Categorie: Ondernemingsrecht

Aansprakelijkheid opdrachtgever en verhaal op ZZP’er bij Wet DBA

Bij de VAR was alleen de zzp’er aansprakelijk als bij controle toch sprake bleek te zijn van een loondienstverband. Met de Wet DBA komt de verantwoordelijkheid ook bij de opdrachtgever te liggen.

Mocht er volgens De Belastingdienst toch sprake zijn van een (fictief) dienstverband, dan heeft dit gevolgen voor de opdrachtgever en voor de opdrachtnemer/zzp’er. De opdrachtgever kan een naheffingsaanslag loonheffingen en een boete krijgen. De loonbelasting en de premie volksverzekeringen kunnen door de opdrachtgever op de opdrachtnemer worden verhaald. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de boete.

De modelovereenkomsten op de site van de belastingdienst bevatten geen bepalingen over verhaal.

Bestuurder moet instaan voor verplichtingen projectvennootschap

Bestuurder moet instaan voor verplichtingen projectvennootschap

7:404 BW

7A:1680 BW:

De vennooten kunnen door den schuldeischer, met wien zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen bedroeg; ten zij, bij het aangaan der schuld, derzelver verpligting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elk vennoot te dragen, uitdrukkelijk zij bepaald.

(“al ware het dat” moet gelezen worden als “ook al was het zo dat”)

7:404 BW:

Indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer.

7:407 lid 2 BW:

Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.

Alhoewel de maten van ‘een maatschap’ niet zomaar gebonden kunnen worden, gaat de Hoge Raad ervan uit dat

Vereenzelviging rechtspersonen, misbruik van identiteitsverschil

Het onderdeel stelt daarmee de vraag aan de orde of voor een zodanige vereenzelviging plaats is indien zich feiten en omstandigheden voordoen als die waarop het Hof zijn oordeel heeft gegrond.

Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.

De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen — het volledig wegdenken van het identiteitsverschil — de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551, NJ 1996, 213).

Vereenzelvigen BV’s (vennootschappen)

Rainbow-arrest

Aanbieden internet (gratis wifi) leidt niet tot auteursrechtelijke aansprakelijkheid

16 maart 2016
Advocaat-Generaal Hof van Justitie EU – uitspraak

1.
De A-G acht op het aanbieden van gratis wifi de Richtlijn electronische handel van toepassing aangezien dit gezien kan worden als nevenactiviteit bij een economische hoofdactiviteit.

2.
Volgens de A-G verzet de Richtlijn zich tegen aansprakelijkheid van tussenpersonen.

3.
Wel kan volgens de A-G een verbod worden opgelegd indien dat:

  • doeltreffend, evenredig en afschrikkend is
  • erop gericht is een specifieke inbreuk te beëindigen of te voorkomen
  • geen algemene toezichtverplichting inhoudt
  • er een juist evenwicht wordt bewaard tussen de betrokken grondrechten (intellectuele-eigendomsrechten en vrijheid van ondernemerschap).

Bestuurdersaansprakelijkheid (externe)

23-11-2012
Hoge Raad – uitspraak

3.4.1 Mede blijkens de schriftelijke toelichting beroept het middel zich ter ondersteuning van voormelde klachten op de in de rechtspraak van de Hoge Raad – in het bijzonder wordt vermeld HR 8 december 2006, LJN AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/[…]) – ontwikkelde criteria voor de aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen jegens derden.

De bedoelde rechtspraak en genoemd arrest zien op een eventuele aansprakelijkheid van de bestuurder in een situatie waarin een schuldeiser van de vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering op de vennootschap, ingeval de bestuurder (i) namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In deze gevallen is voor aansprakelijkheid van de bestuurder vereist dat hem (persoonlijk) een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Eenzelfde maatstaf is op zijn plaats bij beantwoording van de vraag of een bestuurder aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen van de vennootschap. Ook daarvoor kan de bestuurder slechts (naast de vennootschap) persoonlijk aansprakelijk gehouden worden, indien hem ter zake van het onrechtmatig handelen van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt op de grond dat hij dat handelen in verband met de kenbare belangen van de benadeelde had behoren te voorkomen.

3.4.2 In het onderhavige geval is [eiser] evenwel niet aansprakelijk gehouden voor een tekortkoming of onrechtmatig handelen van de Vennootschap.

Blijkens rov. 4.7.2 – 4.7.4 heeft het hof immers [eiser] aansprakelijk geoordeeld op de grond dat hij in strijd heeft gehandeld met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [verweerder] c.s., en niet op de grond dat hem als bestuurder het verwijt wordt gemaakt dat door zijn onbehoorlijke taakuitoefening de Vennootschap in strijd heeft gehandeld met een op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [verweerder] c.s.

Voor een dergelijke aansprakelijkheid van een bestuurder – die niet een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder betreft, maar berust op een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm – gelden de gewone regels van onrechtmatige daad. In het bijzonder is dan niet vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin de onrechtmatige gedragingen van de bestuurder in het maatschappelijk verkeer (tevens) als gedragingen van de vennootschap kunnen worden aangemerkt, zodat ook de vennootschap uit eigen hoofde op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gehouden kan worden.


27-7-2013
Rechtbank ‘s-Gravenhage – uitspraak

In deze zaak wordt de (enig) bestuurder naast de BV aansprakelijk geacht voor de IE-inbreuk. De bestuurder wordt o.g.v. onrechtmatige daad aansprakelijk gehouden voor de schade:

4.12. De hiervoor genoemde omstandigheden voeren de rechtbank tot de conclusie dat [X] wist althans moet hebben geweten dat Allergoedkoopst bij het aanbieden en verhandelen van de 3G rollators inbreuk maakte op de merken van Topro en haar auteursrecht op het Topro logo. Hij was zelf degene die de 3G rollator bij Leborn bestelde, inging op het aanbod het teken TOPRO op de rollators aan te brengen en deze vervolgens als zijnde afkomstig van Topro aanbood onder verwijzing naar een consumententest en een demonstratiefilm van Topro. [X] heeft niet ontkend dat hij al vóór de sommatie van Topro op de hoogte was van het feit dat de 3G rollators inbreukmakend zijn. [X] was in staat om die inbreuk te voorkomen maar heeft dit niet gedaan, hoewel dat met het oog op de belangen van Topro wel van hem gevergd kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] aldus in strijd gehandeld met de zorgvuldigheidsnorm waartoe hij in dit geval persoonlijk en niet slechts als bestuurder van Allergoedkoopst jegens Topro was gehouden en is hij aansprakelijk voor de schade die Topro dientengevolge lijdt.

Vervolgens wordt ook aansprakelijkheid aangenomen ‘als bestuurder’:

Overigens is de rechtbank van oordeel dat [X] gelet op voornoemde omstandigheden ook persoonlijk een ernstig verwijt te maken is dat hij de merk- en auteursrechtinbreuk en misleiding door Allergoedkoopst niet heeft voorkomen. Zodoende is [X] ook in hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk jegens Topro voor de onrechtmatige gedragingen van Allergoedkoopst en de schade die daaruit voor Topro voortvloeit.

Verkapte winstuitdeling door te dure aandelenverkoop van DGA aan (eigen) BV

17 februari 2012
Rechtbank ‘s-Gravenhage – uitspraak (bv) – uitspraak (dga)

30 […] Het nieuwe feit is erin gelegen dat verweerder door het strafrechtelijk onderzoek ermee bekend raakte dat de dga de aandelen in juli 2000 voor £ 0,40 per aandeel heeft gekocht en in december 2000 voor £ 6 per aandeel aan eiseres heeft verkocht. Nu eiseres die aandelen in 2001 heeft afgewaardeerd tot £ 0,50 per aandeel rechtvaardigen deze feiten het vermoeden dat eiseres in december 2000 aan de dga een winstuitdeling heeft gedaan, dat eiseres de aandelen [M] per ultimo 2000 op £ 0,50 per aandeel of althans op minder dan £ 6 had moeten waarderen, dat de afwaardering in het jaar 2001 ten onrechte heeft plaatsgevonden en dat de primitieve aanslag VPB over het jaar 2001 te laag is vastgesteld.

Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken is maximumharmonisatie

14 januari 2010
Hof van Justitie EU – uitspraak

De richtlijn oneerlijke handelspraktijken (2005/29) is maximumharmonisatie (ook wel: “volledige harmonisatie”) hetgeen inhoudt dat lidstaten niet minder, maar ook niet meer bescherming mogen bieden dan in door de richtlijn wordt geboden.

[Richtlijn 2005/29] moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die handelspraktijken waarbij de deelneming van de consument aan een prijsvraag of spel afhankelijk wordt gesteld van de aankoop van een goed of een dienst, in beginsel verbiedt, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het concrete geval.

Uitgetreden vennoot (waardoor vof werd ontbonden) aansprakelijk voor toekomstige huurschulden

29-1-2008
Hof Arnhem – uitspraak

Door uittreding werd de vof ontbonden:

5. De kantonrechter heeft onder 2.5 van het beroepen vonnis het volgende overwogen:

“Door de uittreding van [geïntimeerde] uit de vennootschap onder firma werd de vennootschap onder firma – gevormd door [de vennoot] en [geïntimeerde] – ontbonden. Door die ontbinding kwam echter geen einde aan de huurovereenkomst. In beginsel bleef [geïntimeerde] dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de uit die overeenkomst voortvloeiende schulden.”

6. Het hof onderschrijft deze overweging, waartegen overigens ook niet is gegriefd.

Uitgetreden vennoot aansprakelijk voor huurschulden na (bekend worden met) uittreding:

9. De enkele omstandigheid dat Kaystaete – na het verondersteld bekend worden met het uittreden uit de vof van [geïntimeerde] en het niet meer deelnemen aan de voorheen door die vof geëxploiteerde onderneming – niet te kennen heeft gegeven dat zij [geïntimeerde] nog steeds aansprakelijk hield voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken voor na augustus 2004 ontstane huurschulden. Daarbij moet worden bedacht dat voor afstand van recht of rechtsverwerking enkel stilzitten onvoldoende is.

Vrijwel zeker is van belang dat de vordering is ontstaan uit een reeds bestaande rechtsverhouding (lees: de huurovereenkomst). Bij het aangaan van de huurovereenkomst was de vennoot nog niet uitgetreden. Geheel ‘nieuw’ of zijn de nadien ontstane (verschuldigde) huurpenningen dus niet.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén