Categorie: Procesrecht

Verhoor-begrip. Wanneer is sprake van een verhoorsituatie? (29 Sv)

De Hoge Raad heeft 6-11-2018 een interessant arrest gewezen inzake de vraag wanneer sprake is van een verhoor door een verbalisant (lees: politieagent).

De casus was als volgt. Een man werd in zijn woning aangehouden door 2 verbalisanten wegens (betrokkenheid bij) een hennepkwekerij elders. Terwijl de man zijn legitimatie aan het pakken was, zag een van de agenten zand en blaadjes op de grond liggen. Hierop vroeg de agent de man of er in de woning (ook) een hennepkwekerij was.

Terzake van deze vraag van de agent ontstond de juridische discussie of er sprake was van een verhoor. Een aangehouden verdachte dient namelijk vóór het verhoor gewezen te worden op het recht om eerst een advocaat te raadplegen (consultatiebijstand). De agent had de man daar niet op gewezen.

Het gerechtshof oordeelde (onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 1979) dat als verhoor moet worden beschouwd; alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkte persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit. Volgens het hof was de hennepkwekerij in de woning nog niet ‘geconstateerd’ dus was er volgens het hof geen sprake van een verhoor.

De Hoge Raad oordeelt anders:

2.3.2. Het vorenoverwogene brengt met zich dat indien – zoals in deze zaak – door de politie aan een aangehouden verdachte gestelde vragen betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, sprake is van een verhoor, zodat hij op dat moment dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Daarbij verdient opmerking dat op grond van art. 27, eerste lid, Sv als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Derhalve kan, ook indien (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en dientengevolge van een verhoorsituatie.

Interessant is overigens dat de man terzake van de (vermoedde) hennepkwekerij in zijn woning (nog) niet was aangehouden.

Mulderfeit, politiestrafbeschikking of OM-strafbeschikking

 

In de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen (23-1-2018) staat het volgende:

De feiten ondergebracht in Bijlage I van het Besluit OM-afdoening, waarvoor de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar strafbeschikkingsbevoegdheid heeft, zijn te herkennen aan een ‘p’ voor de feitcode. Bijvoorbeeld: p D 530, zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden.

Storend is dat die ‘p’ in (de bijlage bij) het Besluit OM-afdoening niet te vinden is. Niet in de-versie, noch in deversie.

Op bladzijde 15 van de Richtlijn staat echter het volgende:

De OM-feiten en p-feiten met bijbehorende tarieven zijn niet als bijlage bij deze Richtlijn voor strafvordering opgenomen, maar geïntegreerd opgenomen in de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen, deze geldt hiervoor als bijlage bij deze Richtlijn. In de Tekstenbundel worden de OM-feiten en tarieven voorafgegaan door een * (asterisk). De politiestrafbeschikkingsfeiten waarvoor een politiestrafbeschikking kan worden uitgevaardigd, worden voorafgegaan door de (kleine) letter p.

We worden dus verwezen naar het feitenboekje (pdf) van het OM. Dat is toch echt wat anders dan (de bijlage bij) het Besluit OM-afdoening.

 

    • Besluit OM-afdoening, met bijlagen (v.a. juli 2018) html pdf– wetten.nl
    • Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen 2018 (pdf)

Nakosten

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2010:BO8910

Vermeerdering van eis in hoger beroep

4-4-2014
Sjef van Swaaij – artikel

Inzake gerezen misverstand n.a.v. HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 (Willemsen/NOM)


31-1-2017
Hof Arnhem-Leeuwarden – uitspraak

3.5 […] De memorie van antwoord, tevens vermeerdering van eis, van [geïntimeerde] is derhalve te beschouwen als een memorie van grieven in incidenteel appel.

[…]

3.9 […] is het niet in strijd met de goede procesorde dat [geïntimeerde] in hoger beroep komt met een aanvullende vordering, deels op een andere grondslag. Het hoger beroep biedt de appellerende partij immers mede de gelegenheid voor het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Voor zover in de argumenten van [appellant] besloten ligt dat [geïntimeerde] ten onrechte geen goede verklaring heeft gegeven waarom zij haar vordering in eerste aanleg niet reeds heeft ingericht zoals zij dat thans in hoger beroep doet, geldt dat [geïntimeerde] daartoe niet gehouden is. Zelfs indien de eiswijziging zou betekenen dat [geïntimeerde] in hoger beroep een standpunt inneemt dat haaks staat op hetgeen zij in eerste aanleg heeft bepleit, is dit toegestaan (HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895).

Devolutieve werking van het hoger beroep (de positieve zijde)

In hoofdlijnen werkt de devolutieve (afwentelende) werking van het appel als volgt. De appelrechter behoeft enkel te oordelen over de grieven die tegen de beslissing worden aangedragen (grievenstelsel). Wanneer een grief doel treft (en tot vernietiging leidt) dient de appelrechter het daardoor heropende geschil te beoordelen, inclusief de (niet uitdrukkelijk prijsgegeven) stellingen/verweren van geïntimeerde daarover in eerste aanleg (positieve zijde devolutieve werking). Door dit laatste behoeft de geïntimeerde dus geen incidenteel appel in te stellen.

Voorbeeld:
A vordert iets van B. B komt terzake met 3 verweren. Verweer 1 wordt verworpen, verweer 2 gehonoreerd en verweer 3 blijft onbehandeld. Doordat verweer 2 wordt gehonoreerd wordt de vordering van A afgewezen. A gaat in appel en grieft succesvol tegen de honorering van verweer 2. De rechter dient nu ambtshalve verweer 1 opnieuw te bekijken en (zo nodig) verweer 3 alsnog te behandelen.

Hieronder:
– Hoge Raad 1999 Peeters/Van Vugt
– Hoge Raad 1999 Gouda/Lutz
– Hoge Raad 2004 Utimaco/D&R Holding
– Hoge Raad 2012 Fafianie/KSN
– Hoge Raad 2013 LTO (samenvatting volgt)


De Hoge Raad verwoorde het in een arrest van 11-6-1999 als volgt:

De rechter die in hoger beroep op grond van de aangevoerde grieven tot vernietiging van de bestreden uitspraak komt, kan niet tot toewijzing van het gevorderde beslissen zonder alle relevante in eerste aanleg niet behandelde of behandelde maar verworpen verweren opnieuw te bezien, tenzij die verweren in hoger beroep zijn prijsgegeven


Als voorbeeld van de devolutieve werking i.d.z.v. het, grofweg, ambtshalve laten herleven van standpunten van geïntimeerde uit eerste aanleg, wordt geregeld het arrest van de Hoge Raad 24-12-1999 (Gouda/Lutz) aangehaald. Dit arrest behelst echter géén voorbeeld van een dergelijke devolutieve werking.

Het kwestie was als volgt. Lutz fietste tegen het verkeer in en Hemelaar komt ten val. De verzekeraar van Hemelaar, Gouda, wil de schade op Lutz verhalen.

Verstekvonnis: Gouda wint

Lutz komt in verzet
Tussenvonnis: Lutz mag (tegendeel)bewijs leveren (ten onrechte zonder toepassing omkeringsregel)
Gouda ging tegen dit tussenvonnis niet in appel.
Eindvonnis: bewijs niet geleverd.

Lutz in appel tegen bewijswaardering
In MvA volhardt Gouda bij eerdere stellingen (maar geen incidenteel appel)
Arrest: bewijs wel geleverd en vordering Gouda alsnog afgewezen

Gouda in cassatie met het middel dat het hof ten onrechte de bewijsomkeringsregel niet heeft toegepast. Hieromtrent heeft Gouda bij de rechtbank en het hof niks aangevoerd.

De AG wijst dit middel af (2.3 en 2.4), omdat Gouda niet in appel is gegaan tegen het tussenvonnis van de rechtbank met daarin de foutieve bewijsopdracht.

De Hoge Raad gaat echter wel om:

3.4.1 Middel I is gericht tegen de in rov. 3 en 4 van ’s Hofs arrest vervatte overwegingen. Onderdeel 1.1 van het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten toepassing te geven aan de in de rechtspraak ontwikkelde regel dat, indien een bepaalde verkeersnorm is overtreden en daardoor het gevaar voor ongevallen in het algemeen wordt vergroot, het causaal verband tussen de overtreding en het ongeval in beginsel is gegeven, en het dan aan de overtreder is om te stellen en te bewijzen dat het ongeval ook zou zijn ontstaan als hij de norm niet had geschonden.

Aldus roept het onderdeel allereerst de processuele vraag op of het Hof, nu geen van beide partijen had geappelleerd tegen het tussenvonnis van de Rechtbank, nog de vrijheid had om, na te hebben beslist dat het door de Rechtbank opgedragen bewijs door [fietser 1] was geleverd, te onderzoeken of de vordering van Gouda niettemin (geheel of gedeeltelijk) toewijsbaar is.

Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het hoger beroep was gericht tegen de beslissing van de Rechtbank de verzetvordering van [fietser 1] af te wijzen en aldus het verstekvonnis en de daarin vervatte toewijzing van de vordering van Gouda in stand te laten. Daarmee was in hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering van Gouda geheel aan het oordeel van het Hof onderworpen. Na te hebben geoordeeld dat het door de Rechtbank opgedragen bewijs wel geleverd is, diende het Hof derhalve, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden ingevolge art. 48 Rv., te onderzoeken welke consequenties dit oordeel heeft voor het al dan niet – geheel of gedeeltelijk – toewijsbaar zijn van de vordering van Gouda.

Gouda heeft immers al hetgeen zij in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, in hoger beroep gehandhaafd. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de door [fietser 1] aangevoerde grieven ertoe strekten de grenzen van de rechtsstrijd te beperken tot de enkele vraag of voormeld bewijs geleverd is, brengt zulks niet mee dat Gouda geacht zou moeten worden haar stellingen te hebben prijsgegeven door niet (incidenteel) te appelleren tegen het tussenvonnis van de Rechtbank en de daarin vervatte omschrijving van de op [fietser 1] rustende bewijslast.

M.i. wordt hier een aparte vorm van devolutieve werking gecreëerd, namelijk dat bij een succesvolle grief tegen de bewijswaardering, automatisch ook de bewijslastverdeling opnieuw beoordeeld moet worden.

Meer hierover in Asser. Procesrecht. 4. Hoger Beroep. 2012/139.


Hoge Raad 11-6-2004 (Utimaco/D&R Holding) – uitspraak

D&R Software vordert 1.684.000 van Holding

Tussenvonnissen: bewijslast voor D&R Software
Eindvonnis: D&R Software slaagt in bewijs, en vordering wordt grotendeels toegewezen

Holding gaat in beroep tegen alle vonnissen met grieven tegen de bewijswaardering
D&R Software heeft incidentele grief tegen het eindvonnis (afwijzende deel) maar niet tegen bewijslastverdeling
Hof wijst vordering alsnog geheel af.
Hof overweegt dat het moet uitgaan van de bewijslastverdeling uit de tussenvonnissen ‘mede’ omdat D&R Software daartegen niet incidenteel had geappelleerd.
Hoge Raad casseert:

(i) Het slagen van de grieven tegen de bewijswaardering door de rechtbank had tot gevolg dat het hof binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep opnieuw had te oordelen over de door D&R Software aan haar vordering ten grondslag gelegde stellingen, voorzover die in hoger beroep niet waren prijsgegeven. Bij deze beoordeling diende het hof mede acht te slaan op hetgeen D&R Holding in verband met deze stellingen in eerste aanleg en in hoger beroep had aangevoerd.

(ii) Indien een partij (de latere geïntimeerde) door de rechtbank met het bewijs van haar stellingen is belast en de rechtbank haar in dit bewijs geslaagd heeft geacht, maar het hof naar aanleiding van een daartoe strekkende grief van de wederpartij tot een ander oordeel is gekomen over de waardering van het bijgebrachte bewijs, dient het hof ook zonder debat tussen partijen over de verdeling van de bewijslast, de juistheid van die beslissing opnieuw te bezien. Dit geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin D&R Software incidenteel appel had ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering tot een bedrag van ƒ 377.000,– (zie hiervoor in 3.3, slot) maar daarin niet was opgekomen tegen de verdeling van de bewijslast waarvan de rechtbank wat betreft het gehele gevorderde bedrag van ƒ 1.684.000,– was uitgegaan. Uit het enkele feit dat D&R Software niet ook in zoverre een incidentele grief tegen het bestreden vonnis had gericht, mag immers niet worden afgeleid dat zij zich neerlegde bij het oordeel van de rechtbank over de verdeling van de bewijslast, omdat dit oordeel – ook wat het voormelde bedrag van ƒ 377.000,– betreft – niet in het dictum van het door de rechtbank gewezen eindvonnis tot een voor haar nadelige beslissing heeft geleid.

(iii) In het door D&R Holding ingestelde principale hoger beroep betekende dit dat het hof, nadat het tot een andere waardering was gekomen dan de rechtbank van het door D&R Software bijgebrachte bewijs, opnieuw diende te beslissen over de vraag welke partij bewijs moest leveren van haar stellingen, voorzover deze door de andere partij gemotiveerd waren betwist.

(iv) In cassatie dient mede tot uitgangspunt dat D&R Software daadwerkelijk belang had bij deze hernieuwde beoordeling van de verdeling van de bewijslast. Gegeven het feit dat het verweer van D&R Holding tegen de vordering van D&R Software niet eruit bestond dat zij het ontstaan van de onderhavige vordering betwistte, maar dat zij zich beriep op een grond waarop die vordering zou zijn tenietgegaan, rustte het bewijs van dit gestelde bevrijdende feit ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv. in beginsel op D&R Holding. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat deze bewijslast in het concrete geval op grond van de waardering van de hiervoor in 3.1 vermelde schriftelijke stukken of anderszins toch dient plaats te vinden overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, maar dit vergt een feitelijk onderzoek waarvoor in cassatie geen ruimte bestaat. De door de rechtbank gehanteerde bewijslastverdeling kan reeds daarom niet zonder meer in cassatie als juist worden aanvaard.

Deze zaak is anders dan Gouda/Lutz omdat de vordering in eerste aanleg gedeeltelijk was afgewezen. Hierdoor had oospronkelijke eiser (software) wel belang bij incidenteel appel.


30 maart 2012
Hoge Raad (Fafianie/KSN) – uitspraak

Fafianie vorderde loon van KSN. KSN voerde primair het verweer dat er geen arbeidsovereenkomst was en subsidiair dat Fafianie een bepaalde periode niet beschikbaar was voor werk.

De loonvordering van Fafianie werd toegewezen onder verwerping van het primaire verweer en acceptatie van het subsidiaire verweer. Het dictum bevat geen verklaring voor recht dat er een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, maar impliceert het bestaan daarvan wel.

Fafianie gaat in beroep om ook voor de periode dat hij zogenaamd niet beschikbaar was voor werk, loon te krijgen. Als het hof in zo’n geval de vordering alsnog zou afwijzen op de grond dat er geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan (wegens het laten herleven van het primaire verweer), dan zouden er tegenstrijdige uitspraken ontstaan.

[…] Naar vaste rechtspraak worden de grenzen van het geschil in hoger beroep in beginsel bepaald door de appeldagvaarding en de memorie van grieven, en door een eventueel incidenteel beroep. Voor zover de geïntimeerde in het dictum van het vonnis van de eerste rechter in het gelijk is gesteld, behoeft hij de stellingen die hij in dit verband in eerste instantie had verdedigd, maar die door de eerste rechter buiten behandeling zijn gelaten of verworpen, niet opnieuw door een incidenteel appel aan het oordeel van de appelrechter te onderwerpen. De devolutieve werking van het appel, waardoor de proceseconomie wordt gediend, brengt immers mee dat, zodra een of meer grieven doel treffen en op zichzelf tot vernietiging van het bestreden vonnis moeten leiden, de niet prijsgegeven stellingen die de geïntimeerde in dit verband in eerste instantie heeft verdedigd alsnog, dan wel wederom moeten worden beoordeeld. Doordat KSN geen incidenteel beroep heeft ingesteld – ook niet voorwaardelijk – tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover daarbij de vordering van [eiser] is toegewezen, is dat vonnis in zoverre in kracht van gewijsde gegaan met als gevolg dat het oordeel van de kantonrechter, waarop die toewijzing berust, dat in de gehele periode van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, onherroepelijk werd en gezag van gewijsde verkreeg dat in een ander geding tussen de partijen zou kunnen worden ingeroepen (art. 236 Rv.)

In een zodanig geval kan met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke uitspraken, niet worden aanvaard dat in een door de appellant tegen het voor hem ongunstige gedeelte van het dictum ingestelde hoger beroep het primaire verweer van de geïntimeerde op grond van de hiervoor in 3.3.2 genoemde hoofdregel van de devolutieve werking opnieuw zou kunnen (en moeten) worden beoordeeld, zonder dat de geïntimeerde incidenteel appel heeft ingesteld – ook niet voorwaardelijk – tegen het voor hem ongunstige, op de verwerping van zijn verweer berustende gedeelte van het dictum teneinde te voorkomen dat dit gedeelte van het dictum in kracht van gewijsde gaat en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de eerste rechter gezag van gewijsde verkrijgt.

Als KSN wél incidenteel appel had ingesteld tegen de gedeeltelijke toewijzing, dan stond het het hof weer vrij om aan te nemen dat er überhaupt geen arbeidsovereenkomst was.

In Asser Procesrecht, 4 Hoger beroep is door Hammerstein, Bakels en Wesseling-van Gent geopperd (nr. 233) dat Fafianie/KSN slechts

voor een bijzonder geval een welomschreven uitzondering inhoudt op de overigens onverkort geldende regels van de devolutieve werking; dat bijzondere geval is dan dat de eerste rechter een beslissing ten nadele van geïntimeerde heeft genomen waaraan tussen partijen gezag van gewijsde toekomt, ook als deze beslissing uitsluitend in de rechtsoverwegingen van de uitspraak staat


Hoge Raad 2013 – (LTO) – uitspraak

Een nieuw verweer gevoerd bij memorie van antwoord in incidenteel beroep, dat niet tevens als grief in principaal beroep is voorgesteld, bij gegrondbevinding, niet tot een vernietiging van het dictum van het bestreden vonnis kan leiden, maar wel tot verwerping van het incidentele beroep


Enkele zijstraatjes:

  • Een incidenteel appel vervalt niet bij het intrekken van de dagvaarding door de wederpartij (HR ’94, Zoontjes/Kijlstra).
  • De devolutieve werking van het appel kan ertoe leiden dat principaal appellant erop achteruit gaat (reformatio in peius).
  • Als voor de zekerheid (al dan niet voorwaardelijk) incidenteel is geappelleerd terwijl het hof de desbetreffende stellingen ook zonder dat incidenteel appel had moeten behandelen, mag om die reden geen kostenveroordeling volgen als de incidentele grieven door het hof worden verworpen (HR 11 mei 2012, NJ 2012/319).

Gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast (art. 236 lid 3 Rv)

Wijziging van eis

23-9-2011
Hoge Raad – uitspraak

De in art. 347 lid 1 Rv. besloten twee-conclusie-regel beperkt de – ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. – aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze eisverandering of -vermeerdering niet als een grief moet worden aangemerkt. (Vgl. HR 20 juni 2008, LJN BC4959, NJ 2009/21)

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. (Vgl. HR 19 juni 2009, LJN BI8771, NJ 2010/154)

Aanpassingen AWB in verband met digitaal procederen

Afdeling 8.1.6a. Verkeer langs elektronische weg met de bestuursrechter
Artikel 8:36a
[Red: Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.]

1 Beroep wordt langs elektronische weg ingesteld.
2 Partijen en andere betrokkenen dienen ook de overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt. Artikel 6:9 is van overeenkomstige toepassing.
3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het indienen van verzoeken en het doen van verzet.
4 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan een bezwaarschrift doorzendt op grond van artikel 7:1a, vijfde of zesde lid.
5 Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het eerste tot en met derde lid of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8:36f, eerste lid, stelt de bestuursrechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de partij of andere betrokkene van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de bestuursrechter het stuk buiten beschouwing laten.
6 In afwijking van het vijfde lid kan de bestuursrechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.
7 De bestuursrechter betrekt na afloop van de termijn ingediende stukken als bedoeld in het tweede lid bij zijn beslissing indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 8:36b
[Red: Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.]

1 De verplichting tot procederen langs elektronische weg geldt niet voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen worden gemaakt op de verplichting tot stukkenwisseling langs elektronische weg bedoeld in artikel 8:36a.
3 Indien een partij niet verplicht is langs elektronische weg te procederen en niet langs elektronische weg procedeert, dient zij de stukken in op papier. De griffier stelt stukken en mededelingen op papier, of indien deze partij dit wenst langs elektronische weg, aan hem ter beschikking en stelt de door deze partij ingediende stukken ter beschikking van de overige partijen.

Artikel 8:36c
[Red: Dit artikel is gewijzigd in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.]

1 Als tijdstip waarop een bericht door de bestuursrechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de bestuursrechter heeft bereikt. Na elke indiening langs elektronische weg ontvangt de indiener een ontvangstbevestiging in het digitale systeem voor gegevensverwerking.
2 Als tijdstip waarop een bericht dat door de bestuursrechter is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de geadresseerde is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.
3 Als tijdstip waarop een bericht dat door een partij of een andere betrokkene bij de procedure is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de andere partijen en betrokkenen bij de procedure is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de bestuursrechter de betrokkenen hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.
4 Indien een partij of andere betrokkene bij de procedure afziet van digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking als bedoeld in het eerste lid, zodat de kennisgeving bedoeld in het tweede en derde lid niet kan worden gezonden, geldt als tijdstip waarop een bericht als bedoeld in deze leden door hem is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem voor gegevensverwerking.

[Red: Voor overige gevallen luidt het artikel als volgt:]

Alles hetzelfde behalve de laatste zin in lid 1.

Volledige proceskostenvergoeding bij evident ongegronde vordering of verweer (misbruik van recht, onrechtmatige daad)

Over vorderingen:
6 april 2012
Hoge Raad (Duka/Achmea) – uitspraak

15 september 2017
Hoge Raad – uitspraak
Volgens de Hoge Raad kan sprake zijn van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door verweerders als het verweer gebaseerd is op feiten en omstandigheden waarvan ze wisten of konden weten dat die onjuist zijn. Ook stellingen waarvan verweerders op voorhand moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden kunnen misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen vormen.

Wel past terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, herhaalt de Hoge Raad. Iedereen heeft immers recht op toegang tot de rechter.

KEI voor rechtbank Gelderland en Midden-Nederland (m.u.v. kort geding, etc)

Met ingang van 1-9-2017 gaan voor de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland de volgende artikelen in werking voor vorderingsprocedures waarin partijen niet in persoon kunnen procederen (maar verplicht met advocaat) m.u.v.:

  • Kortgedingen (254 Rv)
  • Executiegeschillen (438 lid 2 t/m 5 Rv)
  • Renvooi (=verwijzing) na … (486 lid 1 Rv)
  • Schadestaatprocedures (613 Rv)
  • (642q Rv)
  • Rekenprocedures (771 Rv)
  • Recht op registergoed (3:27 BW)
  • Renvooi na bestwisting verificatie schuldvorderingen (122 Fw)
  • Onteigeningswet

N

Derde afdeling A. Algemene voorschriften voor procedures
Artikel 30a

1. De eiser of verzoeker stelt zijn vordering in of dient zijn verzoek in door middel van een procesinleiding.

2. De procedures waarin een vordering wordt ingesteld, worden in dit wetboek aangeduid als vorderingsprocedures. De procedures waarin een verzoek wordt ingediend, worden in dit wetboek aangeduid als verzoekprocedures.

3. De procesinleiding vermeldt ten minste:

a. de naam en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen van de eiser of verzoeker, de door eiser gekozen woonplaats in Nederland, respectievelijk de woonplaats of, bij gebreke daarvan, het werkelijk verblijf van de verzoeker,

b. de naam en woonplaats van de verweerder bij de vordering, dan wel de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van belanghebbenden,

c. de dag waarop in de vorderingsprocedure de verweerder ten laatste als verweerder kan verschijnen, welke dag ligt ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter, dan wel in geval van toepassing van artikel 113, ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na de dag van betekening van de procesinleiding bij de verweerder,

d. de vordering of het verzoek en de gronden waarop het berust,

e. de naam en het kantooradres van de gemachtigde of de advocaat, indien die door de eiser of verzoeker wordt aangewezen,

f. de door de verweerder tegen de vordering of de door de belanghebbende tegen het verzoek aangevoerde verweren en de gronden daarvoor,

g. de bewijsmiddelen waarover de eiser of verzoeker kan beschikken tot staving van de betwiste gronden van zijn vordering of verzoek, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen, alsmede

h. de aanwijzing van de bevoegde rechter die van de zaak kennisneemt.

4. De procesinleiding wordt ondertekend. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de eiser of verzoeker of door zijn gemachtigde. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de advocaat.

Artikel 30b

1. Het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kunnen worden gecombineerd in één procesinleiding, mits tussen de vordering en het verzoek voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is van beide kennis te nemen.

2. In geval van toepassing van het eerste lid zijn de bepalingen van de vorderingsprocedure van toepassing, tenzij de aard van de bepalingen zich daartegen verzet of tenzij de wet of de rechter met het oog op een goede procesorde, anders bepaalt.

3. Het vorige lid is niet van toepassing op de gevolgen van het niet tijdig betalen van griffierechten en op het instellen van hoger beroep en cassatie.

4. De rechter splitst een zaak in twee of meer zaken indien een vordering en een verzoek zich naar zijn oordeel niet lenen voor gezamenlijke behandeling. In de beslissing tot splitsing vermeldt de rechter, voor zover van toepassing, het bijkomende griffierecht dat ingevolge artikel 8 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken van partijen wordt geheven en binnen welke termijn dit griffierecht of dit verhoogde griffierecht betaald dient te worden. De gesplitste zaken worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevinden op het moment van de splitsing.

Artikel 30c

1. De eiser of verzoeker dient de procesinleiding langs elektronische weg in bij de rechter. Partijen dienen gedurende de procedure ook overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de rechter anders bepaalt. Anderen dan partijen, die bij de procedure worden betrokken, dienen stukken langs elektronische weg in, tenzij de wet of de rechter anders bepaalt.

2. Waar dit wetboek voorschrijft dat handelingen schriftelijk geschieden, wordt hieraan langs elektronische weg voldaan, tenzij dit wetboek of de rechter anders bepaalt.

3. Onder een elektronische handtekening wordt verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die worden gebruikt door de ondertekenaar om te ondertekenen. Waar in dit wetboek ondertekening is voorgeschreven, is aan dit vereiste voldaan indien het stuk is ondertekend met een elektronische handtekening die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Een stuk dat langs elektronische weg is ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten geldt als ondertekend. Dit lid is niet van toepassing op akten als bedoeld in artikel 156 en op de ondertekening van documenten in een arbitrageprocedure ingevolge het Vierde Boek.

4. De verplichting tot indiening van stukken langs elektronische weg, als bedoeld in het eerste en het tweede lid geldt niet voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen op de verplichting tot stukkenwisseling langs elektronische weg als bedoeld in het eerste en het tweede lid worden gemaakt.

5. De partij die niet verplicht is tot en geen gebruik maakt van stukkenwisseling langs elektronische weg, dient de stukken als bedoeld in het eerste lid in op papier en verricht de handelingen als bedoeld in het tweede lid op papier. De griffier stelt stukken en mededelingen op papier, of indien deze partij dit wenst langs elektronische weg, aan hem ter beschikking en stelt de door deze partij ingediende stukken ter beschikking van de overige partijen, met uitzondering van het oproepingsbericht in een vorderingsprocedure.

6. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 30f, stelt de rechter de desbetreffende partij in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan hij in de vordering of het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.

7. In afwijking van het voorgaande lid kan de rechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.

8. Niet-ontvankelijkverklaring wegens het ten onrechte indienen van een procesinleiding op papier of het buiten beschouwing laten van een stuk omdat het ten onrechte op papier of na afloop van een termijn is ingediend, blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 30d

1. Als tijdstip waarop een bericht door de rechter langs elektronische weg is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten heeft bereikt. Na elke indiening langs elektronische weg ontvangt de indiener een ontvangstbevestiging in het digitale systeem voor gegevensverwerking.

2. Als tijdstip waarop een bericht dat door de rechter is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de geadresseerde is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de rechter de geadresseerde hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.

3. Als tijdstip waarop een bericht dat door een partij of een andere betrokkene bij de procedure is geplaatst in het in het eerste lid genoemde digitale systeem voor gegevensverwerking door de andere partijen en betrokkenen bij de procedure is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de rechter de betrokkenen hierover een kennisgeving heeft verzonden buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking.

4. Indien een partij of andere betrokkene bij de procedure afziet van digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking als bedoeld in het eerste lid, zodat de kennisgeving bedoeld in het tweede en derde lid niet kan worden gezonden, geldt als tijdstip waarop een bericht als bedoeld in deze leden door hem is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem voor gegevensverwerking.

Artikel 30e

1. Oproepingen door de rechter, processen-verbaal en afschriften van een vonnis of beschikking, alsmede andere berichten tussen het gerecht en partijen worden langs elektronische weg ter beschikking gesteld, tenzij artikel 30c, vijfde lid, van toepassing is.

2. Oproepingen die bij brief geschieden, vermelden de datum van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet slechts op de envelop.

Artikel 30f

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het elektronisch verkeer met de rechter, het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten of van de toegang tot dit systeem.

Artikel 30g

Oproepingen van derden als partij in het geding geschieden met inachtneming van de termijnen die gelden voor de bezorging of betekening van de procesinleiding bij de belanghebbende of verweerder. Indien de oproeping niet geschiedt bij dezelfde procesinleiding waarmee de belanghebbende of verweerder in de procedure is betrokken, wordt de procesinleiding, waarmee de belanghebbende of verweerder in de procedure is betrokken, met de oproeping bij de derde bezorgd of betekend. Artikel 111, tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, d, e, en g, artikel 128, tweede, derde en vierde lid en artikel 276 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30h

Indien de behandeling van een zaak wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van of mededeling aan diegenen, aan wie de dag en het uur reeds mondeling ter zitting waren medegedeeld, achterwege.

Artikel 30i

1. Iedere verweerder in een vorderingsprocedure en iedere belanghebbende in een verzoekprocedure kan binnen de daarvoor geldende termijn zijn met redenen omkleed verweer schriftelijk bij de rechter indienen.

2. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, kan verweer ook mondeling bij de rechter worden gevoerd en kunnen conclusies en akten ook mondeling ter zitting worden genomen.

3. Indien een partij tijdens een zitting mondeling verweer als bedoeld in het vorige lid heeft gevoerd zonder dat de wederpartij of haar gemachtigde daarbij aanwezig was, zendt de griffier een weergave van de zakelijke inhoud ervan aan de wederpartij of aan haar gemachtigde, tenzij de rechter toezending niet noodzakelijk acht.

4. De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale verweer is gevoerd, van het recht om dat alsnog te doen.

5. In afwijking van het vierde lid kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104 van Boek 1 of van artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, hun verweer tot dit beroep beperken.

6. Het verweerschrift vermeldt de bewijsmiddelen waarover verweerder of belanghebbende kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen.

7. Het verweerschrift wordt ondertekend. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de eiser of verzoeker of door zijn gemachtigde. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de advocaat.

8. Het verweerschrift mag een tegenvordering of tegenverzoek bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd. Artikel 30a, derde lid, onder f en g, is van overeenkomstige toepassing.

9. De eiser of verzoeker en overige verweerders of belanghebbenden kunnen tegen een tegenvordering of tegenverzoek een verweerschrift indienen indien zij elkaars wederpartij zijn. De termijn voor het indienen van dit verweerschrift bedraagt in vorderingsprocedures voor de kantonrechter vier weken, in andere vorderingsprocedures zes weken, tenzij de wet of de rechter anders bepaalt. In verzoekzaken is artikel 282, eerste lid, van toepassing. De zaken betreffende de vordering of het verzoek en de tegenvordering of het tegenverzoek worden tegelijk behandeld en bij vonnis of beschikking beslist, tenzij de rechter anders bepaalt.

Artikel 30j

1. Zo spoedig mogelijk nadat verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 114, dan wel na ontvangst van de procesinleiding in een verzoekprocedure, bepaalt de rechter de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt. De termijn tussen de uitnodiging van partijen en de mondelinge behandeling is ten minste drie weken, tenzij sprake is van een behandeling in kort geding.

2. In verzoekprocedures beveelt de rechter oproeping van de verzoeker en voor zover nodig van de in de procesinleiding genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen. In geval van een procesinleiding waarbij zowel een vordering is ingesteld als een verzoek is ingediend, beveelt de rechter ook de oproeping van de belanghebbende die tevens verweerder bij de vordering is.

3. De griffier roept de eiser of verzoeker en de verweerder of belanghebbenden, bedoeld in het tweede lid, op voor de plaats en de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt.

4. De oproepingen van belanghebbenden gaan vergezeld van een afschrift van de procesinleiding, tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief of exploot geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de oproeping een korte omschrijving van het verzoek.

5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de rechter zich in een verzoekprocedure aanstonds onbevoegd verklaart, de eiser of verzoeker aanstonds niet-ontvankelijk in zijn vordering of verzoek verklaart, of het verzoek toewijst.

6. De rechter kan met instemming of op verlangen van partijen de mondelinge behandeling achterwege laten en uitspraak doen. In kantonzaken kan de rechter bepalen dat de mondelinge behandeling achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

Artikel 30k

1. Tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechter partijen in de gelegenheid hun stellingen toe te lichten en kan de rechter:

a. partijen verzoeken hem inlichtingen te geven,

b. partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen,

c. een schikking beproeven,

d. met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en

e. die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht,

voor zover de rechter dit in overeenstemming acht met de eisen van een goede procesorde.

2. Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, onverminderd artikel 284, eerste lid.

3. Voor zover mogelijk bericht de griffier partijen tevoren over het doel van de mondelinge behandeling.

4. Partijen verschijnen op de mondelinge behandeling in persoon of bij gemachtigde. In zaken waarin zij niet in persoon kunnen procederen, verschijnen zij bij advocaat. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. Partijen die in persoon verschijnen, mogen zich laten bijstaan door hun gemachtigde. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is de gemachtigde een advocaat.

5. Onverminderd artikel 85, dienen processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij de indiening van de procesinleiding onderscheidenlijk het verweerschrift en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling te worden ingediend, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting worden ingediend, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij artikel 30c, achtste lid, van toepassing is of de goede procesorde zich daartegen verzet.

6. Indien met het oog op de mondelinge behandeling een bevel als bedoeld in artikel 22 wordt gegeven, moeten de stukken uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de datum van de mondelinge behandeling zijn ingediend en aan de wederpartij ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 30l

1. Tijdens de mondelinge behandeling ondervraagt de rechter partijen. Partijen kunnen elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.

2. Een verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de afgelegde verklaringen, uit een niet-verschijnen op de mondelinge behandeling of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens artikel 154.

Artikel 30m

1. Indien een schikking tot stand komt, eindigt de procedure. Van de zitting waarop een schikking is bereikt, wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter en partijen of hun tot dat doel bijzonderlijk gevolmachtigden wordt ondertekend en waarin de verbintenissen die partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, worden neergelegd. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm.

2. Indien geen schikking tot stand komt, bepaalt de rechter wat de volgende proceshandeling zal zijn.

Artikel 30n

1. De rechter maakt van de mondelinge behandeling proces-verbaal op:

a. indien hij dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of

b. op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad.

2. Het proces-verbaal bevat ten minste de namen van de rechter of de rechters die de zaak behandelt onderscheidenlijk behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de mondelinge behandeling zijn verschenen, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de mondelinge behandeling zijn verschenen.

3. Het proces-verbaal houdt een zakelijke samenvatting in van het verhandelde ter zitting.

4. De rechter kan bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige voorgehouden. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.

5. Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.

6. De griffier stelt het proces-verbaal ter beschikking van partijen.

7. De rechter kan bepalen dat het proces-verbaal, bedoeld in het eerste en derde lid en in de artikelen 180, eerste lid, 198, vijfde lid, en 201, vierde lid, wordt vervangen door een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname. In dat geval kan de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad alsnog verzoeken om een schriftelijke weergave van het proces-verbaal.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van beeld- en geluidsopnamen.

Artikel 30o

1. Indien dit met het oog op artikel 19 of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is, kan de rechter op verzoek van een partij toestaan of ambtshalve bepalen dat, in afwijking van of aanvulling op hetgeen in deze afdeling is bepaald:

a. termijnen worden verlengd of verkort,

b. partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten,

c. de mondelinge behandeling wordt aangehouden of in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling of andere zitting wordt gehouden,

d. voor, tijdens of na een mondelinge behandeling stukken worden ingediend en dat partijen daarop schriftelijk reageren.

2. De rechter bepaalt de termijnen voor proceshandelingen als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d.

Artikel 30p

1. De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen.

2. In afwijking van de artikelen 230 en 287 bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissing en de gronden van de beslissing.

3. Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt.

4. Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.

5. De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt.

Artikel 30q

1. Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet de rechter in kantonzaken binnen vier weken en in andere zaken binnen zes weken na afloop van de mondelinge behandeling schriftelijk uitspraak.

2. In bijzondere omstandigheden kan de rechter de termijnen, genoemd in het eerste lid, verlengen. Bij een verlenging wordt mededeling gedaan aan partijen van de datum van de uitspraak.

3. Op gezamenlijk verlangen van de in het geding verschenen partijen kan de rechter de uitspraak uitstellen of achterwege laten.

O – 31 lid 2 Rv wordt:

Van het verbeterde vonnis of arrest of de verbeterde beschikking stelt de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift ter beschikking, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor zijn kracht. Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.

P – 33 Rv vervalt

1 Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement. Een gerecht kan een verzoek of mededeling dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden indien de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij daarvoor langs deze weg bereikbaar is. De bereikbaarheid langs deze weg geldt voor de duur van een procedure, tenzij de geadresseerde meedeelt dat hij haar wijzigt of intrekt. De voorgaande zinnen gelden mede voor de indiening van processtukken ter griffie en de verzending van processtukken door de griffier.
2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending nadere regels worden gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van processtukken uitsluitend elektronisch kunnen plaatsvinden.
3 Als tijdstip waarop een verzoek, mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het verzoek, mededeling en processtuk een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt. Verzendingen die voor 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend.
4 Als tijdstip waarop een verzoek, mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht geen verantwoordelijkheid draagt.
5 De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Onderdeel Q, voor zover de procedure zowel bij het gerecht waar de procedure aanhangig was als bij het gerecht waar de procedure wordt voortgezet, als bedoeld in artikel 34, is ingesteld door indiening van een procesinleiding op de wijze zoals omschreven in artikel 30c:

Wanneer een procedure na verwijzing of toepassing van een rechtsmiddel voor een andere rechter wordt voortgezet, stelt de griffier van het gerecht waar de procedure aanhangig was afschriften van het vonnis, het arrest of de beschikking en de op de procedure betrekking hebbende stukken ambtshalve ter beschikking van de griffier van het gerecht waar de procedure wordt voortgezet.

[…]

W – 69 Rv wordt:

1. Indien een vordering is ingesteld volgens de regels van de verzoekprocedure of een verzoek is ingediend volgens de regels van de vorderingsprocedure, deelt de rechter, zo nodig, de eiser of verzoeker mede dat deze op eigen kosten binnen een termijn van twee weken de procesinleiding dient te verbeteren of aan te vullen en dat eiser zo nodig de verweerder dient op te roepen binnen een termijn van vier weken. De procedure is aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening van de procesinleiding.

2. De rechter stelt partijen, zo nodig, in de gelegenheid hun stellingen aan de dan toepasselijke procesregels aan te passen.

3. Tegen een beslissing ingevolge het eerste en tweede lid staat geen hogere voorziening open.

FF – 74 lid 4 Rv wordt:

In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is artikel 30k, vijfde lid [= stukken zoveel mogelijk bij procesinleiding en min 10 dagen voor mondelinge behandeling] van overeenkomstige toepassing.

HH – 87 t/m 92 Rv vervallen.

Artikel 87
1 De rechter kan, op verzoek van partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een verschijning van partijen ter terechtzitting bevelen teneinde een schikking te beproeven.
2 Partijen verschijnen ter terechtzitting in persoon of bij gemachtigde. In zaken waarin zij niet in persoon kunnen procederen, verschijnen zij in persoon of bij advocaat. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. Partijen die ter terechtzitting in persoon verschijnen, mogen zich laten bijstaan door hun raadsman. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is de raadsman een advocaat.
3 Indien een schikking tot stand komt, wordt, wanneer een partij dat verlangt, een proces-verbaal opgemaakt, dat mede wordt ondertekend door partijen of hun tot dat doel bijzonderlijk gevolmachtigden en waarin de verbintenissen die partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, worden uitgedrukt. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm.
4 Indien geen schikking tot stand komt, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.

Artikel 88
1 Een verschijning van partijen ter terechtzitting kan ook worden bevolen tot het geven van inlichtingen aan de rechter. Artikel 87, tweede lid, is van toepassing.
2 De rechter ondervraagt partijen. Partijen kunnen elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.
3 Van het verhandelde wordt een proces-verbaal opgemaakt dat na voorlezing door de rechter en door de griffier, alsmede door partijen wordt ondertekend. Indien geen inlichtingen zijn gegeven of de verschenen partijen daarmee instemmen, kan de rechter bepalen dat voorlezing en ondertekening door partijen achterwege blijven. Weigert een partij te ondertekenen of verklaart zij dit niet te kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld. Eveneens vermeldt het proces-verbaal de door de rechter bepaalde dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.
4 Een verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de afgelegde verklaringen, uit een niet-verschijnen ter terechtzitting of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens artikel 154.

Artikel 89
Indien met het oog op een verschijning ter terechtzitting als bedoeld in artikel 87 of artikel 88 een bevel als bedoeld in artikel 22 wordt gegeven, moeten de bescheiden uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de datum van de verschijning aan de rechter en in afschrift aan de wederpartij zijn overgelegd.

Artikel 90
1 In alle gevallen waarin de rechter een dag bepaalt waarop de zaak weer op de rol zal komen, bepaalt hij tevens welke proceshandeling dan moet worden verricht.
2 Dient een zaak in enige stand van het geding wederom voor een proceshandeling ter rolle, dan geschiedt dit bij een enkelvoudige kamer.

Artikel 91
De griffier verstrekt zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal aan de eiser en aan de in het geding verschenen gedaagde.

Artikel 92
Indien de griffier aan partijen stukken toezendt, geschiedt dit, tenzij de rechter anders bepaalt, bij gewone brief.

QQ – 110 lid 2 verandert:

Indien de rechter beslist dat niet hij, maar een andere rechter relatief bevoegd is, verwijst hij de zaak naar deze rechter. Artikel 74, eerste lid en derde lid, eerste zin, zijn van toepassing.

RR – onbelangrijk

SS – 111 t/m 115 worden:

Artikel 111

1. De griffier stuurt de eiser een oproepingsbericht na ontvangst van de procesinleiding.

2. In het oproepingsbericht neemt de griffier de inhoud en de datum van indiening van de procesinleiding op en vermeldt hij ten minste:

a. in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde en de wijze waarop en de termijn waarbinnen de verweerder zich kan verweren, zoals bepaald in de artikelen 30i, tweede lid, en 82;

b. in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een advocaat;

c. de dag waarop de verweerder ten laatste zijn verweerschrift kan indienen, welke dag in kantonzaken vier weken en in andere zaken zes weken ligt na de dag waarop hij als verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 114;

d. de in artikel 139 genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de verweerder bij een vordering niet verschijnt in de procedure als verweerder als bedoeld in artikel 114, of, behalve in kantonzaken of zaken in kort geding, het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet;

e. indien er verschillende verweerders zijn, het in artikel 140, derde lid, genoemde rechtsgevolg dat intreedt indien niet alle verweerders op de voorgeschreven wijze in de procedure verschijnen;

f. indien het een zaak betreft met verschillende verweerders, de mededeling dat van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende stukken indienen of gelijkluidend verweer voeren, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven;

g. de mededeling of van verweerders bij verschijning in de procedure een griffierecht zal worden geheven en binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden met verwijzing naar een vindplaats van de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

1°. het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

2°. een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder 3, van de Wet op de rechtsbijstand, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet;

h. in geval van kort geding, de plaats, de dag en het uur van de mondelinge behandeling.

Artikel 112

1. Het oproepingsbericht als bedoeld in artikel 111 wordt bij de verweerder bij exploot betekend of door eiser op andere wijze bezorgd, binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding, tenzij de wet anders bepaalt. Het exploot van betekening van het oproepingsbericht wordt door de eiser ingediend uiterlijk op de dag, voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen.

2. Heeft de eiser het oproepingsbericht bezorgd op andere wijze, bedoeld in het eerste lid, en verschijnt de verweerder niet uiterlijk op de laatste dag waarop hij diende te verschijnen, dan kan eiser binnen twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht doen betekenen bij de verweerder. De termijn om te verschijnen als bedoeld in artikel 30a, derde lid, onder c, wordt in dat geval verlengd met vier weken na de laatste dag waarop de verweerder diende te verschijnen, bedoeld in de eerste volzin.

3. Indien eiser de oproeping bij exploot als bedoeld in het tweede lid achterwege laat, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

4. Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing indien de procesinleiding zowel een vordering als een verzoek bevat.

5. Indien het tweede lid van toepassing is, kunnen het oproepingsbericht en de procesinleiding door de deurwaarder worden verbeterd of aangevuld, met uitzondering van wijziging van eis. In dat geval vervangen dit gewijzigde oproepingsbericht en deze gewijzigde procesinleiding het eerdere oproepingsbericht onderscheidenlijk de eerdere procesinleiding. De termijn om te verschijnen als bedoeld in de laatste volzin van het tweede lid, wordt in het oproepingsbericht gewijzigd.

Artikel 113

1. In afwijking van artikel 112 kan de eiser een oproepingsbericht bij exploot laten betekenen alvorens hij de procesinleiding indient.

2. De deurwaarder stelt het oproepingsbericht op overeenkomstig artikel 30a, derde lid, en artikel 111, tweede lid, onder a tot en met h, en neemt de inhoud van de procesinleiding op in het oproepingsbericht.

3. Na betekening van het oproepingsbericht dient eiser onverwijld het exploot van betekening, het oproepingsbericht en de procesinleiding in.

Artikel 114

Een verweerder geldt als in de procedure verschenen:

a. in zaken voor de kantonrechter, indien hij binnen de termijn, genoemd in artikel 30a, derde lid, onder c, de griffie schriftelijk bericht dat hij in de procedure betrokken wenst te worden of zijn verweerschrift indient,

b. in zaken voor de voorzieningenrechter, indien hij verschijnt op de mondelinge behandeling,

c. in alle overige zaken, indien hij binnen de termijn, genoemd in artikel 30a, derde lid, onder c, advocaat stelt.

Artikel 115

1. Indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening van toepassing is, of in een Staat die in Europa is gelegen en die partij is bij het op 15 november 1965 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91), is de termijn om te verschijnen in afwijking van artikel 30a, derde lid, onder c, ten minste zes weken en is de termijn tussen de betekening bij de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen ten minste vier weken.

2. Indien de verweerder noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, is de termijn om te verschijnen in afwijking van artikel 30a, derde lid, onder c, ten minste vier maanden en is de termijn tussen de betekening bij de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen ten minste drie maanden.

3. Indien de verweerder in Nederland geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, is de termijn om te verschijnen in afwijking van artikel 30a, derde lid, onder c en in afwijking van het eerste en tweede lid ten minste drie weken en is de termijn tussen de kennisgeving aan de verweerder en het verstrijken van de termijn om te verschijnen ten minste twee weken, indien het exploot in Nederland wordt gedaan aan de verweerder in persoon, dan wel aan een door de verweerder voor deze zaak gekozen woonplaats.

TT

Vordering stukken of gegevens van wederpartij of derde (exhibitieplicht, inzagerecht 843a Rv)

Artikel 843a lid 1 Rv

Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

Dit recht kan in een zelfstandige (kort geding) procedure worden geëffectueerd, zonder dat een ‘inhoudelijke’ (bodem)procedure aanhangig is of moet worden gemaakt (Hoge Raad 8/6/2012 hieronder).

Op het recht kan ook bij verzoekschrift een beroep worden gedaan (Rechtbank Noord-Holland 30/6/2016 hieronder).


8 juni 2012
Hoge Raad – uitspraak (ook op solv)

3.4 Het gaat in deze zaak om de vraag of op de voet van art. 843a Rv. mede de exhibitie van bescheiden kan worden verlangd in een afzonderlijk geding voor de Nederlandse rechter, wanneer de hoofdprocedure tussen partijen niet in Nederland aanhangig is, en naar verwachting ook niet aanhangig zal worden.

3.5 Art. 843a Rv. ziet op de exhibitieplicht in en buiten rechte en kent een zelfstandige bevoegdheid toe aan de daarin bedoelde belanghebbende. Een vordering op de voet van art. 843a tot nakoming van deze exhibitieplicht kan worden ingesteld hetzij in een lopend geding hetzij in een afzonderlijk geding (vgl. HR 6 oktober 2006, LJN AX7774, NJ 2006/547). Het eerste lid van art. 843a bindt de toewijsbaarheid van de vordering aan de voorwaarden dat de eiser of verzoeker een rechtmatig belang dient te hebben, en dat het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is (vgl. HR 18 februari 2000, LJN AA4877, NJ 2001/259, met betrekking tot art. 843a (oud) Rv.).
Noch uit de tekst van art. 843a Rv., noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel vloeit voort dat voor toewijsbaarheid van de vordering tevens noodzakelijk is dat over de rechtsbetrekking waaromtrent afschrift van bescheiden wordt verlangd een procedure aanhangig is of naar verwachting zal worden gemaakt, dan wel dat een zodanige procedure, indien deze aanhangig zou worden gemaakt, in Nederland zal worden gevoerd. Ook in het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 079, nr. 2) – waarmee geen inhoudelijke wijziging van art. 843a lid 1 is beoogd -, worden dergelijke voorwaarden niet gesteld. Het voorstel voorziet in de mogelijkheid om in een reeds aanhangig geding of in een zelfstandige verzoekschriftprocedure inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden te verlangen. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat “hoewel de procedure strekkende tot informatieverschaffing in civiele zaken door de bank genomen vooral een dienende functie heeft, de procedure onder omstandigheden ook een zelfstandig karakter [kan] bezitten” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 079, nr. 3, p. 1-2 en p. 9). Een beperking tot rechtsbetrekkingen die kunnen leiden tot een procedure voor de Nederlandse rechter blijkt ook hieruit niet.

De vernietigde uitspraak van het hof las diametraal anders.


30 juni 2014
Rechtbank Noord-Holland – uitspraak

3.5 […] Aan het procedurele verweer van Syngenta, dat een 843a-verzoek niet bij verzoekschrift gedaan zou kunnen worden, moet worden voorbij gegaan. Het enkele gebruik van het woord ‘vorderen’ in genoemd wetsartikel biedt hiervoor geen grondslag, zoals ook volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 (NJ 2001/259). Voorts wordt in de jurisprudentie de bepaling van artikel 843a Rv steeds meer, op gelijke voet als een voorlopig getuigenverhoor, gezien als belangrijk instrument voor waarheidsvinding. […]

3.8. De rechtbank oordeelt dat het bij verzoekschrift ingestelde verzoek ex artikel 843a Rv ontvangen kan worden. Hiertoe is het volgende redengevend. In de literatuur wordt wisselend gedacht over de vraag of een 843a-verzoek alleen bij dagvaarding of ook bij verzoekschrift kan worden ingesteld. Zo vermeldt Tekst & Commentaar bij artikel 843a Rv onder aantekening 10 sub e. dat het wetsartikel ook in verzoekschriftprocedures van toepassing is en dat het gebruik van het woord ‘vordering’ in het wetsartikel daaraan niet in de weg staat. Ook in het Tijdschrift voor de Procespraktijk 2013-6 neemt J.R. Sijmonsma in De Hoge Raad en het inzagerecht van artikel 843a Rv dit standpunt in. Daarentegen acht R.R. Verkerk in Commentaar op Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 843a, onder aantekening C.4. voor de hand te liggen om voor artikel 843a Rv een vordering bij dagvaarding in te stellen. Het in dat commentaar genoemde argument, afkomstig uit de parlementaire geschiedenis aangaande de voorloper van artikel 843a Rv, dat de weg van de dagvaarding ook de mogelijkheid biedt een dwangsom te verbinden aan de vordering, overtuigt evenwel niet (meer). De huidige stand van het recht is dat ook in verzoekschriftprocedures een dwangsom kan worden opgelegd.
Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Hierin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analogisch van toepassing is in verzoekschriftprocedures. Net als in de bepaling van artikel 843a Rv, wordt in deze bepaling de term ‘vorderen’ gebezigd. Blijkens het arrest heeft dit enkele feit niet in de weg gestaan aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. Daarbij is overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet tegen die toepassing verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit laatste eens te meer geldt voor de bepaling van artikel 843a Rv. Waar artikel 223 Rv staat in het deel van Rv dat expliciet handelt over de dagvaardingsprocedure (Boek 1, Titel 2, Afdeling 10), staat artikel 843a Rv niet daarin, maar in de afdeling voor “Enige bijzondere rechtsplegingen” (Boek 3, Titel 7, Afdeling 1), zodat eens te minder reden bestaat aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid uit te sluiten om een vordering ex artikel 843a Rv bij verzoekschrift in te stellen. Het verzoek dient dus thans inhoudelijk beoordeeld te worden.

Tegenverzoek bij verweerschrift

Ex art. 30i lid 8 Rv kan in de verzoekschriftprocedure bij verweerschrift (voorwaardelijk) een tegenverzoek/-vordering worden gedaan. Dit hoeft geen betrekking meer te hebben op het onderwerp van het verzoek van verzoeker (art. 282 lid 4 Rv).

Tegenverzoek uit 282 lid 4 Rv is verplaatst naar 30i lid 8 en 9 Rv volgens T&C Rv (2016).

Het verweerschrift mag een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen.

Ook het procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken (derde versie, 1/1/2017) leest als volgt:

Een schriftelijk stuk dat een verweer op het verzoek bevat, wordt aangemerkt als een verweerschrift, ongeacht de vorm die eraan is gegeven. Een verweerschrift kan een zelfstandig verzoek van de verweerder bevatten, mits dit verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek.

Ex art. 30i lid 8 Rv is op een tegenverzoek/-vordering art. 30a lid 3 sub f en g Rv van toepassing, zodat melding moet worden gemaakt van de bewijsmiddelen en de door verzoeker aangevoerde weren. Op het tegenverzoek/-vordering mag de verzoeker reageren met een verweerschrift. Termijn is voor vorderingsprocedures voor de kantonrechter 4 weken en andere vorderingszaken 6 weken. In verzoekzaken geldt 282 lid 1 Rv.

Ex 282 lid 4 Rv

Veroordeling tot rente verjaart na 5 jaar in plaats van de gebruikelijke 20 jaar

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2013:4698

Vergoeding ex Besluit proceskosten Bestuursrecht bij nieuw primair besluit in plaats van beslissing op bezwaar

Indien een bestuursorgaan in plaats van bij besluit op bezwaar het bestreden besluit te herroepen een nieuw primair besluit neemt, waarbij het het bestreden besluit inhoudelijk wijzigt of intrekt, kan het niet met het vervolgens niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar de proceskostenveroordeling ontlopen.

Zie hiervoor een uitspraak van 31 januari 2008, waarin de Afdeling overwoog dat aangezien het bestuursorgaan vóór het besluit op bezwaar het primaire besluit had ingetrokken en vervangen door een gewijzigd besluit het er voor moest worden gehouden dat het eerste primaire besluit was herroepen.


Wordt na lang getouwtrek het verzoek om proceskosten alsnog bij besluit afgewezen, dan volgt uit 6:20 Awb dat een reeds ingesteld beroep mede geacht wordt te slaan op dat besluit. Rb.’s-gravenhage 12/09/2012

Foute voorlopige aanslag ook vatbaar voor proceskostenvergoeding

Besluit in primo of beslissing op bezwaar? (nieuw primair besluit)

Een zaak kent de volgende stappen:

2/5/2012 – verzoek handhavend optreden
10/1/2013 – voornemen tot handhaving
4/4/2013 – afwijzing handhaving
———- bezwaar tegen afwijzingsbesluit
30/5/2013 – er zal alsnog tot handhaving worden overgegaan
9/7/2013 – last onder dwangsom
———- bezwaarschrift
24/10/2013 – ongegrond bij beslissing op bezwaar
———- ongegrond bij rechtbank

In hoger beroep wordt gesteld dat de beslissing op bezwaar van 24/10/2013 onrechtmatig is, omdat o.a. niet is vast te stellen of het onderliggende besluit van 9 juli 2013 een primair besluit is of een beslissing op bezwaar.

Tussen de gegrondverklaring van het door [partij] gemaakte bezwaar en de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 4 april 2013 in het besluit van 30 mei 2013, en het daarna genomen besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom van 9 juli 2013, bestaat een onverbrekelijke samenhang, omdat het college na de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 4 april 2013 nog inhoudelijk moest beslissen over het verzoek om handhaving van [partij]. Het onvolledige besluit van 30 mei 2013 en het later genomen besluit van 9 juli 2013 vormen tezamen het volledige, in heroverweging genomen, besluit op het door [partij] gemaakte bezwaar. Tegen dat besluit stond daarom rechtstreeks beroep op de rechter open. De rechtbank heeft dan ook het besluit van 9 juli 2013 ten onrechte aangemerkt als een primair besluit en niet onderkend dat het college niet bevoegd was het besluit van 24 oktober 2013 te nemen.

3.3. De rechtbank had het besluit van 24 oktober 2013 moeten vernietigen. Zij had verder de beroepsgronden tegen dat besluit in aanmerking moeten nemen als te zijn gericht tegen het door de besluiten van 30 mei 2013 en 9 juli 2013 tezamen gevormde volledige besluit op bezwaar. Nu het besluit van 24 oktober 2013 en het samengestelde besluit van 30 mei en 9 juli 2013 echter dezelfde strekking hebben, te weten dat handhavend wordt opgetreden tegen de illegale bouw van de garage, kan en zal de Afdeling het hoger beroep beoordelen als waren de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden gericht tegen het samengestelde besluit van 30 mei en 9 juli 2013.

KEI

Krachtens deze wet treedt op 1 maart 2017 de volgende wet gedeeltelijk in werking.

Het resultaat is al volgt.

30a Rv

1. De eiser of verzoeker stelt zijn vordering in of dient zijn verzoek in door middel van een procesinleiding.
2. De procedures waarin een vordering wordt ingesteld, worden in dit wetboek aangeduid als vorderingsprocedures. De procedures waarin een verzoek wordt ingediend, worden in dit wetboek aangeduid als verzoekprocedures.
3. De procesinleiding vermeldt ten minste:
a. de naam en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen van de eiser of verzoeker, de door eiser gekozen woonplaats in Nederland, respectievelijk de woonplaats of, bij gebreke daarvan, het werkelijk verblijf van de verzoeker,
b. de naam en woonplaats van de verweerder bij de vordering, dan wel de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van belanghebbenden,
c. de dag waarop in de vorderingsprocedure de verweerder ten laatste als verweerder kan verschijnen, welke dag ligt ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter, dan wel in geval van toepassing van artikel 113, ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na de dag van betekening van de procesinleiding bij de verweerder,
d. de vordering of het verzoek en de gronden waarop het berust,
e. de naam en het kantooradres van de gemachtigde of de advocaat, indien die door de eiser of verzoeker wordt aangewezen,
f. de door de verweerder tegen de vordering of de door de belanghebbende tegen het verzoek aangevoerde verweren en de gronden daarvoor,
g. de bewijsmiddelen waarover de eiser of verzoeker kan beschikken tot staving van de betwiste gronden van zijn vordering of verzoek, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen, alsmede
h. de aanwijzing van de bevoegde rechter die van de zaak kennisneemt.
4. De procesinleiding wordt ondertekend. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de eiser of verzoeker of door zijn gemachtigde. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, geschiedt ondertekening door de advocaat.

30 c Rv

1. De eiser of verzoeker dient de procesinleiding langs elektronische weg in bij de rechter. Partijen dienen gedurende de procedure ook overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de rechter anders bepaalt. Anderen dan partijen, die bij de procedure worden betrokken, dienen stukken langs elektronische weg in, tenzij de wet of de rechter anders bepaalt.
2. Waar dit wetboek voorschrijft dat handelingen schriftelijk geschieden, wordt hieraan langs elektronische weg voldaan, tenzij dit wetboek of de rechter anders bepaalt.
3. Onder een elektronische handtekening wordt verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die worden gebruikt door de ondertekenaar om te ondertekenen. Waar in dit wetboek ondertekening is voorgeschreven, is aan dit vereiste voldaan indien het stuk is ondertekend met een elektronische handtekening die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Een stuk dat langs elektronische weg is ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten geldt als ondertekend. Dit lid is niet van toepassing op akten als bedoeld in artikel 156 en op de ondertekening van documenten in een arbitrageprocedure ingevolge het Vierde Boek.
4. De verplichting tot indiening van stukken langs elektronische weg, als bedoeld in het eerste en het tweede lid geldt niet voor natuurlijke personen en voor verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere uitzonderingen op de verplichting tot stukkenwisseling langs elektronische weg als bedoeld in het eerste en het tweede lid worden gemaakt.
5. De partij die niet verplicht is tot en geen gebruik maakt van stukkenwisseling langs elektronische weg, dient de stukken als bedoeld in het eerste lid in op papier en verricht de handelingen als bedoeld in het tweede lid op papier. De griffier stelt stukken en mededelingen op papier, of indien deze partij dit wenst langs elektronische weg, aan hem ter beschikking en stelt de door deze partij ingediende stukken ter beschikking van de overige partijen, met uitzondering van het oproepingsbericht in een vorderingsprocedure.

6. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 30f, stelt de rechter de desbetreffende partij in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan hij in de vordering of het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.
7. In afwijking van het voorgaande lid kan de rechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.
8. Niet-ontvankelijkverklaring wegens het ten onrechte indienen van een procesinleiding op papier of het buiten beschouwing laten van een stuk omdat het ten onrechte op papier of na afloop van een termijn is ingediend, blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

GG
392 Rv

1 De rechter kan in de procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de eis vordering of het verzoek te beslissen en rechtstreeks van belang is:
a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of
b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.
De bevoegdheid, bedoeld in de vorige volzin, komt niet toe aan de rechter bij wie een verzoek, bedoeld in artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in behandeling is.
2 Alvorens de vraag te stellen, stelt de rechter partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag.
3 De beslissing waarbij de vraag wordt gesteld, vermeldt voorts het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten. Tevens bevat de beslissing een uiteenzetting dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan onderdeel a of b van het eerste lid. Tegen de beslissing om een vraag te stellen, alsmede tegen de beslissing ter zake van de inhoud van de vraag, staat geen voorziening open.
4 De griffier zendt onverwijld een afschrift van de beslissing aan de Hoge Raad. De griffier zendt afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad.
5 De rechter houdt de beslissing op de eis vordering of het verzoek aan totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.
6 Indien in een andere lopende procedure het antwoord op de vraag rechtstreeks van belang is om op de eis vordering of het verzoek te beslissen, kan de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve de beslissing aanhouden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Alvorens te beslissen als bedoeld in de eerste zin, stelt de rechter partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten. De rechter houdt de beslissing niet aan indien partijen te kennen hebben gegeven voortzetting van de procedure te verlangen. Tegen de beslissing om al dan niet aan te houden, staat geen voorziening open.

392 Rv

1 Tenzij de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal bij de Hoge Raad, aanstonds beslist overeenkomstig het achtste lid, stelt hij partijen in de gelegenheid om binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn schriftelijk opmerkingen te maken.
2 De Hoge Raad kan bepalen dat ook anderen dan partijen binnen een daartoe te bepalen termijn in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. De aankondiging hiervan geschiedt op een door de Hoge Raad te bepalen wijze.
3 Schriftelijke opmerkingen worden door een advocaat bij de Hoge Raad getekend en ter griffie van de Hoge Raad ingediend. De schriftelijke opmerkingen gaan vergezeld van zoveel afschriften als er partijen zijn. De griffier zendt onverwijld een afschrift aan partijen.
4 Indien het belang der zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op een daartoe strekkend verzoek, een dag bepalen voor mondelinge of schriftelijke toelichting door de advocaten van partijen. De Hoge Raad kan, indien hij een mondelinge toelichting heeft bevolen, degenen die ingevolge het tweede lid schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen ter zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord.
5 De in het vierde lid bedoelde toelichting kan worden gegeven door een andere dan de volgens het derde lid aangewezen advocaat. De daaruit voor een partij ontstaande ontstane vermeerdering van kosten is niet in de in artikel 394, tweede lid, bedoelde beslissing over de kosten begrepen. Een schriftelijke toelichting wordt door de advocaat getekend en ter griffie van de Hoge Raad ingediend. Zij gaat vergezeld van zoveel afschriften als er andere partijen zijn. De griffier zendt onverwijld een afschrift aan de door deze andere partijen gestelde advocaten bij de Hoge Raad.
6 Na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, dan wel na de mondelinge of schriftelijke toelichting, neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad conclusie, hetzij onmiddellijk, hetzij op een daartoe te bepalen dag. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de conclusie aan de door partijen gestelde advocaten bij de Hoge Raad.
7 Nadat de procureur-generaal bij de Hoge Raad overeenkomstig het zesde lid conclusie heeft genomen, bepaalt de Hoge Raad de dag waarop hij zal beslissen. De Hoge Raad kan de vraag herformuleren. Tenzij de herformulering van ondergeschikte betekenis is, stelt de Hoge Raad partijen in de gelegenheid om binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen te maken.
8 De Hoge Raad ziet af van beantwoording indien hij oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.
9 Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure als bedoeld in artikel 392, eerste lid, op de eis vordering of het verzoek te beslissen, kan de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden.
10 De Hoge Raad begroot in zijn beslissing de kosten die partijen ingevolge dit artikel hebben gemaakt.
11 De griffier zendt onverwijld een afschrift van de beslissing aan de rechter die de vraag heeft gesteld en aan partijen. De griffier zendt eveneens onverwijld aan de rechter die de vraag heeft gesteld een afschrift van de conclusie van de procureur-generaal en afschriften van de in het derde en vierde lid genoemde schriftelijke opmerkingen en schriftelijke toelichtingen.

In artikel 392, eerste lid, aanhef, vijfde lid en zesde lid wordt «eis» vervangen door: vordering.
HH
Artikel 393 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid vervalt de een na laatste volzin.

2. In het vijfde lid wordt «ontstaande» vervangen door «ontstane» en vervalt de een na laatste volzin.

3. In het negende lid wordt «eis» vervangen door: vordering

II
In artikel 394, eerste lid, wordt «eis» vervangen door: vordering.

Geldvordering in kort geding (spoedeisend belang)

Rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) 22 november 2013 – uitspraak

4.2 De gevorderde huurachterstand strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

Gerechtshof Arnhem 27 juli 2011 – uitspraak

Wel spoedeisend belang, maar overige vereisten niet; geldvordering afgewezen.

Einde ‘ne bis in idem’ beoordeling bij herhaalde aanvraag of verzoek (art. 4:6 lid 2 Awb)

26 november 2016
Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State – uitspraak

3.4. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

3.5. Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Verlof hoger beroep tegen tussenvonnis ook mogelijk bij verzoek achteraf

3.17 Met grief I voert [geïntimeerde] aan dat [appellant] niet in het hoger beroep kan worden ontvangen omdat het vonnis van 15 juli 2009 een tussenvonnis is. [geïntimeerde] ziet daarbij echter voorbij aan hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 23 januari 2004 (LJN AL7051, NJ 2005, 510 Ponteecen-Stratex), namelijk dat de rechter ook nadat vonnis is gewezen, desverzocht en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord, kan bepalen dat alsnog beroep tegen een tussenvonnis kan worden ingesteld, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan. De grief faalt.

Wanneer is een advocaat verplicht?

Dagvaardingsprocedure

Eerste aanleg

Artikel 79 Rv:

1. Partijen kunnen in zaken voor de kantonrechter in persoon procederen.
2. In alle overige zaken kunnen partijen niet in persoon procederen, maar slechts bij advocaat. Zij worden geacht tot aan het eindvonnis bij de gestelde advocaat woonplaats te hebben gekozen, tenzij zij hebben verklaard een andere woonplaats te hebben gekozen. Zij kunnen de door hen gestelde advocaat niet herroepen zonder tevens een andere advocaat te stellen.

Artikel 80 lid 1 Rv:

In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, kunnen zij zich laten bijstaan of zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Kort geding in eerste aanleg: (art. 255 lid 1 Rv)

1. De gedaagde kan in de zaken, bedoeld in artikel 79, tweede lid, behalve bij advocaat ook in persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is.

Hoger beroep en cassatie

Altijd een advocaat.

Verzoekschriftprocedure

Artikel 278 lid 3 Rv:

Tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat.

Kort geding in eerste aanleg: (art. 255 lid 3 Rv)

In andere korte gedingen niet ingeleid met een dagvaarding, kunnen partijen behalve bij advocaat ook in persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is.

Massaclaim afgewezen wegens te veel macht directeur Stichting Renteswapschadeclaim

Rabobank heeft sinds 2005 zo’n 8000 renteswapovereenkomsten gesloten met ondernemers. Door de sterke daling van de rente vanaf 2008 kregen die een negatieve waarde. De bank zegt bereid te zijn mee te werken aan individuele oplossingen voor klanten.

1. de stichtingsstructuur van deze claimstichting voldoet niet aan de eisen van de Claimcode waardoor de macht binnen de stichting is geconcentreerd bij de directeur en waarborgen ontbreken om te voorkomen dat deze directeur zijn persoonlijke belangen op enig moment zal laten prevaleren boven de potentieel aanzienlijke belangen van de gedupeerde ondernemers. Bovendien is de stichting opgericht met als enig doel het voeren van een collectieve actie, lijkt zij te handelen vanuit commerciële motieven en heeft zij met haar andere werkzaamheden nog geen concrete resultaten bereikt voor de gedupeerde ondernemers. Alles bij elkaar genomen zijn de belangen van de gedupeerde ondernemers niet voldoende gewaarborgd (artikel 3:305a lid 2, laatste volzin BW).

2. de vorderingen zoals die zijn ingesteld strekken niet tot bescherming van gelijksoortige belangen (artikel 3:305a BW).

Bron: rechtspraak.nl

Kantonrechter accepteert gesplitste vordering niet

Bij de kantonrechter kan men o.a. met vorderingen tot € 25.000 terecht zonder dat men daarvoor een advocaat nodig heeft. In dat licht kan het interessant lijken door een vordering te splitsen en domweg 2x bij de kantonrechter te procederen. Hier trapt men echter niet in:

Als u hard kunt maken dat u de vordering met een andere intentie heeft overgedragen dan het ontwijken van de bevoegdheidsregels – en de hoogte van uw vordering wordt daardoor minder dan € 25.000,= – dan kan het geding wél aanhangig worden gemaakt bij de kantonrechter. Zo heeft de HR in 1960 overwogen.

Een vordering cederen met de door u genoemde intentie wordt echter duidelijk niet geaccepteerd. Dit heeft de Hoge Raad in 1981 overwogen en die rechtspraak is nog steeds actueel. Hierdoor zou het ook wel zeer eenvoudig zijn om de bevoegdheidsregels van de kantonrechter te omzeilen.

Bron: Patrick van der Weide op rechtswinkel.nl

Beslissing op bezwaar afwijzing Wob-verzoek moet alle afwijzingsgronden bevatten

Bij het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) werd een Wob-verzoek ingediend ter verkrijging van een beoordelingsverslag van een gerechtsdeurwaarderskantoor.

Het bestuur van het KBvG wees het verzoek af o.g.v.

  • art. 10 lid 2 onder e (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en
  • art. 10 lid 2 onder g (voorkomen onevenredige bevoordeling of benadeling betrokken (rechts)personen) en
  • art. 11 lid 1 (intern beraad).

Er wordt bezwaar gemaakt, maar niet tegen de toepassing van art. 10 lid 2 onder e.

In de beslissing op bezwaar gaat het bestuur enkel in op de aangevoerde bezwaren, verklaart die ongegrond en merkt op dat het besluit niet wordt herroepen.

Er wordt beroep ingesteld bij de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank is het ingestelde beroep ongegrond omdat appellant geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van het bestuur dat de uitzonderingsgrond van art. 10 lid 2 onder e zich voordoet en deze uitzonderingsgrond de beslissing op bezwaar zelfstandig kan dragen.

De Afdeling haalt het proces-verbaal aan van de zitting bij de rechtbank waaruit valt op te maken dat de toepassing van art. 10 lid 2 onder e ter zitting is bestreden. De rechtbank heeft daarop zonder motivering gesteld dat dat te laat was. De rechtbank doet geen beroep op de goede procesorde of dat van de juistheid van de toepassing van de uitzonderingsgrond moet worden uitgegaan omdat deze in bezwaar niet is bestreden (zie o.a. ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6499, r.o. 3.1).

Uit het proces-verbaal blijkt dat het bestuur met de beslissing op bezwaar de toepassing van art. 10 lid 2 onder e niet heeft beoogd te laten vallen.

Echter, nu het bestuur in dat besluit niet expliciet tot uitdrukking heeft gebracht dat het de toepassing van deze uitzonderingsgrond handhaaft, heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte niet ter zitting in de gelegenheid gesteld om alsnog gronden van beroep tegen de toepassing daarvan aan te voeren.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén