Inhoudsopgave:
– Oorspronkelijk artikel.
– Wettelijke verduidelijking vanaf 1 januari 2025.


In de rechtsliteratuur wordt het als volgt omschreven:
Enerzijds moet de rechter zich beperken tot de rechtsstrijd van partijen. Anderzijds moet de rechter de rechtsgronden aanvullen. Waar ligt de grens tussen de begrippen ‘rechtsstrijd’ en ‘rechtsgronden’?

Hoe staat het in de wet?

Artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.

Artikel 25 Rv

De rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.

Dan doemt de vraag op: Waar ligt de grens tussen de begrippen ‘grondslag’ en ‘rechtsgrond’?

Zoals wel vaker, worden zaken duidelijker wanneer de theorie wordt toegepast op een concrete casus. Daarvoor biedt de jurisprudentie uitkomst.

HR 15 april 2016 (uitspraak)
In deze zaak had een partij geen beroep op stuiting van de verjaring gedaan. In de stukken zat echter wel een brief waarop een stuiting gebaseerd kon worden. Die brief was echter slechts toegevoegd om de chronologische gang van zaken tussen partijen te duiden. Het hof heeft geoordeeld dat de verjaring is gestuit, en aan die stuiting de brief ten gronde gelegd.

De AG ziet 2 fouten bij het hof. De ene fout is dat er helemaal geen beroep op stuiting is gedaan. De rechter heeft dan artikel 24 Rv geschonden door zelfstandig te oordelen dat er sprake is van stuiting. De andere fout is dat het hof inzake die stuiting de feitelijke gronden daarvoor zelfstandig erbij heeft gesprokkeld; te weten die brief.

Vervolgens haalt de AG vaste jurisprudentie aan, waardoor alles helder wordt:

2.5 Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het de rechter niet vrij staat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.

Dát is dus hoe 24 Rv gelezen moet worden. Het is van het grootste belang of hetgeen door een partij is aangehaald tevens aan diens vordering/verweer/stelling ten gronde is gelegd. Dáár ging het dus mis in de stuitingszaak. De brief (waarop een stuiting gebaseerd zou kunnen worden) was slechts ingebracht om de chronologische gang van zaken te duiden.

Voor de duidelijk geef ik een voorbeeld waarin de rechtsgronden wél worden aangevuld. Stel een werknemer vordert schadevergoeding van z’n werkgever wegens een bedrijfsongeval. De werknemer zal daartoe feiten en omstandigheden uiteenzetten en vervolgens aangeven dat hij daardoor iets te vorderen heeft. Als de werknemer dan heel onhandig enkel de rechtsgrond onrechtmatige daad aanhaalt, maar de rechter ziet dat het feitenrelaas kwalificeert als een schending van de zorgplicht door de werkgever (dat is een andere rechtsgrond) dan moet de rechter die rechtsgrond aanvullen. Hier komt de rechter alleen maar aan toe, omdat de werknemer wél eerst zélf dat feitenrelaas aan zijn vordering ten gronde heeft gelegd.

Je zou je kunnen afvragen of het zin heeft om op een algemene manier alles wat je hebt gesteld en ingebracht, ten grondslag te leggen aan al je vorderingen en verweren.

Wat daar ook van zij, wat deed de Hoge Raad?

De Hoge Raad is minder specifiek: De betreffende partij heeft niet gesteld dat de verjaring is gestuit. Het hof heeft daardoor niet mogen oordelen dat er sprake was van stuiting. Door dat wel te doen heeft het hof in strijd gehandeld met 24 Rv en is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. De Hoge Raad maakt dus niet een apart punt van het, door het hof, staven van die stuiting door het zelfstandig aanhalen van feiten en omstandigheden, te weten het erbij pakken van een brief die met een ander doel was ingebracht.

Vooral de AG verduidelijkt het een en ander. Dat kan ik het beste toelichten door een gedachte-experiment. Hierbij vul ik de (vage) begrippen uit de wet heel anders in: 1. Omdat de brief gewoon tot de stukken behoorde heeft de rechter geen grondslag ‘aangevuld’. 2. Op basis van die brief kan een stuiting worden gebaseerd. Een stuiting zou je net zo goed kunnen bestempelen als een rechtsgrond. Die moet de rechter aanvullen volgens 25 Rv.

Concluderend is het dus van het grootste belang welke feiten en omstandigheden er aan de vordering/verweer/stelling ten grondslag zijn gelegd. Een partij die schadevergoeding vordert wegens een bedrijfsongeval en daartoe netjes feiten en omstandigheden aandraagt, maar onhandig slechts een beroep doet op onrechtmatige daad, wordt wel geholpen. Een partij die géén feiten en omstandigheden ten grondslag legt aan een beroep op stuiting – omdat hij helemaal geen beroep op stuiting doet – wordt niet geholpen.


Vanaf 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (WMB) in werking getreden. Inzake het samenstel van artikel 24 en 25 Rv heeft het er alles van weg dat slechts een verduidelijking is beoogd, en geen wijziging.

De wijze waarop de rechter aan zijn rol en verantwoordelijkheid voor de waarheidsvinding invulling geeft, laat in de praktijk nog grote verschillen zien en is niet altijd even duidelijk.14 Daarom wordt voorgesteld om in artikel 24 te verduidelijken dat de rechter – binnen zijn bestaande bevoegdheden en binnen de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd – ambtshalve de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd, met partijen kan bespreken. De voorgestelde wijziging beoogt diegenen die in de praktijk nog een strikte opvatting van de partijautonomie erop nahouden, duidelijkheid te geven dat de rechter binnen het partijdebat de bevoegdheid en ruimte heeft om op de mondelinge behandeling mogelijke argumenten met partijen te bespreken en zo actief bij te dragen aan de materiële waarheidsvinding. Hiermee wordt aan de verantwoordelijkheid van de rechter voor de waarheidsvinding een verdere wettelijke basis gegeven.

De principiële verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen partijen en de rechter op het punt van de informatiegaring en bewijsverzameling blijft in dit wetsvoorstel ongewijzigd.

Dit is uitgewerkt door aan 24 Rv een tweede lid toe te voegen.

De rechter kan binnen de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve met partijen de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer bespreken. […] De bevoegdheid van de rechter gaat dus niet zo ver dat de rechter mag gaan «mee procederen» door een van de partijen suggesties aan te dragen voor wijziging van de feitelijke grondslag van haar vordering, verzoek of verweer. Wat de rechter wel ambtshalve mag doen, is het partijdebat bijsturen door partijen opmerkzaam te maken op bepaalde inconsistenties of onduidelijkheden in hun stellingen en partijen daarover bevragen. De vragen en interrupties van de rechter kunnen partijen aanzetten tot het verstrekken van inlichtingen die anders buiten het partijdebat zouden zijn gebleven en een partij aanleiding geven haar stellingen aan te vullen of te verbeteren. Dit is inherent aan de bespreking van het geschil van partijen op de mondelinge behandeling en is nu ook al mogelijk binnen de bestaande bevoegdheden van de rechter.