Categorie: Strafrecht

Mulderfeit, politiestrafbeschikking of OM-strafbeschikking

 

In de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen (23-1-2018) staat het volgende:

De feiten ondergebracht in Bijlage I van het Besluit OM-afdoening, waarvoor de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar strafbeschikkingsbevoegdheid heeft, zijn te herkennen aan een ‘p’ voor de feitcode. Bijvoorbeeld: p D 530, zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden.

Storend is dat die ‘p’ in (de bijlage bij) het Besluit OM-afdoening niet te vinden is. Niet in de-versie, noch in deversie.

Op bladzijde 15 van de Richtlijn staat echter het volgende:

De OM-feiten en p-feiten met bijbehorende tarieven zijn niet als bijlage bij deze Richtlijn voor strafvordering opgenomen, maar geïntegreerd opgenomen in de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen, deze geldt hiervoor als bijlage bij deze Richtlijn. In de Tekstenbundel worden de OM-feiten en tarieven voorafgegaan door een * (asterisk). De politiestrafbeschikkingsfeiten waarvoor een politiestrafbeschikking kan worden uitgevaardigd, worden voorafgegaan door de (kleine) letter p.

We worden dus verwezen naar het feitenboekje (pdf) van het OM. Dat is toch echt wat anders dan (de bijlage bij) het Besluit OM-afdoening.

 

    • Besluit OM-afdoening, met bijlagen (v.a. juli 2018) html pdf– wetten.nl
    • Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen 2018 (pdf)

Als bokser met gebalde vuist iemand in het gezicht slaan kwalificeert als poging tot zware mishandeling

Oplichting of ‘slechts’ moedwillige wanprestatie

In de samenleving en in televisieprogramma’s zoals Radar en Opgelicht!? wordt geregeld gesproken over ‘oplichting’. Ook wanneer men iets heeft besteld op internet maar vervolgens niks heeft ontvangen, roept men al snel dat men is opgelicht.

Of er in juridische zin sprake is van oplichting, ligt echter iets gecompliceerder. Oplichting staat in artikel 326, lid 1 Wetboek van Strafrecht:

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid,
hetzij door listige kunstgrepen,
hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

iemand beweegt

tot de afgifte van enig goed,
tot het verlenen van een dienst,
tot het ter beschikking stellen van gegevens,
tot het aangaan van een schuld of
tot het teniet doen van een inschuld,

wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Nu is het zo dat iemand die geld accepteert maar vervolgens opzettelijk niets levert, zich volgens vaste rechtspraak nog niet schuldig maakt aan oplichting. Iets dergelijks levert enkel ‘moedwillige wanprestatie’ op (hetgeen valt onder het civielrecht, en niet het strafrecht).

Niet elke vorm van bewust oneerlijk zakendoen levert het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf ‘oplichting’ op. Dat geldt eveneens wanneer kan worden bewezen dat men is benadeeld door een persoon die niet van plan of in staat was zijn verplichting na te komen en die zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide (ver)koper. Die enkele omstandigheid is volgens vaste rechtspraak onvoldoende om ‘het aannemen van een valse hoedanigheid van bonafide (ver)koper’ op te leveren (zie o.m. HR 15 december 1998, LJN: ZD1177 en HR 13 november 2001, LJN: AD4320).

M.i. overheerst in de samenleving de opvatting dat opzettelijk niet leveren wel degelijk thuishoort in het strafrecht.

Diefstal reeds gepleegd, ook indien “kassa niet is gepasseerd” of “winkel nog niet is verlaten”

Een veel gehoord misverstand is dat er geen sprake is van diefstal indien men met de spullen “de kassa nog niet voorbij is” of “de winkel nog niet heeft verlaten”. Dit is pertinent onjuist.

Zie hiervoor de opsomming door Advocaat-Generaal Machielse bij de Hoge Raad onderaan zijn conclusie van 29-6-2010.

HR 2 juni 1959, NJ 1960, 115 (Kijkgrijp);

HR 27 oktober 1998, NJB 1998, p. 2005, nr. 138 (diefstal uit een supermarkt door tandenborstels onder kleding te stoppen was reeds voltooid toen de verdachte alvorens de kassa te zijn gepasseerd eigener beweging die borstels weer ter beschikking van de rechthebbende had gesteld);

HR 22 december 2009 LJN BJ9930 (dozen met processoren oppakken en deze direct daarop voor de buitenwereld onzichtbaar in een sporttas steken en vervolgens de sporttas met de dozen buiten de nooddeur zetten; voltooide diefstalnu de dader zich een zodanige heerschappij over die dozen met processoren heeft verschaft dat de wegneming daarvan – in de zin van art. 310 Sr – was voltooid);

HR 13 april 1999, LJN ZD5066 (niet gepubl.) (diefstal snoepgoed uit tankstation was voltooid toen verdachte het snoep uit de stelling nam en deze direct daarop onder haar kleding stak);

Vier recentere arresten, waarin de verdachte steeds in hoger beroep is veroordeeld wegens (voltooide winkel)diefstal en het cassatieberoep telkens door Hoge Raad met art. 81 RO is afgedaan:

HR 2 september 2008, LJN BD2569 (niet gepubl.) (verdachte heeft de winkel niet verlaten omdat hij bij de uitgang is tegengehouden door een winkelmedewerker);

HR 24 maart 2009, LJN BH1448 (niet gepubl.) (verdachte heeft goederen in een plastic tas gestopt en bij kassa slechts een ander product afgerekend en hierna de goederen in de winkel teruggelegd);

HR 6 oktober 2009, LJN BJ3279 (niet gepubl.) (verdachte heeft kleding in de winkel eerst opgeborgen in een koffer en later achtergelaten in een paskamer);

HR 17 november 2009, LJN BJ8640 (niet gepubl.) (verdachte heeft een MP3-speler in zijn jas gestopt en is naar buiten gelopen en is vervolgens weer de winkel ingelopen en heeft getracht de MP3-speler in de verpakking te stoppen)

Schadevergoeding bij strafvorderlijk optreden door de politie (aansprakelijkheid Staat, gelijkheidsbeginsel, égalitébeginsel)

Strafvorderlijk optreden dat voldoet aan de strafprocesrechtelijke regels is ook jegens derden rechtmatig. Echter, buiten het normale risico vallende schade dient o.g.v. het gelijkheidsbeginsel over de gemeenschap verdeeld te worden. HR 30-3-2001 (Staat/Lavrijsen).

De Staat is echter niet (volledig) schadeplichtig als er sprake is van ‘eigen schuld’ van de benadeelde (art. 6:101 lid 1 BW). Indien een ander dan de benadeelde de beschadigde zaak onder zich had, wordt het handelen van die ander toegerekend aan de benadeelde (lid 2).

De Hoge Raad oordeelde in 2009 dat deze toerekeningsregel ook geldt bij strafvorderlijk optreden door de Staat. HR 2-10-2009 (Wherestad).

Hier komt het arrest van de Hoge Raad van vandaag echter op terug.

Het voorgaande brengt daarom mee dat – anders dan nog tot uitgangspunt is genomen in [Wherestad] – in gevallen waarin de Staat wegens rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is voor schade aan zaken van een ander dan de verdachte, bij beoordeling van de vraag of de vergoedingsplicht van de Staat op de voet van art. 6:101 lid 1 BW moet worden verminderd of zelfs geheel vervalt (op grond van de causaliteitsafweging dan wel de billijkheidscorrectie), het tweede lid van die bepaling buiten toepassing moet blijven.

Niet ontvankelijk in art. 12 Sv procedure, zelfs indien OvJ politiesepot ten onrechte bestempelt als OM-sepot en verwijst naar hof

1-10-2010
Gerechtshof Arnhem – uitspraak

  • Vrouw doet aangifte wegens mishandeling
  • Politie stuurt brief met sepot en bezwaarmogelijkheid bij OvJ.
  • Vrouw maakt bezwaar bij Openbaar Ministerie te Zutphen.
  • OvJ laat per brief weten dat vrouw slechts beklag kon doen bij het Hof via art. 12 Sv.

1 november 2010 oordeelt het hof Arnhem als volgt:

De wet gaat er in de artikelen 167 en 242 van het Wetboek van Strafvordering vanuit dat het openbaar ministerie, dat wil zeggen de officier van justitie of een gemachtigde medewerker van het Openbaar Ministerie, de beslissing neemt om van vervolging af te zien. Het is op deze beslissing dat het beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ziet. Met een gemachtigd medewerker van het openbaar ministerie kan gelijk gesteld worden de gemandateerde politie-parketsecretaris. Van dat mandaat zal dan wel moeten blijken.

Het is, in het licht van de grote hoeveelheden aangiften en een efficiënte bedrijfsvoering, begrijpelijk dat een deel van de beslissingen om niet tot verdere vervolging over te gaan door een politiefunctionaris, niet zijnde een politie-parketsecretaris, wordt genomen. Dit kan evenwel, gegeven het hiervoor beschreven wettelijk systeem, uit zijn aard niet anders zijn dan een beslissing die onderhevig is aan een herbeoordeling door het openbaar ministerie. Dat het in een groot deel van de op politieniveau genomen sepotbeslissingen door berusting van een aangever niet tot een dergelijke herbeoordeling komt, doet daar niet aan af.

Dit wettelijk systeem brengt met zich mee dat een beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen een politiesepot niet mogelijk is.

De bevoegdheid tot het nemen van de beslissing moet goed gescheiden worden van de bevoegdheid om de genomen beslissing aan een aangever (en anderen, als bedoeld in artikel 167 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering) mede te delen. Dat een politiefunctionaris schriftelijk de beslissing van het openbaar ministerie aan een aangever ter kennis brengt, raakt de ontvankelijkheid van een beklag niet.

In het onderhavige geval is door een politiefunctionaris aan klaagster medegedeeld dat de zaak werd geseponeerd, waarbij zij is gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift bij het Openbaar Ministerie. Weliswaar wordt in de brief gesteld dat het Openbaar Ministerie heeft besloten tot niet verdere vervolging en dat de brief namens de officier van justitie wordt geschreven, maar gelet op het feit dat in die brief wordt aangegeven dat tegen de beslissing bezwaar kan worden gemaakt bij het Openbaar Ministerie en het standpunt van de advocaat generaal dat het hier een politiesepot betreft, is het hof van oordeel dat er sprake is van een politiesepot en dat de officier van justitie in zijn brief van 11 maart 2010 klaagster op onjuiste gronden heeft gewezen op de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie had de onderhavige zaak zelf inhoudelijk moeten herbeoordelen.

Nu het wettelijk systeem met zich meebrengt dat een beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen een politiesepot niet mogelijk is, is het hof van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag verklaard dient te worden. Het hof merkt ten overvloede nog op dat de officier van justitie alsnog zelfstandig een inhoudelijke beslissing zal moeten nemen op het door klaagster ingediende bezwaar tegen het politiesepot. Tevens staat het klaagster vrij om op een later tijdstip, indien de officier van justitie in onderhavige zaak alsnog een sepotbeslissing neemt, tegen deze beslissing wederom een klaagschrift in te dienen. Daaraan staat deze beschikking niet in de weg.

Politie mag automatisch gescande kentekens 4 weken gaan bewaren (ANPR)

Sinds een aantal jaren wordt door de politie gebruikgemaakt van automatische kentekenherkenning, ook wel automatic numberplate recognition (ANPR) genoemd. Dit is een techniek waarbij met behulp van camera’s kentekens van voertuigen in het verkeer worden vastgelegd en langs geautomatiseerde weg worden vergeleken met kentekens van voertuigen die op naam staan van personen die bekend zijn bij de politie.

Automatische kentekenherkenning zou ook kunnen worden toegepast om op een later tijdstip in de vastgelegde gegevens terug te kunnen zoeken. Hierbij worden alle kentekens die een camera passeren – ongeacht of het gaat om hits – vastgelegd en bewaard. Indien later een misdrijf wordt ontdekt, kunnen de gegevens ten behoeve van de opsporing daarvan worden geraadpleegd.

Het wetsvoorstel voegt aan het Wetboek van Strafvordering een regeling toe die het mogelijk maakt om kentekengegevens van voertuigen zoals het kenteken, de locatie, het tijdstip en de foto van het voertuig, in een kentekenregister vast te leggen en te bewaren. Deze passagegegevens mogen binnen vier weken gebruikt worden bij de opsporing van een specifiek misdrijf en voor de aanhouding van voortvluchtige personen.

Het kenteken, de locatie en het tijdstip van de vastlegging, en de foto-opname van het voertuig kunnen worden bewaard gedurende een periode van vier weken na de datum van de vastlegging. 2. Het kenteken, de locatie en het tijdstip van vastlegging, en de foto-opname van het voertuig worden vier weken na de datum van vastlegging vernietigd.

Onderzoek politie aan inbeslaggenomen smartphone (94, 95, 96 en 104 Sv)

Inhoudsopgave

  • Hoge Raad 4 april 2017 – onderzoek politie smartphone moet beperkt blijven
  • Hof Amsterdam 22 juni 2015 – onderzoek politie smartphone mag gewoon
  • Hof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2015 – onderzoek politie smartphone moet beperkt blijven

10 januari 2018
Rechtbank uitspraak


4 april 2017
Hoge Raad der Nederlanden – uitspraak

2.4.

De relevante wettelijke bepalingen luiden als volgt:
– art. 94, eerste lid, Sv:
“1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen
(…)”

– art. 95, eerste lid, Sv:
“1. Hij die den verdachte aanhoudt of staande houdt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, door dezen met zich gevoerd, in beslag nemen.”

– art. 96, eerste lid, Sv:
“1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is de opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden.”

– art. 104 Sv:
“De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten het geval hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht, vindt inbeslagneming door de rechter-commissaris slechts plaats op vordering van de officier van justitie.”

2.5.
Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.

2.6.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.

2.7.1.
Het Hof heeft het gevoerde verweer verworpen op de enkele grond dat art. 94 Sv een voldoende wettelijke grondslag vormt voor het door een opsporingsambtenaar verrichte onderzoek aan de smartphone van de verdachte. Daarmee heeft het Hof het in 2.6 overwogene miskend. Het middel klaagt daarover terecht.

2.7.2.
Na terugwijzing van de zaak zal het Hof moeten beoordelen of ten aanzien van de op de voet van art. 94 Sv in verbinding met art. 95 en 96 Sv inbeslaggenomen smartphone en het ten behoeve van de opsporing vastleggen van de daarin opgeslagen of beschikbare gegevens sprake is van meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Indien het Hof bevindt dat sprake is van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 86 beschreven gang van zaken – kort gezegd inhoudend dat zowel handmatig als met daartoe bestemde apparatuur en/of software alle op een smartphone en/of de bijbehorende SIM-kaart opgeslagen of beschikbare gegevens zijn door- en uitgelezen waardoor (volledig) inzicht is verkregen in contacten, oproepgeschiedenis, berichten en foto’s – ontstaat daardoor het vermoeden dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt.

Indien het Hof tot dat oordeel zou komen, zal het op de voet van art. 359a Sv moeten beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. (Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308.)

2.8.
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt – in het licht van art. 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.


22 juni 2015
Gerechtshof Amsterdam – uitspraak

Artikel 94 Sv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van een smartphone anders te oordelen. De iPhone van de verdachte is dan ook met de oog op de waarheidsvinding rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.


22 april 2015
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – uitspraak

Het hof onderschrijft het standpunt van de verdediging in die zin dat verdachte ten aanzien van de inhoud van zijn smartphone een beroep op bescherming op artikel 8 EVRM (en artikel 10 Grondwet) toekomt. De inbeslagname, het onderzoek aan de smartphone en het lichten van gegevens van die smartphone door de politie op grond van artikel 94 Sv. vormen een inbreuk op de door artikel 8 EVRM verleende bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De bevoegdheid van de politie tot het maken van een inbreuk op dit recht moet voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet zijn omschreven.

De technische ontwikkelingen anno 2015 brengen met zich dat er via een smartphone niet alleen toegang wordt verkregen tot verkeersgegevens, maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone. En dat zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van de subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid. Dat brengt het hof tot het oordeel dat sprake is van een zodanig ingrijpende bevoegdheid dat, mede gelet op artikel 1 Sv., de algemene bevoegdheidsomschrijving van artikel 94 Sv. heden ten dage niet meer kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat als voldoende kenbaar en voorzienbaar kan worden aangemerkt bij de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Het kan derhalve de toets van artikel 8 EVRM niet (meer) doorstaan.

Met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat het onderzoek door de politie aan de smartphone van de verdachte oplevert een schending van zijn recht op privacy.

De verdachte is hierdoor getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. De verdachte is ook concreet benadeeld in zijn (verdedigings)belang, nu gegevens (een whatsapp gesprek) uit de smartphone van de verdachte zijn gelicht en geprint en toegevoegd aan het strafdossier en de verdachte door de politie is verhoord en door de rechtbank is veroordeeld mede op basis van een onderdeel van het whatsapp gesprek.

Nee, u hoeft niet mee te werken aan een tassencontrole, maar riskeert wel een winkelverbod (mag ik even in uw tas kijken?)

In het kort (voor het geval u nú bij de kassa staat):

Burgers, winkelpersoneel én beveiligers mogen niet zonder toestemming uw tas openen,
ongeacht wat er bij de ingang wordt aangekondigd en
ongeacht het feit dat u door voornoemde personen bent aangehouden (burgerarrest).


Inzake de uitleg van het bovenstaande onderscheid ik twee gevallen:
1. Personeelslid/beveiliger vraagt u uw tas te openen, of deze ter controle af te geven.
2. Personeelslid/beveiliger heeft u aangehouden.

Geval 1:
Wanneer een personeelslid of beveiliger denkt dat u wat gestolen heeft, mag deze u vragen uw tas te openen of uw jas te controleren. Vragen staat namelijk vrij. U kunt dit verzoek echter eenvoudig weigeren. Zonder uw toestemming mogen zij niet uw tas openen, laat staan uw kleding of lichaam onderzoeken.

Wel kondigen veel winkels bij de ingang op een mogelijke tassencontrole aan. Door de winkel te betreden gaat u daarmee stilzwijgend akkoord en bent u een overeenkomst aangegaan. Indien men u vervolgens verzoekt uw tas te openen mag u dit weigeren. Men mag dan niet zonder uw toestemming uw tas openen. Wel pleegt u wanprestatie jegens de winkel(ier) waardoor u een winkelverbod kan worden opgelegd. Met u zijn immers kennelijk geen afspraken te maken.

Geval 2
Een personeelslid of beveiliger heeft u aangehouden. Dit mag alleen bij ontdekking op heterdaad. Men mag u dus niet aanhouden voor een diefstal die u gisteren heeft gepleegd. Men mag u tevens enkel aanhouden indien jegens u een redelijk vermoeden van schuld bestaat dat u iets gestolen heeft (art. 27 Sv). Het enkele weigeren mee te werken aan een tassencontrole is onvoldoende voor een aanhouding wegens diefstal. Bij een aanhouding mag het personeelslid of de beveiliger uw tas in beslag nemen om deze af te geven aan de politie. (art. 95 Sv). Het personeel mag ook in deze situatie niet zelf uw tas openen! Onderzoek aan uw kleding of lichaam door voornoemde personen is volstrekt uit den boze (art. 56 Sv).

Uitgebreider

In een tas die openstaat mag men kijken.

Omdat er zo veel gestolen wordt, vinden veel politieambtenaren dat u ‘gewoon’ uw tas moeten laten controleren. De moderators op het forum geven aan vrij nijdig te worden als ze moeten komen opdraven voor een onterechte aanhouding. Begrijpelijk. Echter, moderator en agent ‘Zijlvaart67’ geeft aan zelfs aan zulke mensen minstens 4 uur vast te zetten omdat hij dan zogenaamd even geen tijd heeft. Vraag me af of de overheid het fijn vindt als de politie zich zo profileert.

Voorbeelden
Bij de kringloopwinkel in de Haagse Weimarstraat hangt doodleuk een A4-tje met daarop “Bij verdenking van diefstal hebben wij het recht een tassencontrole uit te voeren. Bij diefstal schakelen wij de politie in.” Die eerste zin is volstrekte onzin.

Gefrustreerde agenten

Veel mensen, zijn de mening toegedaan dat men moet meewerken wanneer winkelpersoneel verzoekt om in de tas te kijken. De hiervoor aangevoerde argumenten zijn [1] winkeldiefstal komt veel voor en kost de winkelier een hoop geld en [2] het in de tas kijken is zo gepiept en als u niks te verbergen heeft . Zelfs opsporingsambtenaren (in de volksmond: politieagenten) zijn deze mening toegedaan. Zie hiervoor infopolitie.nl

Afluisterapparatuur, afluisterhorloge, GPS4kids horloge (doen plegen, 139a, 139b, 139d Sr.)

Wanneer men ‘afluisterhorloge’ intypt op Google, wordt men overladen met vele spy-shops die dergelijke dingen verkopen. Daarmee lijkt het volstrekt legaal om zo’n ding te hebben, anders liggen ze niet in de winkel, toch?

Wat daar ook van zij, velen kopen zoiets niet om thuis in de kast te leggen, maar gaan het gebruiken waarvoor het bedoeld is, en plaatsen het in de buurt van degene die ze willen afluisteren.

Dat enkele plaatsen levert echter al direct een misdrijf op. Het ‘aanwezig doen zijn’ van een ‘technisch hulpmiddel’ waarmee een gesprek ‘kan’ worden afgeluisterd is strafbaar ex artikel 139d Wetboek van Strafrecht (WvSr).

Het vervolgens daadwerkelijk opnemen van een gesprek waarvan men geen deelnemers is, is strafbaar wanneer dat gesprek in een woning plaatsvind (139a WvSr) dan wel daarbuiten (139b WvSr)

Ook de ouder de het kind – met zo’n leuk horloge om – bij de ex afgeeft zonder iets te zeggen, heeft een groot probleem. Zo’n ouder maakt zich namelijk schuldig aan het ‘aanwezig doen zijn’.

Desnoods via het formele tussenstapje van het ‘doen plegen’. Onder het plegen van een strafbaar feit valt ook het ‘doen plegen’ daarvan. Een ouder die een kind opzettelijk met speelgoed bij de Intertoys naar buiten laat lopen zonder te betalen,

Filmen van de openbare weg met een beveiligingscamera (camera openbaar)

Steeds meer mensen monteren beveiligingscamera’s om zo een oogje in het zeil te houden. Wanneer deze zich aan de buitenzijde (van bijvoorbeeld een woning) bevinden, registreren deze vaak vrij permanent een gedeelte van de openbare weg. Hierdoor kunnen buren zich aangetast voelen in hun privacy. Hoe zit dit?

Artikel 441b Wetboek van Strafrecht leest als volgt:

Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, van een persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats, wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt.

Aangebracht
De bepaling ziet enkel op aangebrachte camera’s. Een webcam achter het raam valt hier ook onder. Vrijwel de enige uitzondering is een camera die in de hand wordt gehouden.

Niet op duidelijke wijze kenbaar
Wanneer je duidelijk aangeeft dat er een camera hangt, ben je niet strafbaar volgens dit artikel.

Personen
De bepaling gaat alleen over het vastleggen van personen. Als je vanaf de 8e verdieping van een flatgebouw (zonder inzoomen) de openbare weg filmt, zullen de passanten nauwelijks meer herkenbaar zijn. In dat geval valt men niet onder deze bepaling.

Voor het publiek toegankelijke plaats
Dit begrip omvat naast de openbare weg, ook winkels en cafes e.d.

Smaad en ‘door telastlegging van een bepaald feit’

1.
Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

22 augustus 2016
Rechtbank Limburg – uitspraak

De rechtbank stelt voorop dat voor de “telastlegging van een bepaald feit” in de zin van artikel 261 Sr is vereist dat het feit op een zodanige wijze door verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het in de tenlastelegging omschreven “feit” niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem of haar wordt toegedicht en evenmin – zo het wel gaat om het gedrag van die persoon – indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging.

In de tenlastelegging worden feitelijke omschrijvingen gegeven van de “bepaalde feiten” waarvan de verdachte mr. [slachtoffer] (officier van justitie) en/of het Openbaar Ministerie zou hebben beschuldigd. Zo zou de verdachte – volgens de tenlastelegging – aan (een) krantenjournalist(en) ten behoeve van publicatie onder meer de navolgende woorden hebben medegedeeld:

  • “Deze vrouw heeft de uitstraling van Irma Grese en/althans van een kampbeul” en/of
  • “Maar achter die vergelijking met Grese sta ik nog steeds. Als Paul Verhoeven een film over Auschwitz gaat maken, kan hij haar (mr. [slachtoffer] ) casten als Irma Grese en/althans als kampbeul. Die hele uitstraling van [slachtoffer] – kil, nors, hard, vilein – deed me denken aan Grese die ik onlangs in een documentaire op Netflix zag.”

De rechtbank is van oordeel dat deze beweerdelijke uitlatingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als “de telastlegging van een bepaald feit” in de zin van artikel 261 Sr, omdat de uitlatingen geen beschuldiging van een of meer concrete gedragingen inhouden. De rechtbank zal de dagvaarding ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging daarom nietig verklaren.

Deze partiële nietigheid heeft geen betrekking op de beweerdelijk door verdachte gedane uitlating zoals geformuleerd onder het tweede gedachtestreepje (“Er zijn vreselijke dingen gebeurd in die kampen, maar de ellende die zij heeft veroorzaakt, gaat nog 27 keer verder”). Immers hierin wordt een concrete gedraging van de beschuldigde beschreven.

Boerkaverbod, burqaverbod openbaar (boerkiniverbod Frankrijk)

Deze pagina gaat over het boerkaverbod in het (semi)openbaar. Voor de situatie op het werk klik hier.

22 november 2016 – bron

Een Kamermeerderheid is voor een boerkaverbod in het openbaar vervoer, overheidsgebouwen, onderwijsinstellingen en zorginstellingen. Het verbod zal ook gelden voor bivakmutsen en maskers.

Voorlopig mogen boerka’s en bivakmutsen nog, maar uitgerekend de politie heeft daar maling aan, getuige het volgende filmpje:

Dat is dus een volstrekt onrechtmatige mishandeling en fouillering. Chapeau!

http://www.bbc.com/news/world-europe-37074601

Maximale straf bij niet-gelijktijdige behandeling van delicten (ron p., puttense moordzaak, Anneke van der Stap)

chtelijk onderzoek naar de verdachte in de onderhavige zaak is gestart na zijn aanhouding op 20 mei 2008 te Delft op verdenking van, kort gezegd, de moord in wat publiekelijk bekend staat als de Puttense (moord)zaak. Het Openbaar Ministerie heeft destijds om zijn moverende redenen er niet voor gekozen om de feiten in die zaak en de thans bewezenverklaarde feiten gezamenlijk bij dezelfde rechter aan te brengen. Die keuze heeft het hof te respecteren.
Die keuze heeft tot gevolg dat het hof thans artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dient toe te passen.
In dit concrete geval houdt dat in dat, nu aan verdachte voor de in de Puttense zaak bewezen verklaarde moord en verkrachting een tijdelijke gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van vijftien jaren en zes maanden (ECLI:HR:2913:BZ9992), en hij thans schuldig wordt verklaard aan misdrijven die zijn gepleegd vóór die strafoplegging, het Hof de bepalingen van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht dient toe te passen om een door de wetgever onwenselijk geachte cumulatie van straffen te voorkomen.
Daarnaast heeft het Hof bij zijn strafoplegging ook artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht te betrekken. Voor alle toepasselijke artikelen, dus ook die van de thans bewezenverklaarde misdrijven betekent dit verder: toepassen zoals zij ten tijde van de pleegdata van de feiten golden. Dat wil zeggen de destijds, in 2005 en 2008 geldende wettelijke strafmaxima.
Dat betekent, uitgaande van het zwaarste bewezenverklaarde feit, dat aangezien op de doodslag omstreeks 11 juli 2005 een wettelijk strafmaximum stond van een (dus tijdelijke) gevangenisstraf van vijftien jaren (en niet zoals bij moord levenslang), en artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht destijds tevens de tijdelijke gevangenisstraf maximeerde op twintig jaren, het hof niet toekomt aan het opleggen van een gevangenisstraf hoger dan vier jaren en zes maanden, dat wil zeggen twintig jaren minus de vijftien jaren en zes maanden eerder reeds opgelegd in de Puttense zaak.
Naar het oordeel van het hof doet een dergelijke straf geen recht aan de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten in dit geval.
Weliswaar is de ratio van de artikelen 63 en 57 van het Wetboek van Strafrecht dat de rechter moet nagaan welke maximum straf aan de orde zou zijn geweest in geval van gelijktijdige berechting opdat aan de hand daarvan de straftoemetingsruimte die artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dan over laat kan worden vastgesteld, maar datzelfde artikel 63 is zodanig geredigeerd dat het geen onderscheid maakt ten aanzien van de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden.
De ongelijktijdige berechting in het onderhavige geval heeft tot gevolg dat de maximaal op te leggen gevangenisstraf beduidend lager uitvalt dan in andere gevallen waarbij een doodslag bewezen is verklaard. Het Hof is zich dat zeer bewust, zowel met het oog op de mogelijke gevoelens daarover in de samenleving en meer in het bijzonder bij de nabestaanden, alsook vanuit het beginsel van rechtsgelijkheid.
Eerder heeft een ander rechterlijk college, namelijk de rechtbank Amsterdam (ECLI:RBAMS:2011:BT7651), geoordeeld dat een onverkorte, strikte toepassing van artikel 63 onwenselijk was en heeft zich hier niet gebonden aan geacht. In de cassatieprocedure in het belang der wet die daarop is gevolgd heeft de Hoge Raad (ECLI:HR:2013:BX9407) echter geen aanleiding gezien om zijn oordeel te wijzigen. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat de Minister van Veiligheid en Justitie bij brief van 8 december 2011 heeft aangekondigd het onderhavige thema van de meerdaadse samenloop van artikel 57 en van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht te willen herzien, en dat daarbij verschillende legislatieve keuzes mogelijk zijn. Inmiddels is het onderzoeksrapport “Meerdaadse samenloop in het strafrecht” op 11 juli 2013 gepubliceerd en heeft de Minister van Veiligheid en Justitie bij brief van 19 november 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK vergaderjaar 2013-2014, 29 279, nr. 179) aangekondigd het wetsvoorstel voor herziening van de regeling van meerdaadse samenloop spoedig in consultatie te geven.
Dit alles maakt naar het oordeel van het hof dat thans de rechtszekerheid, voor verdachte en in het algemeen, dient te prevaleren, en om die reden acht het hof zich gebonden aan de uitkomst waartoe de huidige uitleg van de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht dwingt.

Drone uit de lucht schieten wordt door OM geseponeerd én hoeft van Hof niet vervolgd te worden

Een man was met zijn drone aan het vliegen boven zijn boerderij, waarop hij deze opeens uit de lucht zag vallen. Bij het terugkijken van de beelden zag hij dat zijn buurjongen met een luchtdrukgeweer op zijn drone had geschoten.

Aangezien een drone gemiddeld best prijzig is, deed de man aangifte van vernieling. Hierop werd de jongen verhoord door de politie en bekende. De aanwezige vader vertelde dat hij al langer met de buurman in onmin leefde en vond dat de drone zijn privacy schond.

Ondanks het feit dat het misdrijf vaststond, seponeerde het OM de zaak!?

Volkomen terecht stuurde de man een klachtschrift (ex art. 12 Sv) naar het Hof Arnhem om het OM te dwingen tot vervolging. Logischerwijs achtte het Hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen. Echter, het hof was van oordeel dat de man het conflict ‘enigszins heeft opgezocht’ door met zijn drone boven de tuin van de buren te vliegen en verklaarde het beklag ongegrond!?

Het OM en het Hof geven met dit oordeel m.i. een zeer verkeerd signaal naar de samenleving. Eigenlijk wordt men het recht gegeven bij de minste of geringste hinder eigenhandig de (prijzige) eigendommen van de ander te slopen. Chapeau!

Bron: Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart

Whatsapp verwijdert berichten niet helemaal van smartphone bij verwijderen

Dit blijkt uit een onderzoek van Jonathan Zdziarski.

De ‘verwijderde’ gesprekken blijven onversleuteld achter op de smartphone. De encryptie die Whatsapp sinds kort gebruikt geldt namelijk alleen voor het versturen.

Schuldsanering biedt rechter geen ambtshalve mogelijkheid strafblad op te vragen

Levenslange gevangenisstraf en het recht op gratie

De Hoge Raad oordeelde vandaag dat het huidige beleid in strijd is met Europees recht en dat levenslang gestraften enig perspectief op vrijlating moeten hebben.

Huidige tenuitvoerleggingspraktijk is onverenigbaar met de eisen die art. 3 EVRM stelt. Levenslange gevangenisstraf is niet i.s.m. art. 3 EVRM ook niet indien deze ten volle wordt geëxecuteerd. Levenslange gevangenisstraf kan niet worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling.

Whatsapp stelt berichten niet te kunnen inzien wegens encryptie

Volgens WhatsApp kunnen gegevens niet aan de Braziliaanse overheid worden overhandigd, omdat berichten op de dienst zijn versleuteld en het bedrijf hier geen inzicht in heeft.

WhatsApp heeft zelf geen rekeningen in Brazilië, dus daarom besloot een rechter om tegoeden op de rekeningen van moederbedrijf Facebook te bevriezen.

AIVD wil encryptie Whatsapp beperken

Valse bommelding Schiphol = € 500 boete

Een poolse man riep op Schiphol dat hij een terrorist was.

De rechter legde hem een boete op van € 500.

Gelet op de vele ontstane vertragingen lijkt dat een enigszins lage straf.

Poging tot mishandeling niet strafbaar (art. 300 lid 5 Sr)

Normaliter zijn pogingen tot strafbare feite strafbaar. Dat volgt uit artikel 45 Wetboek van Strafrecht (Sr.).

Echter lid 5 van artikel 300 Sr bepaalt dat een poging tot (eenvoudige) mishandeling niet strafbaar is.

Dat is vreemd. Wanneer iemand probeert een ander te slaan of te schoppen maar dat lukt niet, dan is die poging niet strafbaar.

Recht op bijstand van een advocaat (consultatie raadsman, Salduz, ademonderzoek)

4 april 2012
Hof Den Bosch – uitspraak

Het recht van een verdachte om een raadsman te consulteren, vindt met andere woorden zijn grondslag in het nemo tenetur-beginsel, dit wil zeggen het beginsel dat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken, in het bijzonder niet door zijn eigen verklaringen. Echter, dit is niet aan de orde bij de verplichting tot medewerking aan een ademonderzoek (vgl. ook HR 27 maart 2012, LJN BV8288 met betrekking tot het verzoek aan een bewoner om toestemming tot binnentreden als bedoeld in art. 1, vierde lid, van de Algemene wet op het binnentreden).

Dood door schuld bij inschenken GHB voor vriendin (vrijgesproken)

18 mei 2016
Rechtbank Midden-Nederland – uitspraak

De rechtbank overweegt dat in het algemeen geldt dat onder schuld als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of hiervan sprake is, wordt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaald door de manier waarop dit in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van schuld te kunnen komen. Voor een bewezenverklaring van schuld is voorts van belang dat de verdachte moest kunnen voorzien dat bepaald gedrag (handelen of nalaten) onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. Dit laatste betekent in onderhavige zaak dat de verdachte moest kunnen voorzien dat het aanbieden van de door haar ingeschonken hoeveelheid GHB de dood van [slachtoffer] tot gevolg kon hebben.

Identificatieplicht: toonplicht of draagplicht? (‘ID ligt thuis, wilt u even meelopen?’)

Tijdens het vaststellen van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is discussie gevoerd of het zou gaan om een draagplicht of een toonplicht. De term draagplicht wordt zo uitgelegd dat de politie daarbij mensen spontaan zou kunnen controleren op het bij zich hebben van het ID. Dat werd onwenselijk bevonden waarop werd bepaald dat het om een toonplicht zou gaan.

Bij een toonplicht – die expliciet geen draagplicht is – zou men echter kunnen menen dat wanneer de politie ID vordert, men de politie zou kunnen vragen even mee te lopen naar huis om het ID te tonen.

Dit idee werd versterkt doordat er vanaf 2005 t/m 2009 in de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht de volgende passage was opgenomen:

Er zijn gevallen denkbaar waarin weliswaar niet aan de toonplicht is voldaan, maar waarin het niet opportuun is om betrokkene te bestraffen, omdat toch aan het doel van de bevoegdheid – het vaststellen van de identiteit – is voldaan.

  • de gevallen waarin iemand het identiteitsdocument op het bureau laat langsbrengen.

De hoofdregel dient echter te zijn dat de norm gehandhaafd wordt. Er moet dus zeker geen recht op een coulante behandeling ontstaan, omdat anders op den duur de waarde van de identificatieplicht voor de rechtshandhaving wordt ondergraven. Degene die geen identiteitsbewijs bij zich draagt, neemt altijd het risico dat hij een boete krijgt opgelegd.

Vanaf 2010 is deze optie echter geschrapt uit de Aanwijzing.

Het gerechtshof in Den Haag maakte in februari 2013 ook korte metten met dat argument:

Uit de Memorie van Antwoord van de minister van justitie aan de Eerste Kamer, zoals deze staat weergegeven onder punt 18 van de pleitnotities, volgt niet dat in het geval de verdachte zijn identiteitsbewijs thuis heeft liggen, steeds van een politieambtenaar verwacht of zelfs geëist zou mogen worden dat hij de verdachte vergezelt naar zijn woonhuis.

De zaak betrof een joodse man welke wegens een verdenking van huiselijk geweld was aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar werd hij om zijn identificatie gevraagd. Die lag echter thuis.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu de verdachte aan de uitlatingen die de toenmalige minister van justitie (Donner) heeft gedaan bij de totstandkoming van de Wet uitbreiding identificatieplicht (WID) de gerechtvaardigde verwachtingen heeft ontleend en mogen ontlenen, dat vanuit opportuniteitsoverwegingen van vervolging van orthodoxe joden ter zake van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht zou worden afgezien.

Hieronder enige interessante stukken uit de wetgeschiedenis bij de Wet op de identificatieplicht.

Memorie van Toelichting

Het zal voor de acceptatie goed zijn als de politie van de bevoegdheid gebruik maakt, indien daarvoor een redelijke aanleiding in het kader van haar taakuitoefening aanwezig is. Anderzijds gaat het te ver indien verlangd wordt dat ook voor de uitoefening van de controletaak door de politie altijd een concrete aanleiding, in de zin van een vermoeden van een strafbaar feit, aanwezig moet zijn.

Advies Raad van State en nader rapport

Het wetsvoorstel impliceert weliswaar een algemene draagplicht, maar deze kan niet in het algemeen worden geactiveerd door alle opsporingsambtenaren en toezichthouders op willekeurige tijdstippen.

24-03-2004 Voorlopig verslag

Het wetsvoorstel hinkt namelijk op twee gedachten: het verplicht de burger niet een identiteitsbewijs bij zich te hebben (geen draagplicht), maar verklaart hem wel strafbaar wanneer hij dit bewijs na een daartoe gerechtvaardigde vraag niet kan tonen. Hoe zit het dan met degene die de kaart niet bij zich heeft en die de politiebeambte of toezichthouder aanbiedt met hem mee naar zijn huis te lopen, op een redelijke afstand van de «plaats delict», waar hem de kaart alsnog getoond kan worden. Is die persoon in overtreding? Zo ja, waarom? Is de regering bereid ambtsinstructies te doen uitgaan, en de Kamer daaromtrent inzicht te verschaffen, alsmede over straffeloosheid indien het identiteitsbewijs alsnog binnen een redelijke termijn getoond wordt?

Onrechtmatig verkregen bewijs: bewijsuitsluiting of strafvermindering

Hof Den Bosch 4-2-2009

In een briefing hadden verbalisanten vernomen dat inzittenden van een bepaalde auto met een bepaald kenteken zich schuldig zouden maken aan handel in verdovende middelen.

Toen de verbalisanten deze auto zagen rijden zijn zij daar achteraangereden. Toen de auto stopte op een parkeerplaats hebben zij hun dienstvoertuig daarnaast geparkeerd.

[verbalisant 1] heeft de verdachte vervolgens gevraagd de zakken van zijn kleding leeg te maken en of het goed was dat hij, verbalisant, in die zakken mocht voelen. Vervolgens heeft [verbalisant 1] de verdachte aan zijn kleding onderzocht, waarbij hij in een zak van verdachtes jas of broek een plastic zakje met daarin een witte brok en een klein bolletje heeft aangetroffen. [verbalisant 1] vermoedde dat het om cocaïne ging. Nadat de verdachte op de vraag van [verbalisant 1] bevestigde dat hij cocaïne bij zich had, is de verdachte aangehouden.

Uit het hierboven genoemde proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt dat zij de verdachte hebben aangesproken en dat [verbalisant 1] de verdachte naar zijn personalia heeft gevraagd (“staande gehouden”) naar aanleiding van de informatie die bij de briefing ter kennis van de verbalisanten was gebracht. Deze informatie – die, voor zover uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet méér inhield dan dat de mogelijkheid bestond dat de verdachte een in de Opiumwet strafbaar gesteld feit gepleegd zou kunnen hebben – acht het hof, evenals de rechter-commissaris, op zichzelf van onvoldoende gewicht om ten aanzien van de verdachte te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Nu voorts niet is gesteld of aannemelijk geworden dat de bij de briefing verstrekte informatie voorafgaande aan de staandehouding ten bezware van de verdachte nog nader is onderbouwd of geconcretiseerd, terwijl evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat sprake was van gedragingen van de verdachte op grond waarvan de verbalisanten hem ten tijde van de staandehouding als “verdachte” in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering mochten aanmerken, concludeert het hof dat zich hier op het moment van de staandehouding niet de situatie voordeed dat ten aanzien van de verdachte uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide.

Gelet hierop ontbreekt ook voor het onderzoek aan de kleding van de verdachte een wettelijke basis, waarbij in het midden kan blijven of de verdachte aan dat onderzoek vrijwillig heeft medegewerkt, zoals door [verbalisant 1] is gesteld en door verdachte ter terechtzitting is betwist. Naar het oordeel van het hof mocht de verdachte ten tijde van het onderzoek aan zijn kleding niet worden aangemerkt als “een persoon, verdacht van een bij de Opiumwet als misdrijf strafbaar gesteld feit”, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet, terwijl op dat moment evenmin sprake was van de in dat artikellid bedoelde “ernstige bezwaren” tegen de verdachte.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén