Categorie: Algemeen

Zaak: teken ‘Dutch Tulip Vodka’ maakt geen inbreuk op merk ‘La Tulip’ (voor wijn en drinkglazen)

30-7-2018
Rechtbank Den Haag, kort geding – uitspraak

Eiser heeft een merkrecht op ‘La Tulip’ voor wijnen en drinkglazen. Gedaagde verkoopt vodka onder de naam ‘Dutch Tulip Vodka’.

Volgens eiser is er sprake van inbreuk ex 2.20 sub b en c, want verwarringsgevaar. Het teken van gedaagde stemt zodanig overeen dat sprake is van verwarringgevaar. Het wordt immers gebruikt voor soortgelijke waren.

Bevoegdheid inzake Beneluxmerk volgt uit 4.6 BVIE en inzake internationaal merk met werking in EU uit art. 182 in verbinding met 123(1), 124(a), 125(1) en 131(1) UMVo in verbinding met art. 3 Uitvoeringswet Merkenverordening.

Gedaagde verweert zich met 2.23 BVIE (en 14(1)(b) UMVo). Op grond hiervan kan merkhouder derden niet verbieden in het economisch verkeer gebruik te maken van aanduidingen inzake o.m. soort, kwaliteit, hoeveelheid en bestemming van waren/diensten of andere kenmerken, mits sprake is van gebruik volgens eerlijke gebruiken in nijverheid en handel. Dergelijke tekens en benamingen moeten voor ieder vrij beschikbaar blijven om kenmerken van eigen waren te kunnen beschrijven.

Naar voorlopig oordeel is ‘Dutch Tulip Vodka’, meer in het bijzonder ‘Tulip’ een verwijzing naar soort/kwaliteit van de waar, danwel het kenmerk van welke plant [deze] gemaakt is, aangezien tulpen(bollen) worden gebruikt in het productieproces. ‘Tulip’ verwijst immers naar belangrijkste, althans onderscheidende ingrediënt van de vodka. Gebruik hiervan dient vrij te blijven voor de aan de orde zijnde waren. Eiser beseft dat vermeld mag worden dat de vodka wordt gemaakt van tulpen(bollen). Dit mag niet indien het teken gebruikt wordt in strijd met eerlijke nijverheid en handel. Daarvan is sprake indien gebruiker deloyaal handelt jegens merkhouder. Bij die beoordeling dient rekening te worden gehouden met mate waarin het betrokken publiek, althans aanzienlijk deel daarvan, het begrijpt als aanwijzing voor verband tussen waren van derde en merkhouder, alsook mate waarin derde daarvan bewust moest zijn. In dat kader moet de opmaak van flessen en etiketten worden meegewogen.

Eiser bepleit dat gedaagde teken gebruikt als merk, nu zij dat heeft geregistreerd en domeinnamen houdt waarin het voorkomt. Ook wordt ‘Tulip’ gestilleerd

Buurweg welke in 1992 reeds bestond, is blijven bestaan

Aansprakelijkheid voor schade door dieren (6:179 bw)

De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

Een bezitten van een dier is in beginsel aansprakelijk voor schade door het dier.

De enige uitzondering hierop is dat de bezitter het dier in de macht had en het dier op de gedupeerde af had mogen sturen ter afwending van een gevaar door de gedupeerde veroorzaakt,

Schadevergoeding via bestuursrechter of civiele rechter

4.16. Vóór 1 juli 2013 kon in een bestuursrechtelijke procedure op grond van artikel 8:73 Awb schadevergoeding worden gevorderd bij gegrondverklaring van een besluit. De belanghebbende had de keuze om bij gegrondverklaring van een beroep door de bestuursrechter schadevergoeding te vorderen bij de burgerlijke rechter, dan wel een verzoek op grond van artikel 8:73 Awb in te dienen bij de bestuursrechter. Deze keuzevrijheid verviel indien een rechter een inhoudelijk oordeel had gegeven over een verzoek tot schadevergoeding; alsdan diende de vordering bij de andere rechter ter zake van dezelfde schade niet-ontvankelijk te worden verklaard. Zie HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC305 (Groningen/Raatgever).

