Sinds jaar en dag is er een strafbepaling voor het beledigen van groepen mensen, bijvoorbeeld wegens hun ras, afkomst, geaardheid/gerichtheid, godsdienst, levensovertuiging, of handicap. Deze is gelegen in artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr).

Bij de groepsbelediging wegens godsdienst of levensovertuiging speelt er een fundamenteel grondbeginsel mee. Dat is het grondbeginsel dat opvattingen altijd bekritiseerd moet kunnen worden. Godsdiensten en levensovertuigingen zijn opvattingen. Dit wordt duidelijk aan de hand van een voorbeeld. Lange tijd leefde de alom heersende opvatting dat de aarde plat was. Ook ten aanzien van zulke stellige en unaniem gesteunde opvattingen moet dus ruimte geboden worden voor een kritisch tegengeluid. Als die ruimte er niet is, wordt een ander geluid bij voorbaat in de kiem gesmoord en bestaat er zelfs vrees die te uiten. Het resultaat is een blokkade op vooruitgang van de mensheid. Zó belangrijk is het.

Godsdiensten en levensovertuigingen zitten boordevol opvattingen. Niet zelden zijn die stellig en veroordelend van aard. Wanneer die opvattingen bekritiseerd worden ‘raakt’ dat indirect ook de aanhangers van die opvattingen. Het lijkt er dan al snel op dat er (indirect) sprake is van groepsbelediging wegens godsdienst of levensovertuiging. Gelet op het belang dat opvattingen altijd bekritiseerd moeten worden, is de strafbepaling niet van toepassing bij kritiek op opvattingen, ook niet wanneer die zijn gelegen in godsdiensten en levensovertuigingen.

De wet en de wetsgeschiedenis
In 1971 werd het wetsartikel aangepast ter implementatie van het Verdrag inzake de uitbanning van Rassendiscriminatie. Sindsdien luidt artikel 137c lid 1 Sr als volgt:

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

De wetsgeschiedenis leest als volgt:

Strafbaar is enkel het aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van de groep, omdat die van een bepaald ras is, een bepaalde godsdienst belijdt of een bepaalde levensovertuiging is toegedaan. Kritiek op opvattingen en gedragingen – in welke vorm ook – valt buiten het bereik van de ontworpen strafbepaling. (Kamerstukken II 1969-1970, 9724, Memorie van Antwoord, nr. 6, p. 4.)

Het beledigen van een groep zal dus – anders dan nu – alleen strafbaar zijn als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging en men hen beledigt juist omdat zij van dit ras, dat geloof of die levensovertuiging zijn. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van de strafwet. (Handelingen I 1970-1971, p. 555.)

Hoge Raad 10 maart 2009. Het ging om een poster met daarop “Stop het gezwel dat Islam heet” en “Wij buigen niet voor Allah”.

2.5.1. Art. 137c Sr stelt strafbaar het zich beledigend uitlaten “over een groep mensen wegens hun godsdienst”, doch niet het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet indien dit geschiedt op zo’n wijze dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt.

Strafbaar is enkel het zich nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat deze een bepaalde godsdienst aanhangt. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt – aldus de wetsgeschiedenis – immers alleen onder art. 137c Sr als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van art. 137c Sr.

2.5.2. Gelet op de beperkte reikwijdte van art. 137c Sr die door de wetgever is beoogd, vereist deze bepaling dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken, is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers, dus over een groep mensen wegens hun godsdienst in de zin van art. 137c Sr.

2.6. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich met zijn poster met daarop de tekst “Stop het gezwel dat Islam heet” onnodig grievend heeft uitgelaten over de Islam. Het Hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat “gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen” deze uitlating reeds daardoor ook beledigend is voor “die groep mensen die de Islam belijden”. Naar uit het voorgaande volgt, heeft het Hof aldus blijk gegeven van een te ruime – en dus onjuiste – opvatting omtrent de in art. 137c, eerste lid, Sr voorkomende uitdrukking “een groep mensen wegens hun godsdienst”.

Mijns inziens heeft het hof twee fouten gemaakt. De eerste is dat het hof het mogelijk acht dat een uiting onnodig grievend kan zijn over een godsdienst. Over een opvatting dus. Gelet op het bovenaan dit stuk aangetoonde immense belang dat opvattingen altijd bekritiseerd moeten kunnen worden, is dat domweg fout. Hierdoor is fout 2 ook snel gemaakt: Kritiek op een opvatting vereenzelvigen met kritiek op de aanhangers van die opvatting.

De Hoge Raad komt overigens niet eens aan de driestappentoets toe. Het impliciet in de wet(sgeschiedenis) besloten immense belang dat opvattingen altijd bekritiseerd moeten kunnen worden, beperkt de reikwijdte van welke uiting überhaupt strafbaar kunnen zijn. Aangezien de uiting overduidelijk op een godsdienst – en dus een opvatting – was gericht, is heel het wetsartikel over groepsbelediging helemaal niet van toepassing.

Gelet op het feit dat het hier om een nagenoeg wereldwijd probleem gaat dat zich dag in dag uit voordoet, was het mijns inziens beter geweest als de Hoge Raad in het arrest het belang van het moeten kunnen bekritiseren van opvattingen had opgenomen.