Embedden betekent dat op een webpagina gegevens worden getoond, welke afkomstig zijn van de server van een andere website.

Zo is de navolgende afbeelding van een schoen geëmbed. Deze is afkomstig van (een server van) rechtspraak.nl.

Een afbeelding van een andere website kan worden geëmbed met de volgende html-code:
<img src=”http://www.andere-website.nl/plaatje.jpg” />

Tevens kan een gehele website worden ingesloten met:
<iframe src=”http://www.andere-website.nl”></iframe>

Zeker bij het embedden van afbeeldingen, is het voor de gemiddelde bezoeker nauwelijks waarneembaar dat deze afkomstig is van een andere website. Hierdoor zie ik een groot verschil met de traditionele hyperlink, waarbij men overduidelijk wordt doorgestuurd naar een andere website. Als u bijvoorbeeld hier klikt, gaat u naar rechtspraak.nl.

(om het helemaal complex te maken; men kan van een geëmbedde afbeelding weer een hyperlink maken. Als u op de schoen hierboven klikt, gaat u naar nu.nl.)

Uitspraken en quotes

Hieronder:

  • Rb ‘s-Gravenhage – embedden is openbaarmaken – dec 2012
  • Bundesgerichtshof persbericht – mei 2013
  • Bundesgerichtshof – mei 2013
  • Egeler & Lodder: noot onder Buma/Nederland.fm
  • HvJ EU (Svensson) – feb 2014
  • HvJ EU: Conclusie Advocaat Generaal bij Geenstijl vs. Sanoma, Playboy – apr 2016
  • HvJ EU (Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker) – sep 2016
  • Dirk Visser over Geenstijl vs. Sanoma, Playboy & Britt Dekker – 8 sep 2016
  • Rb. Amsterdam (7-2018) – embedden plasfilmpje Paay is onrechtmatig

19 december 2012
Rechtbank ‘s-Gravenhage (Nederland.fm) – boek9

Embedden is openbaarmaken

4.3 (…) Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of gedaagde (mede)verantwoordelijk is voor die openbaarmaking in de situatie dat de browser van de gebruiker, na het klikken op een hyperlink op zijn radioportals, de radiostream rechtsreeks ophaalt bij de mediaservers van de radiostations. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord omdat gedaagde zijn website zo heeft ingericht daar de gelinkt radiostreams worden beluisterd in het kader van zijn websites.

4.5. (…) De websites van Souren zijn namelijk andere audiovisuele producten dan de websites van de radiostations. Zij hebben daarom een ander publiek. Daarbij staat vast dat Buma/Stemra niet de bezoekers van de websites van Souren voor ogen heeft gehad, toen zij toestemming verleende voor de openbaarmaking van de muziekwerken door de radiostations. Buma/Stemra heeft uitdrukkelijk aangevoerd dat de licentie die zij de radiostations heeft verleend, geen toestemming inhoudt voor gebruik van de radiostreams in het kader van de websites van derden.

4.6. Dat gedaagde de radiostreams presenteert in het kader van zijn eigen websites is auteursrechtelijk relevant omdat hij op die manier de mogelijkheid schept om zelf profijt te trekken uit de radiostreams en de daarin opgenomen muziekwerken. In feite eigent gedaagde zich door zijn handelswijze de mogelijkheid toe om de muziekwerken te exploiteren. Gedaagde maakt ook gebruik van die mogelijkheid. Op de homepage van zijn websites worden namelijk advertenties gepresenteerd. Vanwege de genoemde inrichting van zijn websites, blijven die advertenties zichtbaar tijdens het afspelen van de radiostreams. Aldus genereert gedaagde inkomsten mede met de auteursrechtelijk beschermde muziekwerken van de bij Buma Stemra aangesloten partijen.


16 mei 2013
Duitsland Bundesgerichtshof (Die Realität) – bundesgerichtshof.de persbericht (pdf)

Embedden is geen openbaarmaking, toch even navragen bij het Europese Hof

Das Berufungsgericht hat zwar – so der Bundesgerichtshof – mit Recht angenommen, dass die bloße Verknüpfung eines auf einer fremden Internetseite bereitgehaltenen Werkes mit der eigenen Internetseite im Wege des „Framing“ grundsätzlich kein öffentliches Zugänglichmachen im Sinne des § 19a UrhG darstellt, weil allein der Inhaber der fremden Internetseite darüber entscheidet, ob das auf seiner Internetseite bereitgehaltene Werk der Öffentlichkeit zugänglich bleibt. Eine solche Verknüpfung könnte jedoch bei einer im Blick auf Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG zur Harmonisierung bestimmter Aspekte des Urheberrechts und der verwandten Schutzrechte in der Informationsgesellschaft gebotenen richtlinienkonformen Auslegung des § 15 Abs. 2 UrhG ein unbenanntes Verwertungsrecht der öffentlichen Wiedergabe verletzen. Der Bundesgerichtshof hat dem Gerichtshof der Europäischen Union daher die – auch unter Berücksichtigung der Rechtsprechung des Gerichtshofs nicht zweifelsfrei zu beantwortende – Frage vorgelegt, ob bei der hier in Rede stehenden Einbettung eines auf einer fremden Internetseite öffentlich zugänglich gemachten fremden Werkes in eine eigene Internetseite eine öffentliche Wiedergabe im Sinne des Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG vorliegt.


16 mei 2013
Duitsland – Bundesgerichtshof (Die Realität) bundesgerichtshof.de (pdf)

Embedden is geen openbaarmaking krachtens art. 19a UrhG (auteurswet), maar eventueel wel krachtens het algemene art. 15 UrhG in het licht van art. 3, lid 1 Richtlijn 2001/29/EG. Prejudiciële vragen aan het Europese Hof.

Het BGH oordeelt dat embedden naar vaste rechtspraak geen ‘openlijk toegankelijkmaken’ in de zin van artikel 19a UrhG oplevert:

7. 2. Das Berufungsgericht hat zutreffend angenommen, dass die Wiedergabe des in Rede stehenden Films auf der Internetseite der Beklagten im Wege des „Framing“ nach der Rechtsprechung des Senats kein öffentliches Zugänglichmachen im Sinne des § 19a UrhG darstellt.

Dat artikel vereist naar vaste rechtspraak dat (aan) derden de toegang tot het werk geopend wordt, dat zich in de macht van de inbreukmaker bevindt:

8. Die Vorschrift des § 19a UrhG, die Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG ins nationale Recht umsetzt, erfordert nach der Rechtsprechung des Senats, dass Dritten der Zugriff auf ein urheberrechtlich geschütztes Werk eröffnet wird, das sich in der Zugriffssphäre des Vorhaltenden befindet (vgl. BGH, Urteil vom 22. April 2009 – I ZR 216/06, GRUR 2009, 845 Rn. 27 = WRP 2009, 1001 – Internet-Videorecorder I; Urteil vom 20. Mai 2009 – I ZR 239/06, GRUR 2009, 864 Rn. 16 = WRP 2009, 1143 – CAD-Software; Urteil vom 29. April 2010 – I ZR 69/08, GRUR 2010, 628 Rn. 19 = WRP 2010, 916 – Vorschaubilder I; Urteil vom 29. April 2010 – I ZR 39/08, GRUR 2011, 56 Rn. 23 = WRP 2011, 88 – Session-ID).

Embedden levert geen ‘openlijk toegankelijkmaken’ op, aangezien alleen de houder van de bron-website erover beslist, of het werk voor de openbaarheid toegankelijk blijft.

9. Die bloße Verknüpfung eines auf einer fremden Internetseite bereitgehaltenen Werkes mit der eigenen Internetseite im Wege des „Framing“ stellt danach grundsätzlich kein öffentliches Zugänglichmachen dar, weil allein der Inhaber der fremden Internetseite darüber entscheidet, ob das auf seiner Internetseite bereitgehaltene Werk für die Öffentlichkeit zugänglich bleibt. Entgegen der Ansicht der Revision kommt es insoweit nicht darauf an, ob die Beklagten sich den Film durch Einbettung in ihre Webseiten zu eigen gemacht haben. Das Recht des öffentlichen Zugänglichmachens wird nicht verletzt, wenn der für einen Internetauftritt Verantwortliche nur den – tatsächlich unzutreffenden – Eindruck erweckt, er halte selbst das Werk zum Abruf bereit. Der Tatbestand einer urheberrechtlichen Nutzungshandlung wird allein durch die Vornahme der Nutzungshandlung erfüllt und nicht dadurch, dass deren Merkmale vorgetäuscht werden (vgl. OLG Köln, GRUR-RR 2013, 49 f.; v. Ungern-Sternberg in Schricker/Loewenheim, Urheberrecht, 4. Aufl., § 19a UrhG Rn. 46; Bullinger in Wandtke/Bullinger, Urheberrecht, 3. Aufl., § 19a UrhG Rn. 29; Ott, ZUM 2004, 357, 363 f.; ders., MMR 2007, 260, 263 f.; ders., ZUM 2008, 556, 559; Conrad, CR 2013, 305, 314; vgl. auch OLG Köln, MMR 2012, 552; aA OLG Düsseldorf, ZUM 2012, 327, 328; LG München I, ZUM 2007, 224, 225 ff.; ZUM 2013, 230, 234 f.; Schulze, ZUM 2011, 2, 10; Reinemann/Remmertz, ZUM 2012, 216, 222 f. und 226; vgl. auch v. Lewinski/Walter in Walter/v. Lewinski, European Copyright Law, 2010, Rn. 11.3.35).

Wel zou de weergave van het werk via het embedden volgens het BGH een onbenoemd exploitatierecht van ‘openlijke weergave’ kunnen schaden krachtens art. 15 lid 2 UrhG, wanneer dit artikel richtlijnconform wordt uitgelegd.

10 3. Die Wiedergabe des Films auf der Internetseite der Beklagten im Wege des „Framing“ könnte jedoch bei einer im Blick auf Art. 3 Abs. 1 der Richtlinie 2001/29/EG gebotenen richtlinienkonformen Auslegung des § 15 Abs. 2 UrhG ein unbenanntes Verwertungsrecht der öffentlichen Wiedergabe verletzen (Ott, Urheber- und wettbewerbsrechtliche Probleme von Linking und Framing, 2004, S. 330 ff.; ders., ZUM 2004, 357, 364; ders., MMR 2007, 260, 264 f.; ders., ZUM 2008, 556, 560; aA v. Ungern-Sternberg in Schricker/Loewenheim aaO § 15 UrhG Rn. 27; vgl. auch Schulze in Dreier/Schulze, UrhG, 4. Aufl., § 16 Rn. 14; Dustmann in Fromm/Nordemann, Urheberrecht, 10. Aufl., § 16 UrhG Rn. 30; zur praktischen Relevanz des Problems siehe Ullrich, ZUM 2010, 853 ff.; zur Rechtslage im US-amerikanischen Recht vgl. Lunardi, 19 Fordham Intellectual Property Media & Entertainment Law Journal 1077 ff.).

Artikel 15, lid 2, onder 1 UhrG is het – niet-limitatieve – kapstokartikel omtrent openbaarmaking in het Duitse recht.

11. a) Gemäß § 15 Abs. 2 Satz 1 UrhG hat der Urheber das ausschließliche Recht, sein Werk in unkörperlicher Form öffentlich wiederzugeben (Recht der öffentlichen Wiedergabe). Dieses Recht umfasst nach § 15 Abs. 2 Satz 2 UrhG insbesondere das Vortrags-, Aufführungs- und Vorführungsrecht (§ 19 UrhG), das Recht der öffentlichen Zugänglichmachung (§ 19a UrhG), das Senderecht (§ 20 UrhG), das Recht der Wiedergabe durch Bild- oder Tonträger (§ 21 UrhG) sowie das Recht der Wiedergabe von Funksendungen und der öffentlichen Zugänglichmachung (§ 22 UrhG). Die Vorschrift des § 15 Abs. 2 UrhG enthält keine abschließende, sondern eine beispielhafte („insbesondere“) Aufzählung der dem Urheber vorbehaltenen Verwertungsrechte und lässt daher die Anerken-nung unbenannter Verwertungsrechte der öffentlichen Wiedergabe zu (vgl. BGH, Urteil vom 17. Juli 2003 – I ZR 259/00, BGHZ 156, 1, 13 = GRUR 2003, 958 – Paperboy; v. Ungern-Sternberg in Schricker/Loewenheim aaO § 19a UrhG Rn. 22).


mei 2013
Egeler & Lodder: noot onder Buma/Nederland.fm – pdf

In dit stuk wordt m.i. te weinig onderscheid gemaakt tussen traditioneel hyperlinken en embedden.


13 februari 2014
Hof van Justitie EU (Svensson) uitspraak

Het Hof oordeelt dat een link weliswaar een mededeling is, maar doorgaans geen ‘nieuw publiek’ bereikt. Wanneer men iets (openbaar) op het internet plaatst worden immers potentieel reeds alle internetters bereikt.

Dan zegt het Hof iets over embedden:

Deze vaststelling wordt niet op losse schroeven gezet indien de verwijzende rechter zou vaststellen – hetgeen niet duidelijk blijkt uit het dossier – dat wanneer de internetgebruikers op de betrokken link klikken, het werk verschijnt en daarbij de indruk wordt gewekt dat het wordt getoond op de website waar de link zich bevindt, terwijl dit werk in werkelijkheid afkomstig is van een andere website.

De zinsnede “de indruk wordt gewekt dat het wordt getoond op de website” in slecht geformuleerd. Iets wordt getoond, of iets wordt niet getoond. Bedoeld wordt dat de indruk wordt gewekt dat het werk afkomstig is van dezelfde site/server waarop zich de link bevindt. Dit is het geval bij Nederland.fm.

Deze bijkomende omstandigheid wijzigt immers niets aan de vaststelling dat het plaatsen op een website van een aanklikbare link naar een beschermd werk dat op een andere website is bekendgemaakt en vrij toegankelijk is, tot gevolg heeft dat dit werk ter beschikking van de gebruikers van eerstgenoemde website wordt gesteld en dus een mededeling aan het publiek vormt. Aangezien het niet gaat om een nieuw publiek, is evenwel in elk geval de toestemming van de houders van het auteursrecht niet vereist voor een dergelijke mededeling aan het publiek.

Het is natuurlijk een ander verhaal wanneer beperkingsmaatregelen worden omzeild.

Indien daarentegen een aanklikbare link de gebruikers van de website waarop deze link zich bevindt, in staat stelt om beperkingsmaatregelen te omzeilen die op de website waar het beschermde werk zich bevindt zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, en aldus een interventie vormt zonder welke die gebruikers niet zouden kunnen beschikken over de verspreide werken, dienen al deze gebruikers te worden beschouwd als een nieuw publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen deze toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling, zodat de toestemming van de houders vereist is voor een dergelijke mededeling aan het publiek. Dit is met name het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is voor het publiek op de website waarop het oorspronkelijk werd medegedeeld of wanneer het thans op die website enkel beschikbaar is voor een beperkt publiek, terwijl het op een andere website toegankelijk is zonder toestemming van de houders van het auteursrecht.

Ik vraag mij af of een beveiligingsmaatregelen welke door een eenvoudige link omzeild kunnen worden, wel de titel ‘beveiligingsmaatregelen’ mogen dragen.


8 september 2016
Dirk Visser – pdf


september 2016
Hof van Justitie EU (Geenstijl (van Sanoma) vs. Playboy & Britt Dekker) – uitspraak

Wat was de casus ook al weer? Een onbekende had op filefactory.com een bestand geplaatst met daarin de nog-niet-gepubliceerde naaktfoto’s van Britt Dekker.
Hof introduceert het element van winstoogmerk om uit te maken of een link een ‘mededeling aan het publiek’ oplevert.


25-7-2018
Rechtbank Amsterdam – uitspraak

GS Media heeft 1,5 uur op geenstijl.nl een plasseksfilmpje geëmbed dat door iemand op twitter was geplaatst. Onrechtmatige daad want faciliterende en aanjagende rol (mede wegens groot bereik). “Dat het materiaal door de gemiddelde internetter mogelijk ook zelf op eenvoudige wijze gevonden had kunnen worden maakt dit niet anders, al was het maar omdat niet gezegd is dat iedere al dan niet terloopse bezoeker van Geen Stijl.nl ook actief naar dit soort materiaal op zoek zou zijn gegaan. En zelfs als dat wél zo zou zijn — de vraag waarom dan nog linken dringt zich overigens op — dan is ook daarmee nog niet gegeven dat het plaatsen van een link naar een filmpje als hier aan de orde niet onrechtmatig kan zijn.”

Maar journalistieke vrijheid is daar waar die de belangen van anderen raakt niet onbegrensd, ook niet als een embedded hyperlink raakt aan een “discussie” (beter hier: aanwezige ophef) die in de publieke belangstelling staat (het zogenoemde “debate of general interest”). Nu GSMedia c.s. op werkelijk geen enkele manier de rechtbank heeft kunnen overtuigen dat het aan de kaak stellen van de gewraakte hypocrisie – bij anderen(!) – óók het plaatsen van de embedded hyperlink naar het filmpje met [eiseres] rechtvaardigde, in die zin dat de belangen van [eiseres] daarvoor moesten wijken, is daarmee in dit geding komen vast te staan dat GSMedia c.s. op ontoelaatbare wijze een grens heeft overschreden. Dat [eiseres] een bekend persoon is, en mogelijk in het verleden in de openbaarheid in meer of mindere mate (seksueel) vrijgevochten gedrag heeft vertoond, maakt dit niet anders. Het is nog steeds aan haar zelf of en zo ja, in welke mate, zij haar intieme privésfeer – waarvan hier onbetwist sprake is – wil delen met het publiek, ook als zij die zelf laat filmen en zij mogelijk zelf betrokken is bij verspreiding in eigen gekozen – en dus beperkte – kring.