4.17. Sinds 1 juli 2013 gelden artikel 8:88 en 8:89 Awb. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd (artikel 8:89, eerste lid, Awb). In de overige gevallen – waaronder dit geval waarin de procedure behoort tot het takenpakket van de ABRS – is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente. Deze bevoegdheid geldt onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen (artikel 8:89, tweede lid, Awb). In deze situatie is de bestuursrechter niet bevoegd indien de belanghebbende het verzoek heeft ingediend nadat hij terzake van de schade een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt (artikel 8:89, derde lid, Awb). Zolang het verzoek van de belanghebbende bij de bestuursrechter aanhangig is, verklaart de burgerlijke rechter een vordering tot vergoeding van de schade niet-ontvankelijk (artikel 8:89, vierde lid, Awb). Deze regeling is als volgt toegelicht in de memorie van toelichting:

“De belanghebbende is evenwel niet verplicht een schadeverzoek van maximaal € 25 000 voor te leggen aan de bestuursrechter. Hij kan zijn schadeverzoek desgewenst ook aan de burgerlijke rechter voorleggen. Heeft hij voor dit laatste gekozen, dan bestaat er kennelijk in dat geval geen behoefte aan de voorziening voor kleine schades bij de bestuursrechter. Teneinde gelijktijdige procedures over dezelfde schades te vermijden, is bepaald dat de weg naar de bestuursrechter niet meer openstaat na het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter.”

Zie Kamerstukken II, 2010-2011, 32 621, nr. 3, p 39.

Zaak: Messi vs Massi inzake merk voor sportkleding (Picasso/Picara)

Schadevaststelling (schadeberekening) zaakschade (schade aan zaken)

26-10-2012
A-G bij Hoge Raad

2.1 Het geschil tussen partijen gaat om de vraag hoe de schade van Althon met betrekking tot de aangereden Mazda te begroten, meer in het bijzonder voor zover die schade bestaat uit de kosten van de aan het herstel bestede tijd. Deze schade vormt vermogensschade.

Het bepalen van de te vergoeden vermogensschade geschiedt binnen het kader van een vergelijking van de situatie vóór het schadevoorval met de situatie daarna op de voet van hoe deze laatste situatie zou zijn geweest zonder het schadevoorval. Het bepalen of begroten van de te vergoeden schade voert de rechter krachtens artikel 6:97 BW uit op de wijze die het meest met de aard ervan overeenstemt. Het uitgangspunt is om op basis van genoemde vergelijking tot een zo volledig mogelijke vergoeding van de werkelijk geleden schade te komen. Dit uitgangspunt brengt mee dat in vergaande mate rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het individuele geval. Dit kan de schadeafwikkeling niet alleen onwenselijk lang en kostbaar en daarmee ondoelmatig maken, maar ook tot niet redelijke resultaten leiden. Dit maakt het wenselijk of noodzakelijk om bij de vaststelling van schade objectiever of met een in meerdere of mindere mate van abstraheren van aan de persoon van de gelaedeerde verbonden omstandigheden te doen plaatsvinden. De ruimte voor een meer abstracte schadevaststelling kan blijken uit de wet. Verder is het ingevolge het hiervoor al genoemde artikel 6:97 BW aan de rechter om aan de abstracte schadevaststelling toepassing te geven en ter zake beleid te ontwikkelen.((7)) Daarbij dient hij de aard van de schade in aanmerking te nemen, maar verder ook de doelmatigheid van de schade-afwikkeling (het vermijden van tijdverlies en kosten door het hanteren van een eenvoudige maatstaf) en de redelijkheid.((8))

2.2 Met name bij zaaksbeschadiging wordt ruimte voor abstracte schadevaststelling aangenomen.((9)) Daarbij vormt voor de bepaling van de te vergoeden schade het uitgangspunt: “de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, (lijdt) door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldsbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid.” Aldus de Hoge Raad in rov. 3.6 van HR 7 mei 2004((10)) conform eerdere uitspraken.((11)) Bij de naar objectieve maatstaven berekende kosten moet worden gedacht aan kosten die voor de betreffende reparatie door een bekwame reparateur gewoonlijk in rekening worden gebracht.((12)) De abstractie bij zaaksbeschadiging is hierin gelegen dat recht op vergoeding bestaat ook in het geval er niet of niet ten volle wordt gerepareerd en dat, mede in verband met de eerste abstractie, voor de vergoeding aan te houden kosten niet de daadwerkelijk gemaakte kosten zonder meer beslissend zijn maar de kosten die een bekwame reparateur in rekening zou brengen. Overigens zullen dat vaak toch de kosten zijn die een derde in rekening heeft gebracht. Achter deze abstractie steken in niet onbelangrijke mate overwegingen van doelmatigheid. Dit geldt in het bijzonder voor de afwikkeling van autoschade, welk type schade veelvuldig voorkomt. Men vermijdt er moeizame discussies mee over bijvoorbeeld welk gewicht aan het inzetten van aangehouden reservemateriaal/ materieel en/of eigen personeel moet worden toegekend. Maar ook de redelijkheid kan aanleiding geven om aan de zijde van de benadeelde gelegen omstandigheden buiten aanmerking te laten.

Soms is abstracte schadevaststelling expliciet in de wet geregeld (6:104 en 6:119).

6:97 BW biedt de rechter vrijheid voor meer abstracte schadevaststelling (PG boek 6, p. 339).

3:40 BW

3:40 BW

  1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.
  2. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.
  3. Het vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten.

1.
Strijd met dwingende wetsbepaling [is bij of krachtens wet in formele zin]
Drie subcategorieën: (wegens 1a: het sluiten van de overeenkomst, 1b: de inhoud van de overeenkomst, 1c: de strekking van de overeenkomst)

1a
(HR 11-5-1951 Flora / Van der Kamp)

Bepaalt wet zélf dat sluiten bepaalde overeenkomst niet mag?
Zo niet, kijk of strekking nietigheid beoogt.

2.
Wet verbiedt inhoud/prestatie
Strekt de wet tot nietigheid ovk?

3.
Strekking/gevolg overeenkomst in strijd met wet.
“Staat niet in wet dat het verkopen en leveren van aluminium kannetjes verboden is”

lid 2 alleen wanneer wet het sluiten van overeenkomst verbiedt.

indien beide partijen bij het aangaan ervan de bedoeling hebben of zich ervan bewust zijn, dat de nakoming ervan zal leiden tot de overtreding van voormeld wettelijk verbod doordat de ondernemer ook zonder de vergunning tot het voortbrengen zal overgaan

Algemene Voorwaarden

6:232
Een wederpartij is ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende.

6:233 aanhef + b
algemene voorwaarden vernietigbaar indien gebruiker aan wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om daarvan kennis te nemen.

6:234 lid 1
Aan de in 233 lid b bedoelde ‘mogelijkheid’ is voldaan indien AV voor of bij sluiten overeenkomst

  • ter hand zijn gesteld
  • overeenkomstig art. 230c heeft verstrekt
  • indien bovenstaande niet mogelijk is, voor totstandkoming overeenkomst heeft aangegeven dat AV bij hem ter inzage liggen of bij KvK of griffie zijn gedeponeerd en op verzoek kosteloos worden toegezonden

6:230c
Dit artikel biedt dienstverleners 4 keuzes

6:230c lid 3
is voor de afnemer gemakkelijk elektronisch toegankelijk op een door de dienstverrichter meegedeeld adres;

Overeenkomst slechts gedeeltelijk dientverlening? Ook dan soepele regime! Hof Arnhem-Leeuwarden 22-4-2014 r.o. 4.7

6:235 lid 1 sub a
Vernietigingsgronden uit 233 en 234 staan niet open voor [a] rechtspersoon ex 2:360 die op moment vh sluiten vd overeenkomst laatstelijk haar jaarrekening heeft openbaargemaakt of waarop laatstelijk 2:403 lid 1 is toegepast.

6:235 lid 1 sub b
Vernietigingsgronden uit 233 en 234 staan niet open voor partij die op moment vh sluiten vd overeenkomst minstens 50 werknemers heeft of op dat tijdstip zulks uit een opgave uit het Handelsregisterwet blijkt.
Verkorte jaarrekening valt niet onder 235 lid 1 sub a

Oorsprongsbenaming Champagne

20-12-2017
Hof van Justitie EU – uitspraak

Champagne is in 2009 beschermd als oorsprongsbenaming onder de toen geldende Europese verordening 470/2008.

1) Artikel 118 quaterdecies moet aldus worden uitgelegd dat de strekking waarin de beschermde oorsprongsbenaming, zoals “Champagne”, wordt gebruikt als onderdeel van de benaming waaronder een levensmiddel wordt verkocht, zoals “Champagner Sorbet”, die niet voldoet aan de specificaties voor deze beschermde oorsprongsbenaming, maar een ingrediënt bevat dat aan de genoemde specificaties voldoet.
2) Artikel 118 quaterdecies moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming als onderdeel van de benaming waaronder een levensmiddel dat niet voldoet aan de productspecificatie voor die benaming, wordt verkocht beschermde oorsprong, maar die een ingrediënt bevat dat aan de genoemde specificatie voldoet, zoals “Champagner-sorbet”, een exploitatie van de reputatie van een beschermde oorsprongsbenaming, in de zin van die bepalingen, indien dat levensmiddel niet, als een essentieel kenmerk, een smaak die voornamelijk wordt gegenereerd door de aanwezigheid van dit ingrediënt in zijn samenstelling.

Ingebrekestelling per e-mail (elektronisch, verzuim)

Artikel 6:82 BW schrijft voor dat een ingebrekestelling schriftelijk dient te geschieden. Voldoet een e-mail daar ook aan?

21-11-2007
Rechtbank Amsterdam

2.8. Bij e-mail van 21 maart 2006 heeft G-sus, voor zover van belang, het volgende aan Canon meegedeeld:
“(…) Ik begrijp niet waarom er geen reactie kan komen op een eenvoudige vraag: wat te doen met de printer gegeven het contract en de wensen en behoeften van Gsus? Ik tel daarbij de onnoemelijke problemen welke wij in het verleden hadden met de canon printer (…) Wij stellen ons heden op het standpunt dat u ernstig in gebreke blijft bij het nakomen van uw verplichtingen (…) Dat de printer inmiddels naar behoren functioneert, doet hier niet aan af. Het moge duidelijk zijn dat ons vertrouwen in zowel de printer als het bedrijf Canon op een dusdanig dieptepunt is beland dat wij, bij gebrek aan medewerking van uw zijde, tot het volgende hebben besloten:

1. Alle betalingen worden per direct stopgezet;

2. Het contract zoals met u overeengekomen wordt per 31 maart ontbonden zonder dat daaruit verplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen, voortvloeien;

3. De printer kunt u per direct afhalen en naar eigen goeddunken hergebruiken.

Indien wij wederom niet van u mogen vernemen vóór 27 maart’06 zullen wij u de strekking van deze email schriftelijk bevestigen en is daarmee deze zaak afgedaan. (…)”

[…]

4.11. Het verweer van Canon dat Canon niet in gebreke is gesteld en geen gelegenheid heeft gehad de tekortkomingen binnen een redelijke termijn te herstellen faalt. De rechtbank is met G-sus van oordeel dat het onder 2.8. vermelde e-mailbericht van 21 maart 2006 voldoet aan de vereisten voor ingebrekestelling als vermeld in artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


5-2-2010
Kamerstuk 31358, E (nadere memorie van antwoord)

​Artikel 6:82 BW bepaalt dat het verzuim van een schuldenaar intreedt wanneer hij in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. De leden van de PvdA-fractie merken op dat ingevolge artikel 6:265 BW de bevoegdheid tot ontbinding in bepaalde gevallen pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Deze leden vragen of zij het juist zien dat een ingevolge artikel 6:227a BW langs elektronische weg tot stand gekomen overeenkomst wel ingevolge artikel 6:267 BW langs elektronische weg kan worden ontbonden, maar dat een eventueel noodzakelijke daaraan voorafgaande ingebrekestelling slechts schriftelijk kan plaatsvinden. Deze leden vragen of dit een los eindje is in het stelsel van contractenrecht. De in artikel 6:82 BW voorkomende term «schriftelijk» dient ook hier niet zo beperkt te worden opgevat. Reeds bij de totstandkoming van deze bepaling is erop gewezen dat deze term ook omvat een telegram en een telexbericht. Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 290. Mede gezien de ratio van deze bepaling kan daar ook een langs elektronische weg verzonden aanmaning onder begrepen worden. Daarbij doet niet ter zake of de overeenkomst al dan niet langs elektronische weg tot stand is gekomen.

Onbeperkt publiekelijk toegankelijk maken van WHOIS-gegevens van domeinnaamhouders in strijd met huidige Nederlandse privacywetgeving

Wanneer WHOIS-gegevens natuurlijke personen betreffen, gaat het om persoonsgegevens en is de Nederlandse privacywetgeving van toepassing.  Het onbeperkt publiekelijk toegankelijk maken van WHOIS-gegevens via internet is een vorm van verwerking van persoonsgegevens waarvoor een wettelijke grondslag is vereist. Volgens de AP én eerder dus ook WP29, kunnen ICANN en de registries zich niet beroepen op de grondslagen ‘noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst’ en ‘gerechtvaardigd belang’. Ook een beroep op de grondslag ‘toestemming van individuele domeinnaamhouders’ is niet mogelijk omdat het geven van toestemming een vereiste is voor het verwerven van een domeinnaam en er dus geen vrije wilsuiting is.

Vanaf 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Ook dan is het onbeperkt publiekelijk toegankelijk maken van WHOIS-gegevens in strijd met de wet.

Pandhouder is bevoegd een aan de verpande vordering verbonden zekerheid uit te winnen

A heeft een vordering op P. Als zekerheid hiervoor verpand P haar vordering op M aan A.

P heeft een vordering op M. Als zekerheid hiervoor verpand M haar vordering op L aan P.

Vraag: mag A bij het uitwinnen van haar (A’s) pandrecht inzake de vordering van P op M, ook het pandrecht van P op de vordering van M op L uitwinnen?

Rechtbank Limburg zegt ja.

Hof Den Bosch zegt nee omdat er (materieel) sprake zou zijn van herverpanding, waarvoor toestemming nodig is van M, welke ontbreekt.

De Hoge Raad oordeelt dat van herverpanding geen sprake is.

3.6 Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het is in overeenstemming met het in art. 477 Rv. in verbinding met art. 477a Rv. neergelegde wettelijke systeem, waarin aan de derdenbeslaglegger de bevoegdheid toekomt zijn vordering op de beslagdebiteur te verhalen door inning van de vordering van de beslagdebiteur op de derde-beslagene, dat de derdenbeslaglegger wiens beslag een vordering onder hypothecair verband heeft getroffen, profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang boven andere schuldeisers die verhaal zoeken op het hypothecair verbonden registergoed. Een andere opvatting zou aan het derdenbeslag het niet te rechtvaardigen effect verlenen dat de overige schuldeisers van de derde-beslagene bij de verdeling van de opbrengst van het verhypothekeerde registergoed door dat beslag zouden worden bevoordeeld, terwijl degene ten laste van wie dat beslag gelegd is gedupeerd zou worden door het verval van de aan de beslagen vordering verbonden voorrang.

Zie ook openaccessadvocate

Politie doet niks met aangifte gestolen telefoon mét IMEI nummer

In februari dit jaar pochtte de politie nog met de tip om het IMEI nummer van je telefoon te noteren, omdat dat zal helpen bij het opsporen van de telefoon bij een eventuele diefstal.

De politie geeft hiermee valse hoop. Aangiften van telefoondiefstal worden namelijk standaard geseponeerd, wegens een gebrek aan prioriteit.

Electronische handtekening

Inhoud

  • Verordening elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties
  • Nederlandse wet
  • Richtlijn elektronische handtekeningen (oud)
  • Nederlandse wet (oud)

Verordening elektronische identificatie en vertrouwensdiensten

Door deze verordening is de Richtlijn elektronische handtekeningen ingetrokken. Deze is daardoor naar de onderkant van deze pagina verplaatst.


Nederlandse wet

Artikel 3:15a BW leest sinds 10/03/2017:

Evenals een elektronische gekwalificeerde handtekening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronisch transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257) hebben een geavanceerde elektronische handtekening als bedoeld in onderdeel 11, en een andere elektronische handtekening als bedoeld in onderdeel 10, van artikel 3 van deze verordening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien voor deze beide elektronische handtekeningen de methode voor ondertekening die gebruikt is voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval.


Richtlijn elektronische handtekeningen

Eind 1999 verscheen een Europese Richtlijn inzake elektronische handtekeningen (99/93/EG). Deze richtlijn maakt onderscheid tussen “elektronische handtekening” en “geavanceerde elektronische handtekening”.

De eerste wordt beschreven in artikel 2, lid 1:

“elektronische handtekening”: elektronische gegevens die zijn vastgehecht aan of logisch geassocieerd zijn met andere elektronische gegevens en die worden gebruikt als middel voor authentificatie;”

De tweede wordt beschreven in artikel 2, lid 2:

“geavanceerde elektronische handtekening”: een elektronische handtekening die voldoet aan de volgende eisen:

a) zij is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden;

b) zij maakt het mogelijk de ondertekenaar te identificeren;

c) zij komt tot stand met middelen die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende controle kan houden; en

d) zij is op zodanige wijze aan de gegevens waarop zij betrekking heeft verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord;


Nederlandse wet (oud)

De Memorie van Toelichting (MvT) bij de implementatiewet noemt de eerste de “gewone” elektronische handtekening en stelt: “Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een ingescande handtekening van een papieren drager.” Dit lees ik in de richtlijn niet terug.

E-mail en rechtsgeldigheid

6:227a BW (sinds 2003)

  1. Indien uit de wet voortvloeit dat een overeenkomst slechts in schriftelijke vorm geldig of onaantastbaar tot stand komt, is aan deze eis tevens voldaan indien de overeenkomst langs elektronische weg is totstandgekomen en

    1. raadpleegbaar door partijen is;
    2. de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd is;
    3. het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld; en
    4. de identiteit van de partijen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
  2. Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de rechter, een overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een publieke taak uitoefent.

    Akte nadere uitwerking feitelijke gronden met producties in strijd met procesorde

    15-2-2017
    Rechtbank Den Haag – uitspraak

    1.1. De zaak stond op de rol van 8 februari 2017 voor conclusie van antwoord. Op de rol van 1 februari 2017 heeft eiser een akte houdende wijziging van de feitelijke gronden genomen, met daarbij gevoegd producties 29 tot en met 53. Gedaagde heeft daartegen bezwaar gemaakt.

    Het bleek echter om een nadere uitwerking van de feitelijke grondslagen te gaan:

    1.6 Een verandering of vermeerdering van de feitelijke grondslag van de vordering in de zin van artikel 130 WRv houdt in dat nieuwe, niet eerder aan de vordering ten grondslag gelegde feiten worden gesteld. Daarvan dient te worden onderscheiden het nader onderbouwen van gestelde feiten met nieuwe producties en ook het opnieuw presenteren van de gestelde feiten. Zoals eiser zelf ook vermeldt, bevat de akte een ‘nadere uitwerking van de feitelijke grondslagen’. Deze bestaat uit het nog eens, opnieuw geformuleerd uiteenzetten van de feitelijke grondslagen, onder verwijzing naar de dagvaarding en de daarbij gevoegde producties, en voorzien van een nadere onderbouwing met aanvullende producties. Daarmee valt de akte buiten de reikwijdte van artikel 130 Rv.

    1.7 Daarnaast geldt het volgende. De goede procesorde vergt dat de rechter waakt voor een eenvormige voorspelbare procedure, zonder onnodige vertraging en/of onredelijke bemoeilijking van de verdediging. De goede procesorde strekt er ook toe te bewerkstelligen dat het materiële geschil zoveel mogelijk recht wordt gedaan en niet onredelijk tekort wordt gedaan door procesrechtelijke eisen. Vanuit laatstbedoelde invalshoek geeft de goede procesorde ruimte voor herstel van omissies en het in het verdere verloop van de procedure – mede naar aanleiding van het gevoerde verweer – aanvullen van de aan de feitelijke grondslag van de vordering. Dit laat onverlet dat in het wettelijk systeem iedere partij per schriftelijke ronde één processtuk neemt en dat eiser in de dagvaarding het geschil zo volledig mogelijk over het voetlicht dient te brengen. Eiser merkt terecht op dat de goede procesorde wordt gediend met het in een zo vroeg mogelijk stadium stellen en onderbouwen van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Juist daarom strekken de in het WRv vervatte voorschriften voor de dagvaarding ertoe dat het geschil in dit processtuk zo volledig mogelijk over het voetlicht wordt gebracht. Vanuit een oogpunt van goede procesorde is geen plaats voor de door eiser voorgestane herformulering van de feitelijke grondslag van zijn vordering, voorzien van aanvullende producties. Dat geldt eens temeer nu eiser nalaat toe te lichten waarom hij eerst nu het geschil op de kennelijk door hem gewenste wijze over het voetlicht brengt, daar waar hij het geschil reeds in de dagvaarding zo volledig mogelijk had moeten presenteren.

    Gestolen goederen en overdracht van eigendom

    Hoofdregel

    Voor overdracht van eigendom gelden in beginsel 3 voorwaarden:

    1. geldige titel. (bijvoorbeeld een koopovereenkomst)
    2. levering. (bijvoorbeeld het verschaffen van het bezit van de zaak)
    3. beschikkingsbevoegdheid. (de overdrager moet kort gezegd eigenaar zijn)

    Zie hiervoor artikel 3:84 BW.

    Wanneer het enkel schort aan de beschikkingsbevoegdheid, kent de wet een uitzondering:

    Uitzondering

    Op het vereiste van beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder kent de wet een uitzondering. Ondanks de onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht van een roerende zaak toch geldig, indien de overdracht anders dan ‘om niet’ (‘om niet’ betekent ‘voor niks’) plaatsvond en de verkrijger te goeder trouw is (artikel 3:86 BW). Te goeder trouw is de verkrijger die niet aan de bevoegdheid van de vervreemder twijfelde, en daaraan ook niet hóefde te twijfelen (artikel 3:11 BW).

    Voorbeeld: A leent een boek uit aan B. B verkoopt dat boek voor een marktconforme prijs aan C. Indien zich verder geen omstandigheden voordoen waardoor C achterdochtig moet zijn, is C eigenaar geworden.

    Is het boek echter gestolen van A, dan ligt het anders:

    Uitzondering op de uitzondering

    Bovengenoemde uitzondering geldt niet voor de eigenaar die zijn goed door diefstal is verloren. Deze kan zijn eigendom gedurende drie jaar na de diefstal als zijn eigendom terugvorderen (artikel 3:86, lid 3 BW). Dit wordt ook wel revindicatie genoemd. De wetgever heeft met deze bepaling misdaadbestrijding op het oog gehad. Gek genoeg geldt dit recht alléén bij diefstal (zie bijvoorbeeld deze uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31/07/2013).

    Uitzondering op de uitzondering op de uitzondering

    De revindicatie heeft de bestolen eigenaar echter weer niet als de zaak door een consument van een winkelier werd verkregen die soortgelijke zaken vanuit een bedrijfsruimte verhandelt. (Een marktkoopman of veilinghouder geldt niet als winkelier).

    Kortom: verkoopt de juwelier/goudsmid de zaak door aan een consument, die te goeder trouw is (en dat zal meestal zo zijn), dan wordt de consument rechthebbende en kan de consument een revindicatie door de oorspronkelijke rechthebbende afweren met een beroep op de derdenbescherming van artikel 3:86, lid 1 juncto artikel 3:86, lid 3, sub a BW.

    26 mei 2010
    Rechtbank Leeuwarden – uitspraak
    6.2. De rechtbank overweegt dat revindicatie door Aegon van de gestolen auto onder [B] in het onderhavige geval niet mogelijk is in verband met het bepaalde in artikel 3:86 lid 3 sub a BW, nu [B] een natuurlijk persoon/consument is, die de auto heeft gekocht bij een professioneel autobedrijf – [X] – waar men geen gestolen auto’s hoeft te verwachten. Uit de Parlementaire Geschiedenis bij artikel 3:86 lid 3 BW volgt dat in een geval waarin revindicatie van de auto onder de consument is uitgesloten, de bestolene de autohandelaar eventueel kan aanspreken uit hoofde van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking (zie de nota II Invoeringswet en de toelichting bij de Nota van Wijziging 3 Invoeringswet, Parlementaire Geschiedenis, blz. 1226).

    Aansprakelijkheid uitgetreden vennoot

    23-12-2014
    Hof Den Bosch – uitspraak

    3.8.
    Blijkens artikel 18 WvK zijn de vennoten hoofdelijk voor alle schulden van de vof aansprakelijk. Volgens vaste rechtspraak blijft de uitgetreden vennoot voor de ten tijde van ontbinding bestaande schulden van de vennootschap ook nadien jegens derden onverminderd hoofdelijk verbonden.

    Artikel 18 Wetboek van Koophandel

    In vennootschappen onder eene firma is elk der vennooten, wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk verbonden.

    Bevoegdheid tot ontbinding ontstaat pas nadat herstel of vervanging onmogelijk is (7:22 lid 2 BW)

    20-3-2012
    Hof Arnhem – uitspraak

    10. Ingevolge artikel 7:22 lid 2 BW ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, indien herstel en vervanging onmogelijk waren of van Houhuijse niet gevergd konden worden, dan wel dat [geïntimeerde] niet (binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper) tot herstel of vervanging is overgegaan. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] dit niet gedaan. Aldus is hij in een verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3 BW tekortgeschoten. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd bestreden. Het systeem van de regeling van de (consumenten)koop veronderstelt naar het oordeel van het hof dat voor de verkoper duidelijk wordt dat er sprake is van een gebrek. Daartoe moet de verkoper kennis hebben genomen van de staat van de motor. Vast staat dat [appellant] die mogelijkheid, nadat hij een knal in het motorblok had gehoord en de motor niet meer wilde starten, niet heeft geboden. Daarmee is niet vast komen te staan dat herstel en vervanging onmogelijk waren of van Houhuijse niet gevergd konden worden. Ingevolge artikel 7: 22 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is alsdan de in lid 1 sub a van deze bepaling bedoelde bevoegdheid tot ontbinding niet ontstaan. Derhalve komt de door [appellant] gevorderde ontbinding niet voor toewijzing in aanmerking en kunnen bijgevolg ook de overige vorderingen niet worden toegewezen. Dit betekent dat deze grieven falen.

    Uitgetreden vennoot (waardoor vof werd ontbonden) aansprakelijk voor toekomstige huurschulden

    29-1-2008
    Hof Arnhem – uitspraak

    Door uittreding werd de vof ontbonden:

    5. De kantonrechter heeft onder 2.5 van het beroepen vonnis het volgende overwogen:

    “Door de uittreding van [geïntimeerde] uit de vennootschap onder firma werd de vennootschap onder firma – gevormd door [de vennoot] en [geïntimeerde] – ontbonden. Door die ontbinding kwam echter geen einde aan de huurovereenkomst. In beginsel bleef [geïntimeerde] dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de uit die overeenkomst voortvloeiende schulden.”

    6. Het hof onderschrijft deze overweging, waartegen overigens ook niet is gegriefd.

    Uitgetreden vennoot aansprakelijk voor huurschulden na (bekend worden met) uittreding:

    9. De enkele omstandigheid dat Kaystaete – na het verondersteld bekend worden met het uittreden uit de vof van [geïntimeerde] en het niet meer deelnemen aan de voorheen door die vof geëxploiteerde onderneming – niet te kennen heeft gegeven dat zij [geïntimeerde] nog steeds aansprakelijk hield voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [geïntimeerde] aan te spreken voor na augustus 2004 ontstane huurschulden. Daarbij moet worden bedacht dat voor afstand van recht of rechtsverwerking enkel stilzitten onvoldoende is.

    Vrijwel zeker is van belang dat de vordering is ontstaan uit een reeds bestaande rechtsverhouding (lees: de huurovereenkomst). Bij het aangaan van de huurovereenkomst was de vennoot nog niet uitgetreden. Geheel ‘nieuw’ of zijn de nadien ontstane (verschuldigde) huurpenningen dus niet.

    Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén