijze hij zelf de publiciteit zoekt (3.13.4.)
  • de ernst van de te verwachten gevolgen van de publicatie (3.13.5.)
  • het herhaalde karakter (3.13.6.).

3.13.1. Zoals al vermeld is de cartoon een satirische uiting van [appellant]. Aangenomen kan worden, dat de lezers van De Ster zich dit hebben gerealiseerd en deze uiting met een korreltje zout hebben genomen. Het opschrift (‘Aangifte tegen louche advocaat om boek’) dient naar het voorlopige oordeel van het hof niet (grammaticaal) te worden gelezen als een zuiver feitelijke bewering. Het is een schets (in trefwoorden) van de in 3.1. onder c) en d) en in 3.11. vermelde context van de cartoon, waarbij [appellant] een spottend waardeoordeel geeft over [geïntimeerde] als bekende advocaat uit [vestigingsplaats]. Nu de cartoon kort na het verschijnen van het boek en de daarmee verband houdende artikelen in de media is gepubliceerd, is deze context naar het oordeel van het hof voldoende kenbaar geweest voor de lezers van De Ster.

Het hof is voorts van oordeel dat het opschrift gelezen dient te worden als inleiding op de strekking (“clou”) van de cartoon, uitgedrukt in de tekening in combinatie met de tekstballon. Deze strekking houdt in dat – naar de mening van [appellant] – [geïntimeerde] er als advocaat kennelijk geen moeite mee heeft dat er aangifte tegen hem is gedaan, zolang het publiek maar niet denkt dat hij homo is. Naar het oordeel van het hof is, gelet op het bovenstaande, voldoende kenbaar geweest voor de lezers van De Ster: (i) dat het hier uitsluitend gaat om de mening van [appellant] en (ii) dat die mening de genoemde strekking heeft.

Voor zover [appellant] heeft bedoeld hiermee een misstand aan de kaak te stellen (de door hem beschreven ‘glamouradvocaat’), acht het hof dit minder duidelijk kenbaar. Echter, de vraag of er al dan niet een misstand aan de kaak wordt gesteld dient in een zaak als deze wel in de afweging te worden betrokken maar is géén zelfstandig vereiste zoals door [geïntimeerde] gesteld (3.9.).

3.13.2 Tussen partijen staat vast dat de betekenis van het woord louche is: ‘onguur, verdacht’. Louche heeft dus weliswaar een negatieve betekenis maar het is bijvoorbeeld geen strafrechtelijk begrip. In het licht van de overwegingen in 3.13.1. (aard, context en strekking van de cartoon) en verderop in 3.13.4 ([geïntimeerde] als publieke persoon), gaat het hier naar het oordeel van het hof niet om een onnodig grievende aanduiding.

3.13.3. Ten aanzien van de omstandigheid van het beschikbare feitenmateriaal overweegt het hof als volgt. Zoals al vermeld, betreft de aanduiding ‘louche advocaat’ het spottende waardeoordeel van [appellant]. Tegen de hierboven geschetste achtergrond van de over en weer door [geïntimeerde] en [privé detective] gedane uitlatingen en beschuldigingen, is er naar het oordeel van het hof in redelijkheid een voldoende verband tussen dit spottende waardeoordeel van [appellant] en het beschikbare feitenmateriaal.

Voor alle duidelijkheid overweegt het hof, dat dit niet betekent dat het hof van oordeel is dat [geïntimeerde] een louche advocaat is.

3.13.4. [geïntimeerde] dient zich meer te laten welgevallen dan de gemiddelde persoon, aangezien hij een persoon is die ook zelf de publiciteit zoekt en wel in die mate dat hij inmiddels als publiek persoon aangemerkt kan worden. Daarbij schuwt hij ferme bewoordingen niet.

Zo heeft hij publiekelijk grenzen overschreden en is hij civielrechtelijk veroordeeld toen hij een derde (c.q. voormalig cliënt) heeft aangeduid als ‘addergebroed’.

Ook heeft hij zich na publicatie van de cartoon in weinig subtiele bewoordingen uitgelaten over [appellant]. In een publicatie op de website van L1 (prod. 12 bij pleitnota van [appellant] in eerste aanleg) is vermeld dat [geïntimeerde] [appellant] heeft aangeduid als ‘prutser, een rat die tekeningen maakt voor dat gedrukt vodje voor simpele types’.

[geïntimeerde] heeft daarnaast publiekelijk aan ‘mensen die een beetje leuk wonen’ geadviseerd een pistool te kopen, om zich te wapenen tegen overvallers (prod. 5 en 9 bij pleitnota van [appellant] in eerste aanleg).

3.13.5. [geïntimeerde] heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat de aanduiding louche advocaat ernstige gevolgen heeft voor zijn beroepsuitoefening. Hij heeft dit onvoldoende onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft hij weliswaar nog aangevoerd dat hij over genoemde aanduiding vragen krijgt van mensen maar eventuele verdere gevolgen heeft hij niet toegelicht.

3.13.6. Tussen partijen is niet in geschil, dat [appellant] [geïntimeerde] ook al in 2012 in cartoons heeft aangeduid als ‘louche’. De eventuele onrechtmatigheid van die eerdere uitingen ligt in dit geding niet ter beoordeling voor en bovendien heeft [geïntimeerde] hierover ook onvoldoende aangevoerd. Vaststaat wel dat het in 2012 ging om een andere, op dat moment actuele context. De onderhavige uiting uit oktober 2014 heeft betrekking op de actualiteit van het verschijnen van het boek over [geïntimeerde] en de publiciteit daaromheen. In zoverre is er dan ook geen sprake van ‘hetzelfde grapje’, zoals door [geïntimeerde] in hoger beroep bepleit. Gelet hierop acht het hof het herhaalde karakter van de uiting niet een omstandigheid die enig relevant gewicht in de schaal legt ten nadele van [appellant].

3.14. Al bovenstaande omstandigheden afwegend, komt het hof tot het oordeel dat de vrijheid van meningsuiting van [appellant] het zwaarste weegt en dat [appellant] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde]. Derhalve is er geen plaats voor de door [geïntimeerde] gevorderde rectificatie.

31 oktober 2014
Rechtbank Limburg – uitspraak

Burkaverbod in Frankrijk

Vanaf maandag is het in Frankrijk verboden met een doek het gelaat te bedekken in het openbaar.

De boete bedraagt omgerekend $ 200.

Frankrijk is het eerste Europese land met een dergelijke regel.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén